ECLI:NL:GHDHA:2026:2277

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
200.365.152/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 lid 3 FwParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging schuldsaneringsregeling wegens tekortkoming in informatie- en inspanningsverplichting

Appellant is bij vonnis van de rechtbank Rotterdam onder de schuldsaneringsregeling geplaatst, welke later op verzoek van de bewindvoerder is beëindigd wegens niet-nakoming van verplichtingen. Appellant stelde dat hij geen verwijt treft omdat hij vrijstelling van sollicitatieplicht zou hebben en dat nieuwe schulden voortkwamen uit onterechte intrekking van zijn uitkering.

De bewindvoerder stelde dat appellant nog steeds niet aan kernverplichtingen voldoet, zoals het aanleveren van informatie, het overleggen van sollicitatiebewijzen en het afdragen aan de boedel. Tevens is sprake van een boedelachterstand en nieuwe schulden, zonder voorstel tot inlossing.

Het hof oordeelt dat appellant tekort is geschoten in zijn informatie- en inspanningsverplichtingen en dat het niet aannemelijk is dat hij bij verlenging van de regeling wel zal voldoen. Hoewel appellant beschermingsbewind afwijst, acht het hof dit in zijn belang om zijn financiële situatie te ordenen.

Daarom wordt het vonnis van de rechtbank bevestigd en de beëindiging van de schuldsaneringsregeling gehandhaafd.

Uitkomst: Het hof bevestigt de beëindiging van de schuldsaneringsregeling wegens niet-nakoming van verplichtingen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer : 200.365.152/01
Insolventienummer rechtbank : C/10/25/49 R
Arrest van 9 juni 2026
in de zaak van
[appellant],
wonend in [woonplaats],
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: voorheen mr. M.A.J. Emonds, kantoorhoudend in Den Bosch, thans niet meer in rechte vertegenwoordigd.

1.Het verloop van de procedure

1.1
Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 21 februari 2025 is ten aanzien van [appellant] de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard. Op verzoek van de bewindvoerder heeft de rechtbank deze schuldsaneringsregeling bij vonnis van 11 februari 2026 weer beëindigd. Tegen laatstbedoeld vonnis heeft [appellant] hoger beroep ingesteld bij het op 19 februari 2026 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift (met producties). Bij brief van 7 april 2026 heeft S.H.J. Nanuruw, de bewindvoerder, de openbare verslagen en haar reactie op het beroepschrift aan het hof toegezonden.
1.2
Op 9 april 2026 heeft mr. Emonds zich onttrokken als advocaat van [appellant] .
1.3
Bij brief van 10 april 2026 is [appellant] door het hof in de gelegenheid gesteld om tot uiterlijk 24 april 2026 een nieuwe advocaat te vinden. Er heeft zich binnen de gestelde termijn geen nieuwe advocaat gesteld. Hierop heeft het hof de mondelinge behandeling bepaald op 2 juni 2026.
1.4
Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen: [appellant] en de bewindvoerder voornoemd.

2.De beoordeling van het hoger beroep

2.1
De rechtbank heeft de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [appellant] beëindigd op grond van het oordeel dat hij een of meer van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt (artikel 350 lid 3 aanhef Pro en onder c Fw).
2.2
[appellant] is het niet eens met het vonnis van de rechtbank. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hem geen verwijt kan worden gemaakt van het niet naar behoren nakomen van de informatie- en inspanningsverplichting. [appellant] , die een Participatie-uitkering ontvangt (althans ontving), heeft geen sollicitatiebewijzen aangeleverd omdat hij naar zijn zeggen door de gemeente Rotterdam is vrijgesteld van zijn sollicitatieverplichting. De gemeente Rotterdam weigert dit echter op papier te zetten. Verder erkent [appellant] dat er naast de boedelachterstand nieuwe schulden zijn ontstaan, maar ook hier valt hem geen verwijt van te maken. De boedelachterstand en schulden zijn ontstaan omdat de gemeente Rotterdam ten onrechte (tijdelijk) zijn uitkering heeft ingetrokken. Indien het hof van mening is dat de tekortkomingen [appellant] wel kunnen worden toegerekend, verzoekt hij het hof de looptijd van de schuldsaneringsregeling te verlengen, zodat hij deze nieuwe schulden binnen de looptijd van de schuldsaneringsregeling kan inlossen.
2.3
De bewindvoerder heeft verklaard dat [appellant] er tot op heden niet in geslaagd om dc toerekenbare tekortkomingen in dc nakoming van de op hem vanuit de Wsnp-regeling rustende, kernverplichtingen weg te nemen. Nog altijd ontbreken er diverse inlichtingen, is er voor zover bekend geen bron van inkomsten (uit uitkering en/ of werk), is er sinds 3 februari 2026 niets afgedragen aan de boedel waardoor de boedelachterstand nog steeds minimaal € 1.157,44 bedraagt, zijn er geen sollicitatiebewijzen overgelegd en ook geen stukken waaruit blijkt dat hij vanuit de gemeente Rotterdam vrijstelling heeft verkregen voor de arbeids-/ sollicitatieverplichtingen in het kader van de Participatiewet. Ook heeft [appellant] geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij niet (gedeeltelijk of geheel) in staat zou zijn om arbeid te verrichten. Verder lijkt [appellant] sinds oktober 2025 zijn maandelijks verschuldigde zorgpremie niet of deels niet te hebben voldaan waardoor er (mogelijk) een bovenmatige nieuwe schuld is ontstaan van circa
€ 800,-.
2.4
Vooropgesteld wordt dat van personen ten aanzien van wie de schuldsanering is uitgesproken mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste inspannen om te voldoen aan de daaraan verbonden verplichtingen. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat [appellant] zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen. Daartoe overweegt het hof het volgende.
2.5
[appellant] is tekortgeschoten in de nakoming van de informatie- en inspanningsverplichting. Zo heeft hij nog steeds niet alle door de bewindvoerder verzochte informatie aangeleverd. Daarnaast heeft [appellant] vanaf de aanvang van de schuldsaneringsregeling geen sollicitatiebewijzen aangeleverd. [appellant] heeft weliswaar gesteld dat hij in het kader van de Participatiewet is vrijgesteld van zijn sollicitatieverplichting, maar ook in hoger beroep heeft hij daarvan geen bewijs kunnen overleggen. Ook is niet komen vast te staan of, en zo ja, vanaf welk moment [appellant] hernieuwd aanspraak kan maken op een uitkering op grond van de Participatiewet. Verder is gebleken dat [appellant] een boedelachterstand en een nieuwe schuld aan de zorgverzekeraar heeft laten ontstaan. [appellant] heeft geen voorstel gedaan om deze schulden in te lopen. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het niet aannemelijk is dat [appellant] bij een eventuele verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling de daaruit voortvloeiende verplichtingen wel kan nakomen. Ter zitting van het hof heeft [appellant] meermaals aangegeven niet open te staan voor beschermingsbewind.
2.6
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis dient te worden
bekrachtigd.
2.7
Ten overvloede wil het hof nog opmerken dat hoewel [appellant] op zitting heeft verteld dat hij er tegenop ziet om onder beschermingsbewind te worden gesteld, het wel in zijn belang is om hulp te vragen bij het ordenen van zijn administratie en regelen van zijn financiën. De aanstelling van een beschermingsbewindvoerder kan [appellant] in staat stellen om zijn problematische schuldensituatie onder controle te brengen en te voorkomen dat er nieuwe schulden ontstaan, waarna hij meer in staat zal zijn te voldoen aan de verplichtingen die uit de schuldsaneringsregeling voortvloeien. Een eventueel nieuw verzoek van [appellant] om de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing te verklaren zal in dat geval ook meer kans van slagen hebben.

3.De beslissing

Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 februari 2026.
Dit arrest is gewezen door mr. I. Brand, mr. R.G.C. Veneman en mr. R.F. Groos en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.