De Heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een woning voor 2023 vast op €692.000, waartegen belanghebbende bezwaar maakte. De Rechtbank Den Haag verklaarde het beroep gegrond en stelde de waarde op €650.000, met een proceskostenvergoeding van ruim €3.000 voor belanghebbende. Beide partijen gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak.
Het Gerechtshof beoordeelde of artikel 30a Wet WOZ, dat proceskostenvergoedingen beperkt, van toepassing is. De Heffingsambtenaar stelde dat de gemachtigde van belanghebbende op no cure no pay-basis werkt, waardoor geen bijzonder geval zou gelden. De gemachtigde betoogde dat dit model sinds 2024 niet meer wordt gehanteerd en overlegde diverse overeenkomsten en facturen.
Het Hof concludeerde dat onvoldoende bewijs is geleverd dat het bedrijfsmodel niet op no cure no pay is gebaseerd, mede door inconsistenties in facturatie en overeenkomsten. Hierdoor is artikel 30a Wet WOZ van toepassing en moet de proceskostenvergoeding worden beperkt. Tevens werd in hoger beroep een compromis bereikt over de WOZ-waarde van €552.000 en de bijbehorende aanslagen. Het Hof vernietigde de eerdere uitspraak voor zover deze de waarde en proceskostenvergoeding betrof en veroordeelde de Heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.