ECLI:NL:GHDHA:2026:2235

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
BK-25/423
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging WOZ-waarde woning na toetsing grondquote en vergelijkingsmethode

Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning met een gebruiksoppervlakte van 240 m² en een perceel van 880 m². De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2022 vast op €1.025.000. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze beschikking en de aanslag onroerende-zaakbelastingen, dat werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde.

In hoger beroep stond centraal of de WOZ-waarde te hoog was vastgesteld, met name de grondprijs. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een matrix van vergelijkingsobjecten en een grondquote gebaseerd op nieuwbouwprojecten in de regio Drechtsteden. De rechtbank en het hof oordeelden dat de gebruikte vergelijkingsmethode en grondquote voldoende inzicht en onderbouwing boden, ondanks de kritiek van belanghebbende op de grondprijsberekening en verschillen tussen vergelijkingsobjecten.

Het hof benadrukte dat waarderingsmethoden hulpmiddelen zijn en dat het aan de rechter is te toetsen of de waarde voldoet aan het wettelijke waardebegrip. De heffingsambtenaar heeft volgens het hof aan zijn bewijslast voldaan. De verschillen in grondprijzen en gebruiksoppervlakte tussen de woning en vergelijkingsobjecten rechtvaardigen geen verlaging van de WOZ-waarde. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de beschikking blijft ongewijzigd.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de WOZ-waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/423

Uitspraak van 15 april 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: G. Gieben)
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Dordrecht, de Heffingsambtenaar,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 10 april 2025, nummer ROT 23/6786.

Procesverloop

1.1.
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op € 1.025.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2023 opgelegde aanslag in de onroerende-zaakbelastingen van de gemeente Dordrecht (de aanslag).
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de beschikking en de aanslag bezwaar gemaakt. De Heffingsambtenaar heeft het bezwaar afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 143. De Heffingsambtenaar heeft een nader stuk aangeduid als verweerschrift ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 4 maart 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het betreft een vrijstaande woning met een gebruiksoppervlakte van 240 m², gelegen op een perceel van 880 m². De woning beschikt over een inpandige garage en een carport. Het bouwjaar is 1985.
2.2.
In beroep heeft de Heffingsambtenaar een “Cijfermatige benadering van de taxatie” overgelegd (de matrix). De matrix bevat gegevens van een drietal naar de mening van de Heffingsambtenaar met de woning vergelijkbare onroerende zaken, te weten [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] , alle gelegen te [woonplaats] (de vergelijkingsobjecten). De “Totale getaxeerde waarde (onafgerond)” van de woning is in de matrix bepaald op € 1.045.000. De “Totale getaxeerde waarde (afgerond)” is in de matrix bepaald op € 1.040.000. De waarde van de woning is bij de beschikking vastgesteld op € 1.025.000.

Oordeel van de Rechtbank

3.1.
De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:

Heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld?
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning per 1 januari 2022 niet te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
6. Eiser betoogt dat de waarde van de woning ten hoogste € 981.000,- bedraagt. Eiser stelt dat verweerder geen inzicht heeft gegeven in de waarde van de objectonderdelen van zowel de onderhavige woning als van de gehanteerde referentieobjecten, hoe de waarde van de kavel tot stand is gekomen (de grondstaffel) en hoe de verkoopcijfers zijn geïndexeerd. Verweerder heeft de ligging van de woning ten onrechte als bovengemiddeld gekwalificeerd. Omdat verweerder geen feiten heeft aangedragen waardoor de ligging als bovengemiddeld gekwalificeerd dient te worden, is er geen aanleiding om de ligging anders dan gemiddeld te kwalificeren. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met het afnemende grensnut van de gebruiksoppervlakte en het perceel. De in de uitspraak op bezwaar genoemde referentieobjecten [adres 5] , [adres 6] en [adres 7] zijn onvoldoende vergelijkbaar met de woning omdat de verkoopprijs meer dan 35% afwijkt van de WOZ-waarde van de woning.
6.1.
Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "
de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding". Verweerder moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de door hem in beroep overgelegde stukken, te weten een cijfermatige benadering van de taxatie (hierna: matrix), een fotopresentatie en een toelichting op de modelmatige waardebepaling aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. In de matrix is de waarde van de woning op 1 januari 2022 getaxeerd op € 1.045.000,- (afgerond € 1.040.000,-). Uit de matrix blijkt dat de waarde van de woning is bepaald door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn, waarbij de verschillen tussen de woning en de referentieobjecten voldoende zijn toegelicht. De referentieobjecten zijn bruikbaar bij de waardering, omdat deze op de belangrijkste waardebepalende kenmerken, zoals ligging, type, gebruiksoppervlakte en bouwjaar voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De vierkantemeterprijs van de woning (€ 1.988,-) is lager dan de gemiddelde gecorrigeerde vierkantemeterprijs van de referentieobjecten € 2.458,-).
6.3.
Wat eiser in beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. In de matrix die in beroep door verweerder is overgelegd is onder meer de waarde van alle objectonderdelen van zowel de woning als van de referentieobjecten vermeld. Verweerder maakt voor de waardering van woningen geen gebruik van een grondstaffel. Uit de matrix en de toelichting daarop blijkt hoe de waarde van de kavel tot stand is gekomen. De matrix vermeldt van de referentieobjecten de verkoopdatum, de verkoopprijs (koopsom) en de verkoopprijs op de waardepeildatum (de koopsom omgerekend/geïndexeerd naar de waardepeildatum). Uit die gegevens kan eiser - per referentieobject - het indexeringspercentage afleiden. De taxateur heeft op de zitting in aanvulling op de matrix en de reeds overgelegde schriftelijke toelichting hierop nog een nadere toelichting gegeven. Ten aanzien van de bepaling van de grondwaarde en het afnemende grensnut heeft zij toegelicht dat de grondquote is gerelateerd aan tot stand gekomen transacties van nieuwbouwwoningen. Zij heeft het standpunt van eiser onderschreven dat een kleiner perceel logischerwijs een hogere vierkantemeterprijs heeft dan een groter perceel. Van belang is dat verweerder bij het bepalen van de vierkantemeterprijs van het perceel van de woning uitgaat van de gemiddelde vierkantemeterprijs van de referentieobjecten. In de matrix komt in de vierkantemeterprijs van de perceeloppervlakte echter tegelijkertijd het verschil in ligging tot uitdrukking. De rechtbank volgt deze toelichting van de taxateur en ziet geen aanleiding om, zoals eiser ter zitting heeft betoogd, voor de grondwaarde van de woning alleen uit te gaan van de vierkantemeterprijs van [adres 2] . Verder heeft de taxateur op de zitting toegelicht dat in het waarderingssysteem van verweerder staat dat er standaard € 60.000,- wordt afgetrokken in verband met de gedateerde voorzieningen en de mindere staat van het onderhoud van de woning. De vierkantemeterprijs van € 2.212,- die daaruit voor de woning volgt is met een factor 0,9 vermenigvuldigd om met 10% te corrigeren voor het afnemende grensnut van de grotere gebruiksoppervlakte van de woning. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder op de door eiser betwiste punten voldoende inzicht heeft verschaft en ziet geen reden voor het oordeel dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het afnemende grensnut van de gebruiksoppervlakte en het perceel.
6.4.
Op de zitting heeft eiser verklaard dat de ligging van de woning geen punt van geschil meer is en dat hij niets wil zeggen over de in de uitspraak op bezwaar genoemde referentieobjecten [adres 5] , [adres 6] en [adres 7] . Verweerder heeft in beroep de hiervoor genoemde referentieobjecten niet meer gebruikt om de waarde te onderbouwen. Gelet hierop laat de rechtbank de standpunten die eiser ten aanzien van deze punten heeft aangevoerd onbesproken.
6.5.
Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder aannemelijk maakt dat de WOZ-waarde per waardepeildatum 1 januari 2022 niet te hoog is vastgesteld. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de WOZ-waarde van de woning hetzelfde blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
4.1.
In geschil is of de waarde van de woning te hoog is vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Heffingsambtenaar ontkennend.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vermindering van de waarde van de woning tot € 904.000, tot dienovereenkomstige vermindering van de aanslag en tot vergoeding van de proceskosten voor bezwaar, beroep en hoger beroep.
4.3.
De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
4.4.
Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende verklaart dat in hoger beroep alleen nog de voor de woning gehanteerde grondprijs in geschil is.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1.
De waarde van de woning wordt volgens artikel 17, lid 2, Wet WOZ bepaald op de waarde die daaraan dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom van de woning zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de woning in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever “de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding” (Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, p. 43-44).
5.2.
Op de Heffingsambtenaar rust de last aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld. Naar het oordeel van het Hof heeft de Heffingsambtenaar aan zijn bewijslast voldaan. Het Hof licht dit oordeel als volgt toe.
5.3.
Bij de beoordeling wordt vooropgesteld dat het elke partij vrijstaat om ter voldoening aan haar bewijslast al dan niet gebruik te maken van een waarderingsmethode en, indien zij gebruikmaakt van een waarderingsmethode, eveneens vrij is in de keuze van de door haar gebruikte waarderingsmethode en wat zij daartoe ter onderbouwing aandraagt. Waarderingsmethoden zijn niet meer dan hulpmiddelen bij de waardebepaling. De rechter toetst uitsluitend of de door de Heffingsambtenaar voorgestane waarde en, indien de rechter aan de toetsing van de door belanghebbende verdedigde waarde toekomt, de door belanghebbende verdedigde waarde, de toetsing aan het wettelijke waardebegrip doorstaan (vgl. HR 29 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8610).
5.4.
Naar volgt uit de door de Heffingsambtenaar overgelegde matrix is de waarde van de woning bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn. In de matrix is de waarde van de woning, rekening houdend met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten, berekend op € 1.045.000. De waarde van de woning is vervolgens vastgesteld op € 1.025.000. In de matrix is verwezen naar de opbrengst behaald bij verkoop van de vergelijkingsobjecten. Niet vereist is dat de vergelijkingsobjecten identiek zijn aan de woning. Het volstaat dat de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn, mits de Heffingsambtenaar bij de bepaling van de waarde voldoende rekening heeft gehouden met de onderlinge verschillen. De gehanteerde vergelijkingsobjecten zijn, evenals de woning, vrijstaande woningen en zijn wat bouwjaar, uitstraling en woonoppervlakte betreft vergelijkbaar. De verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten kunnen dan ook als richtsnoer dienen bij het bepalen van de waarde van de woning.
De vergelijkingsobjecten en de woning vertonen wel verschillen voor wat betreft de grondoppervlakte, het soort bijgebouwen en de aanwezigheid van een zwembad ( [adres 3] ). Die verschillen zijn echter naar het oordeel van het Hof niet van een zodanige omvang dat zij afbreuk doen aan de bruikbaarheid van de vergelijkingsobjecten.
5.5.
De gemiddelde prijs per m2 woonoppervlakte die in de matrix (na de correcties voor voorzieningen en onderhoud) uit de verkopen van de vergelijkingsobjecten volgt, is € 2.458. Ter zitting van het Hof heeft de Heffingsambtenaar toegelicht dat daarop een correctie van 10% is toegepast in verband met de mindere staat van de voorzieningen en het onderhoud van de woning. Dit leidt tot een prijs per m2 gebruiksoppervlakte van € 2.212. Vervolgens is nogmaals een correctie toegepast op voormelde prijs van € 2.212 per m2 gebruiksoppervlakte waardoor de Heffingsambtenaar heeft gerekend met een prijs van € 1.988 per m2 gebruiksoppervlakte van de woning. Gelet op het geringe verschil in gebruiksoppervlakte tussen de woning (240 m2) en de vergelijkingsobjecten (respectievelijk 202 m2, 225 m2 en 217 m2) en gelet op het feit dat de Heffingsambtenaar heeft gerekend met een correctie van 10% per m2 gebruiksoppervlakte vanwege mindere voorzieningen en onderhoud van de woning en een additionele correctie van 10% per m2 gebruiksoppervlakte, heeft de Heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de prijs per m2 gebruiksoppervlakte van de woning niet ook nog hoeft te worden gecorrigeerd voor afnemend grensnut.
De gemiddelde prijs per m2 voor de grond die (na de correctie voor de ligging) uit de verkopen van de vergelijkingsobjecten volgt, is € 616. Deze eenheidsprijs is toegepast op de 704 m2 grond die bij de woning is gelegen. Vervolgens is de daaruit voortvloeiende waarde (€ 433.664) vermenigvuldigd met 1,15 ter correctie van de betere ligging van de woning. Voor de restgrond van 176 m2 bij de woning is, in verband met het afnemend grensnut, een prijs per m2 gehanteerd van € 308 (50% van € 616). De daaruit voortvloeiende waarde is ook vermenigvuldigd met 1,15 ter correctie van de betere ligging van de woning.
De Heffingsambtenaar heeft met het voorgaande aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld.
5.6.1.
Belanghebbende stelt dat de grondwaarde onvoldoende is onderbouwd. De onderliggende cijfers van het rapport waarin de grondquote is opgenomen, zijn namelijk niet inzichtelijk gemaakt. De grondquotes variëren tussen de 30% en 58% zonder dat duidelijk is waarop deze percentages zijn gebaseerd. Ook ontbreekt de informatie over het aantal vierkante meters waarop de “gemiddelde koopsom grond” is gebaseerd. Verder zijn de onderliggende cijfers gebaseerd op verschillende typen woningen, zoals tussen- en hoekwoningen, twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen. Ook zijn de cijfers afkomstig uit verkopen in verschillende gemeenten; naast cijfers uit de gemeente Dordrecht zijn ook cijfers gebruikt uit de andere Drechtsteden. De cijfers zijn daarom niet representatief voor de woning, aldus belanghebbende. De gehanteerde prijzen komen niet met de werkelijke waarde van de grond overeen en de grondwaarde kan volgens belanghebbende alleen goed worden vastgesteld met een grondstaffel die gebaseerd is op uitgifteprijzen van de grond.
5.6.2.
Het Hof stelt voorop dat, gelet op hetgeen onder 5.3 is overwogen, het de Heffingsambtenaar vrijstaat de waarde te onderbouwen op een wijze die hem goeddunkt en met stukken en of berekeningen die hij daarvoor toereikend acht. Het is aan de rechter de door de Heffingsambtenaar vastgestelde waarde voor de woning te beoordelen en te overwegen of de Heffingsambtenaar met hetgeen hij heeft ingebracht en toegelicht aan de op hem rustende bewijslast van de waarde heeft voldaan. In dit verband geldt dat geen wettelijke verplichting bestaat voor de Heffingsambtenaar om de grondwaarde te baseren op een grondstaffel.
5.6.3.
Uit de toelichting bij de matrix blijkt dat de Heffingsambtenaar de waarde van een perceel bepaalt aan de hand van een grondquote. Ter onderbouwing van voormelde percentages heeft de Heffingsambtenaar een bijlage overgelegd met de titel “Onderbouwing grondquote belastingjaar 2023”. Hierin zijn gegevens van nieuwbouwprojecten in de regio Drechtsteden opgenomen en is per type woning in elk nieuwbouwproject berekend welke prijs gemiddeld is betaald voor de grond en welke prijs gemiddeld is betaald voor het geheel, te weten de woning inclusief de grond (VON-prijs). Uit dit overzicht volgt dat de grondquote is gelegen rond de 40 procent voor woningen met een marktwaarde tot € 470.000 en 45 procent voor woningen met een marktwaarde boven € 470.000. De Heffingsambtenaar heeft ter zitting toegelicht dat hij de grondquote voor de bepaling van de waarde van de woning heeft berekend aan de hand van alle nieuwbouwprojecten in de omgeving Drechtsteden in het desbetreffende belastingjaar. Deze keuze is gemaakt omdat in 2023 slechts sprake was van twee nieuwbouwprojecten met vrijstaande woningen in de gemeente Dordrecht. Ook heeft hij toegelicht dat geen sprake is van grote verschillen in de marktprijzen tussen Dordrecht en de andere Drechtsteden. Tot slot heeft de Heffingsambtenaar toegelicht dat de grootte van een object geen invloed heeft op de verhouding tussen de grondprijs en de VON-prijs. De Heffingsambtenaar heeft met de bijlage en zijn toelichting daarop de grondwaarde voldoende onderbouwd.
5.7.1.
Belanghebbende stelt dat de grondprijzen voor de vergelijkingsobjecten, die gebaseerd zijn op de grondquote, niet overeenkomen met de werkelijke waarde van de grond. Hij wijst hierbij op het vergelijkingsobject [adres 3] met een grondoppervlakte van 595 m2 waarbij wordt gerekend met een grondprijs van € 744 terwijl voor het vergelijkingsobject [adres 4] met een grondoppervlakte van 525 m2 wordt gerekend met een prijs per m2 van € 669.
5.7.2.
Uit de matrix volgt dat de grondwaarde die is toegerekend aan elk van de vergelijkingsobjecten (ongeveer) 45% bedraagt van de koopsom geïndexeerd naar de waardepeildatum. Aan de hand van de prijs per m2 voor de grond die daaruit voor elk van de vergelijkingsobjecten is afgeleid, heeft de Heffingsambtenaar een gemiddelde prijs per m2 voor de grond berekend van € 616. Hoewel de grondquote een grove waarderingsmethode is, is deze methode naar het oordeel van het Hof in het onderhavige geval bruikbaar, aangezien het gehanteerde percentage van 45% is onderbouwd aan de hand van marktcijfers.
5.8.1.
Belanghebbende wijst nog op het vergelijkingsobject [adres 2] . Dit object is goed vergelijkbaar met de woning omdat deze hemelsbreed op 100 meter afstand van de woning ligt en qua ligging dus vergelijkbaar is. Het stuk grond (993 m2) bij de [adres 2] is gewaardeerd tegen een grondprijs van € 499 per m2, terwijl de grond bij de woning (880 m2) is gewaardeerd tegen een grondprijs van € 616 per m2. Volgens belanghebbende kan de grondprijs van de woning dan ook niet hoger zijn dan € 499 per m2. Hiervan uitgaande bedraagt de grondwaarde van de woning afgerond € 439.000 in plaats van € 560.000. Dit betekent dat de beschikte waarde met € 121.000 verlaagd moet worden.
5.8.2.
Indien wordt vergeleken met de [adres 2] , zoals belanghebbende doet, dient niet alleen de grondprijs maar ook de opstalwaarde vergeleken te worden. Bij het gebruik van grondquotes vormen deze immers communicerende vaten. De opstalwaarde van de [adres 2] is € 2.999 per m2. Omdat het onderhoud en de voorzieningen van de woning minder is dan dat van de [adres 2] dient een correctie van 10% te worden toegepast. De opstalwaarde bedraagt dan € 2.699 per m2 (€ 2.999 * 0,9). Hiervan uitgaande bedraagt de opstalwaarde van de woning dan afgerond € 648.000. Samen met de waarde van de grond (€ 439.000) komt de waarde van de woning in dat geval uit op € 1.087.000. Dat is hoger dan de beschikte waarde. Voor zover nog een correctie voor het afnemend grensnut moet worden toegepast, omdat de woning van belanghebbende groter is dan de [adres 2] , hetgeen de Heffingsambtenaar in hoger beroep overigens betwist, geldt dat de opstalwaarde dan € 583.000 (€ 648.000 * 0,9) bedraagt. De totale waarde van de woning komt dan uit op € 1.022.200 (€ 583.000 + € 439.000). Dit is ongeveer gelijk aan de beschikte waarde. Aangezien waarderen geen exacte wetenschap is, ziet het Hof geen aanleiding om de waarde van de woning enkel naar aanleiding van dit geringe, binnen een redelijke foutmarge vallende verschil in berekening naar beneden bij te stellen.
5.8.3.
De stelling van belanghebbende dat alleen de grondprijs van de [adres 2] moet worden gehanteerd en dat voor de waarde van de opstal moet worden uitgegaan van het gemiddelde van de drie vergelijkingsobjecten kan niet worden gevolgd. Dit zou leiden tot ontoelaatbare ‘cherry picking’ waarbij uit iedere verkoop een onderdeel kan worden gehaald dat resulteert in de laagste waarde.
Slotsom
5.9.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, M.J.M. van der Weijden en C. Maas, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra.
De griffier, de voorzitter,
R. Wijkstra Chr.Th.P.M. Zandhuis
De beslissing is op 15 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.