ECLI:NL:GHDHA:2026:2279

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
200.355.200/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:5 BWArt. 3:172 BWArt. 3:185 lid 1 BWArt. 6:10 BWArt. 6:203 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwikkeling vermogensrechtelijke gevolgen huwelijk en samenleving na echtscheiding

Partijen waren gehuwd van 1972 tot 1981 in de oude algehele gemeenschap van goederen en zijn daarna blijven samenwonen, eerst zonder en vanaf 1994 met een notariële samenlevingsovereenkomst. De zaak betreft de afwikkeling van de vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijk en de samenleving.

De rechtbank had de verkoopopbrengst van de woning in Nederland gelijk verdeeld en de man veroordeeld tot betaling van een deel aan de vrouw, evenals de verdeling van pensioenrechten en de inboedel. De man stelde in hoger beroep dat de woning feitelijk aan hem was toegedeeld, dat de Spaanse woning niet verdeeld moest worden, en dat hij aanspraak had op vergoedingsrechten voor betaalde lasten en investeringen.

Het hof oordeelde dat de woning in Nederland tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoorde en dat de man geen vergoedingsrechten had voor vaste lasten, hypotheekrente, aflossingen of investeringen. De vordering tot verdeling van de Spaanse woning werd afgewezen omdat de vrouw onvoldoende had onderbouwd dat de schenkingen aan de zonen uit ander gemeenschappelijk vermogen waren gedaan. De pensioenrechten worden verdeeld conform de samenlevingsovereenkomst. De proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verdeling van de Nederlandse woning en pensioenrechten, wijst de verdeling van de Spaanse woning af en compenseert de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie
Zaaknummer hof : 200.355.200/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/676168 / HA ZA 24-267
Arrest van 16 juni 2026
in de zaak van
[de man],
wonend in [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. C.J.H. Anker, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
[de vrouw],
wonend in [woonplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. G.A.H. Wiekamp, kantoorhoudend in Hendrik-Ido-Ambacht.
Het hof noemt partijen hierna de man en de vrouw.

1.De zaak in het kort

1.1
Partijen zijn tot 1981 gehuwd geweest in de (oude) algehele gemeenschap van goederen. Na de echtscheiding zijn partijen blijven samenwonen, eerst zonder en per [datum] 1994 met een notariële samenlevingsovereenkomst. Het gaat in deze zaak om de afwikkeling van de vermogensrechtelijke gevolgen van dit huwelijk en de samenleving.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 16 mei 2025, waarmee de man in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) van 9 april 2025 (hierna: het bestreden vonnis);
  • de memorie van grieven van de man, met bijlagen;
  • de memorie van antwoord van de vrouw, met bijlagen;
  • het journaalbericht van 13 maart 2026 met als bijlage een brief van diezelfde datum met bijlage, en het journaalbericht van 18 maart 2026, die de man ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd.
2.2
Op 19 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verschenen zijn:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
Partijen zijn gehuwd geweest van [datum] 1972 tot [datum] 1981. In het echtscheidingsvonnis van [datum] 1980 van de arrondissementsrechtbank te [plaats] is de man veroordeeld om met de vrouw over te gaan tot scheiding en deling van de gemeenschap van goederen waarin partijen zijn gehuwd en is mr. [boedelnotaris] tot boedelnotaris benoemd. Partijen hebben nooit een verdelingsakte opgesteld.
3.2
Na hun echtscheiding zijn partijen blijven samenwonen, eerst zonder en per [datum] 1994 met een notariële samenlevingsovereenkomst. De inhoud daarvan luidt, voor zover van belang, als volgt:
“1. Partijen wonen reeds vele jaren samen, voeren een gemeenschappelijke huishouding en hebben het voornemen hun samenleving voor onbepaalde tijd voort te zetten.
2. De samenleving tussen partijen gelijkt materieel zozeer op de samenleving tussen man en vrouw bij huwelijk, dat partijen niet alleen de vermogensrechtelijke gevolgen van hun samenleving bij overeenkomst hebben vastgelegd, maar ook hebben vastgesteld dat zij jegens elkaar natuurlijk zijn gebonden en moreel zijn verplicht om te voorzien in de verzorging van de overlevende partij.
3. Tussen partijen bestaat een gemeenschappelijk vermogen, waarin ieder voor de onverdeelde helft is gerechtigd en welk vermogen is gevormd ten dienste van het gezamenlijk gebruik ten behoeve van de samenleving tussen partijen. Bij overlijden van een van partijen verblijft dit gemene vermogen van rechtswege om niet in eigendom aan de langstlevende. Gedurende de samenleving hebben partijen gezamenlijk het bestuur over de gemene goederen. Partijen verlenen bij deze elkaar over en weer onherroepelijk volmacht de ingevolge voormeld verblijvingsbeding aan de langstlevende van partijen in eigendom toebehorende goederen aan zichzelf juridisch te leveren, welke onherroepelijke volmacht niet door overlijden van de desbetreffende volmachtgever zal eindigen.
4. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden door beide partijen gedragen en wel doordat partijen zich over en weer hebben verplicht uit hun inkomen en desnoods uit hun vermogen zodanige bijdragen ter beschikking te stellen, dat de kosten van de gemeenschappelijke huishouding daarmee zijn gedekt.
5. Tot het gemene vermogen van partijen behoren de gezamenlijke woning dan wel het gebruiksrecht daarop, de bij die woning en bij partijen in gebruik zijnde inboedel in de zin van artikel 3:5 van Pro het Burgerlijk Wetboek, de bijdragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding en als schulden de kosten van het gemene vermogen en die van de gemeenschappelijke huishouding.
6. De samenlevingsovereenkomst eindigt slechts door overlijden van één van partijen, door opzegging, alsook door huwelijk van partijen. Opzegging kan slechts geschieden bij aangetekend schrijven gericht aan de andere partij.
7. Partijen hebben zich voorts jegens elkaar verbonden om voor zover zulks mogelijk is, van de instelling die hun ouderdomspensioen verzekert, te bedingen, dat naast het ouderdomspensioen een overlevingspensioen ten behoeve van de andere partij wordt medeverzekerd. De pensioenaanspraken en uitkeringsrechten worden geacht te behoren tot het gemeenschappelijk vermogen van partijen."
3.3
In [datum] 2023 is de samenwoning geëindigd en op [datum] 2024 heeft de man de samenlevingsovereenkomst schriftelijk opgezegd.
3.4
In 2024 hebben partijen drie procedures gevoerd over de woning, staande en gelegen aan de [adres] in [plaats] (hierna: de woning in [plaats] ) waar zij tot eind 2023 samen hebben gewoond. Bij kort geding vonnis van 26 juli 2024 is bepaald dat de woning in [plaats] verkocht moet worden aan een derde. Dat is ook gebeurd. De woning in [plaats] is voor € 355.000,- verkocht en een deel van de netto-opbrengst staat in depot bij de notaris.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank, in conventie en reconventie, voor zover van belang, als volgt beslist:
“6.1. verdeelt de netto-verkoopopbrengst van de woning in [plaats] aldus dat aan ieder van partijen de helft van dit bedrag toekomt;
6.2.
bepaalt dat het bedrag, gelijk aan de helft van de netto-verkoopopbrengst van de woning in [plaats] , dat in depot bij de notaris staat, zijnde € 174.445,16, geheel aan de vrouw toekomt;
6.3.
veroordeelt de man om uitbetaling van het in 6.2 genoemde bedrag door de notaris aan de vrouw te gehengen en gedogen, en daar zo nodig aan mee te werken;
6.4.
verdeelt de netto-verkoopopbrengst van de woning in Spanje aldus dat aan ieder van partijen de helft van dit bedrag toekomt;
6.5.
veroordeelt de man om de helft van de netto-verkoopopbrengst van de woning in Spanje, zijnde een bedrag van € 87.240,-, aan de vrouw te betalen;
6.7.
deelt de inboedel van de woning in [plaats] toe aan de man;
6.8.
veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 5.000,- wegens overbedeling van de man bij de verdeling van de inboedel van de woning in [plaats] ;
6.9.
bepaalt dat partijen met ingang van 13 maart 2024 de pensioenen die zij hebben ontvangen en zullen ontvangen van de instanties genoemd in 5.45. moeten verrekenen, zodanig dat ieder per maand de helft ontvangt van het bedrag dat partijen die maand gezamenlijk uitgekeerd krijgen, waarbij de vrouw wordt geacht elke maand een bedrag uitgekeerd te krijgen gelijk aan een/twaalfde van de uitkering waar zij in het betreffende kalenderjaar recht op heeft;
6.10.
veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 3.064,88 ter zake van de in 6.9 genoemde verrekening van pensioengelden over de periode van 13 maart 2024 tot de datum van dit vonnis;
6.11.
veroordeelt de man om bij leven elke maand voor het einde van die maand, voor het eerst in de maand mei van 2025, een bedrag van € 235,67 aan de vrouw te betalen, of, indien de bedragen die partijen ontvangen van de instanties genoemd in 5.45 als gevolg van indexering of anderszins afwijken van de bedragen genoemd in 5.45, een zodanig bedrag dat ieder ontvangt waar hij of zij ingevolge 6.9 recht op heeft;
6.12.
verklaart de voorgaande beslissingen, met uitzondering van die in 6.2 en 6.9, uitvoerbaar bij voorraad;
6.13.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.14.
wijst het anders of meer gevorderde af.”

5.Vorderingen in hoger beroep

5.1
De man vordert het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de toegewezen (inleidende) vorderingen van de vrouw alsnog af te wijzen en te bepalen dat de verkoopopbrengst van de woning geheel wordt toebedeeld aan de man, dan wel de verdeling zodanig vast te stellen als het hof redelijk acht, met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.
5.2
De vrouw verweert zich daartegen en vordert de man niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep, dan wel het hoger beroep af te wijzen, onder verbetering en/of aanvulling van de gronden, met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen het salaris van de advocaat.

6.Beoordeling in hoger beroep

Procedure eerste aanleg (grief IX)
6.1
De man voert aan dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn ter zitting gedane verweren tegen de vordering van de vrouw voor een deel van de verkoopopbrengst van de woning in Spanje. Het hof overweegt als volgt. Nu de man in hoger beroep ten volle in de gelegenheid is gesteld om zijn standpunt nader toe te lichten kan de feitelijke gang van zaken in eerste aanleg in het midden blijven.
Het toepasselijk recht op huwelijksvermogensregime (grief I)
6.2
De rechtbank heeft geoordeeld dat op grond van toepassing van de conflictregels zoals geformuleerd in het Chelouche/Van Leer arrest (HR 10 december 1976, NJ 1977, 275) het Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime. De man is het eens met toepassing van deze conflictregels, maar meent dat partijen een rechtskeuze hebben gemaakt voor het Spaanse recht. Volgens hem zijn partijen daar altijd van uitgegaan, hetgeen ook blijkt uit de Spaanse notariële akte van 2008 waarin partijen hebben verklaard dat hun huwelijk is onderworpen aan het Spaanse recht. Ter zitting is namens de man erkend dat die rechtskeuze op grond van het Chelouche/Van Leer arrest plaats moet vinden vóór het huwelijk, en dat hij niet kan onderbouwen dat deze rechtskeuze voorafgaand aan het huwelijk is gedaan. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, oordeelt het hof dan ook dat de man zijn stelling dat partijen voorafgaand aan het huwelijk een rechtskeuze hebben gedaan voor het Spaanse recht onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof zal de herhaalde stellingen van de man in diverse grieven over het toepasselijke recht hieronder daarom niet meer bespreken.
Het toepasselijk recht op de samenlevingsovereenkomst
6.3
Tussen partijen is niet in geschil dat het Nederlands recht van toepassing is op de samenlevingsovereenkomst.
De gemeenschappen
6.4
Het hof gaat uit van de volgende feiten:
  • partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden opgemaakt, noch een geldige rechtskeuze gedaan, zodat door het sluiten van het huwelijk op [datum] 1971 een algehele gemeenschap van goederen tot stand is gekomen op grond van de wet, zoals die tot 1 januari 2018 gold. Deze gemeenschap is ontbonden door de echtscheiding op [datum] 1981;
  • na de echtscheiding hebben partijen dertien jaar samengewoond zonder samenlevingsovereenkomst. In deze periode bestond er tussen partijen geen algehele gemeenschap van goederen (met uitzondering van de ontbonden huwelijksgemeenschap), maar konden wel beperkte gemeenschappen ontstaan;
  • in 1994 hebben partijen een samenlevingsovereenkomst gesloten die aldus moet worden uitgelegd – zoals in het bestreden vonnis is beslist en tegen welke beslissing geen grief is gericht – dat partijen een beperkte gemeenschap tot stand hebben gebracht, die bestaat uit de goederen genoemd in artikel 5 van Pro de samenlevingsovereenkomst.
De woning in [plaats] (grief II)
Woning in algehele gemeenschap van goederen
Feitelijke verdeling en gerechtvaardigd vertrouwen
6.5
De rechtbank heeft geoordeeld dat de woning in [plaats] , die de man op [datum] 1975 – dus tijdens het huwelijk – heeft verkregen, in de algehele gemeenschap van goederen is gevallen. De man kan zich daar niet mee verenigen. Hij betoogt dat partijen in 1981 de woning feitelijk hebben toegedeeld aan de man met wederzijdse instemming en de man er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de vrouw ook met deze verdeling instemde. Hij beroept zich daarbij op de uitspraak van de HR van 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4279. Gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw, is het hof van oordeel dat dit betoog van de man faalt. Het hof legt dit als volgt uit. De man stelt dat partijen zich feitelijk hebben gedragen alsof de woning aan de man was toebedeeld, hetgeen volgens de man onder andere blijkt uit het feit dat de woning in [plaats] op zijn naam stond, hij de woonlasten van de woning voldeed, de vrouw de woning niet vermeldde bij de Belastingdienst en bij de gemeente en de vrouw tot 2024 niet had laten weten dat zij aanspraak maakte op de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. Het hof acht in deze zaak de tenaamstelling niet relevant aangezien de woning ook tijdens het huwelijk op naam van de man stond en de vrouw heeft toegelicht dat dit in 1976, het jaar waarin partijen zijn gehuwd, heel gebruikelijk was. Het hof acht evenmin van belang de omstandigheden dat de man de vrouw slechts gedoogde in de woning, zoals hij stelt en de vrouw betwist, en dat aan de vrouw een sociale huurwoning is toegekend, aangezien partijen feitelijk na de echtscheiding zijn blijven samenwonen in de woning in [plaats] en dit zelfs in 1994 formeel hebben laten vastleggen in de samenlevingsovereenkomst. Tijdens de samenwoning hebben partijen hun traditionele rollenpatroon van het huwelijk, waarbij de man fulltime werkte en de woonlasten en de investeringen in de woning in [plaats] voldeed en de vrouw zorgde voor de kinderen en enige inkomsten ontving, onder meer door haar werk als kapster, voortgezet. Ook na de echtscheiding is de vrouw aansprakelijk gebleven voor de hypothecaire geldlening die was afgesloten ten behoeve van de aankoop van de woning in [plaats] . Het hof acht het verder aannemelijk dat partijen er ook zelf van uitgingen dat de woning in [plaats] tot het gemeenschappelijk vermogen behoorde. Zo hebben zij in de samenlevingsovereenkomst van [datum] 1994 in artikel 5 verklaard Pro dat de woning, waarbij in hoger beroep niet langer ter discussie staat dat dit de woning in [plaats] betreft, gemeenschappelijk is. Daarnaast hebben partijen toen zij borg stonden voor de aankoop van een woning door hun oudste zoon in de hypotheekakte van [datum] 2004 verklaard dat verdeling van de woning in [plaats] niet heeft plaatsgevonden en dat zij bevoegd en gerechtigd zijn om over het (onder)pand te beschikken. Dat partijen zich feitelijk hebben gedragen alsof de woning aan de man is toebedeeld, is dan ook in het geheel niet vast komen te staan.
Gerechtelijke erkenning
6.6
De man stelt zich op het standpunt dat de (advocaat van de) vrouw in de kortgedingprocedure, die leidde tot het kort geding vonnis van 29 maart 2024, gerechtelijk heeft erkend dat de man de juridische eigenaar was van de woning. Het hof deelt dit standpunt niet. Voor zover sprake zou zijn van een erkentenis, is sprake van een buitengerechtelijke omdat deze in een andere procedure is gedaan waardoor geen sprake kan zijn van een gerechtelijke erkentenis als bedoeld in artikel 154 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering. In dit geval is het hof echter van oordeel dat ook geen sprake is van een ondubbelzinnige erkentenis omdat in het proces-verbaal van de zitting van 15 maart 2024, die leidde tot het kort geding vonnis van 29 maart 2024, is opgenomen dat de advocaat van de vrouw aan het einde van de mondelinge behandeling weliswaar aangeeft dat de man de juridische eigenaar is, maar in datzelfde proces-verbaal ook is opgenomen dat de vrouw verklaart dat de woning in de gemeenschap valt. Bovendien heeft de advocaat van de vrouw in de kortgedingprocedure gedwaald over haar standpunt doordat het uittreksel van het Kadaster over de eigendom van de woning onjuiste informatie bevatte, zodat de erkentenis ook is herroepen.
Peildatum
6.7
Het voorgaande betekent dat de woning in [plaats] tot de verkoop daarvan behoorde tot de algehele gemeenschap van goederen waarin partijen waren gehuwd, waardoor de vrouw in beginsel aanspraak heeft op de helft van de verkoopopbrengst. In de visie van de man moet worden afgeweken van de gehanteerde peildatum voor de waardering van de woning, in zijn visie moet als peildatum – het hof begrijpt: voor de verdeling van de opbrengst - worden uitgegaan van de datum van de ontbinding van het huwelijk door echtscheiding ( [datum] 1981). Hij doet daarbij een beroep op de uitspraak van dit hof van 8 december 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2720, r.o. 20. Het hof is van oordeel dat ook dit betoog van de man niet slaagt. Daargelaten of de peildatum in dit geval nog een rol kan spelen nu de woning inmiddels is verkocht en daarvoor in de plaats is getreden de verkoopopbrengst, is het hof van oordeel dat de door de man aangedragen omstandigheden, die een herhaling zijn van zijn onderbouwing van het standpunt dat partijen al feitelijk hadden verdeeld, geen reden zijn voor afwijking van de peildatum zoals de man voorstaat.
Vergoedingsrechten man (grief III, IV, V, VI en VII)
6.8
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de door de man gevorderde vergoedingsrechten - voor door hem voldane vaste lasten, aflossingen op de hypotheekschuld en betaalde hypotheekrente, en gedane investeringen - afgewezen. Voor wat betreft de vaste lasten, de aflossingen op de hypothecaire geldlening en de hypotheekrente heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is geweest van een stilzwijgende overeenkomst die kort gezegd inhield dat de man voor de door hem betaalde lasten geen vergoeding zou vorderen. Voor wat betreft de investeringen heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is vast komen te staan dat de investeringen tot een waardestijging hebben geleid. De man kan zich daar niet mee verenigen. Hij beroept zich daarbij – in de kern – op hetgeen partijen zijn overeengekomen in de samenlevingsovereenkomst, artikel 3:172 BW Pro, het leerstuk van de ongerechtvaardigde verrijking en het leerstuk van strijd met de redelijkheid en billijkheid.
Juridisch kader
6.9
Het hof stelt voorop dat de wet voor samenwoners geen specifieke regeling bevat als het gaat om vergoedingsrechten, wel gelden voor hen de regels van het algemene vermogensrecht (met name Boek 6 en Boek 3 BW) (vgl. HR 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707, r.o. 3.4 e.v.). Samenwoners kunnen (bijvoorbeeld) afspraken vastleggen over vergoedingsrechten, de draagplicht voor kosten van de huishouding en verrekeningen van uitgaven in een (notariële) samenlevingsovereenkomst. Partijen hebben dat in dit geval ook gedaan. De vorderingen over en weer zullen in dit geval dus mede aan de hand van de bepalingen van die samenlevingsovereenkomst moeten worden beoordeeld, waarbij rekening dient te worden gehouden met alle bijzondere omstandigheden van het geval, en ook acht kan worden geslagen op het feitelijk handelen van partijen. Voor zover partijen onderling niets hebben geregeld zijn mogelijke grondslagen voor een recht op vergoeding wegens een vermogensverschuiving: onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BW Pro), ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW Pro) of hoofdelijkheid en regres (artikel 6:10 BW Pro). Daarnaast geldt dat tussen informeel samenlevenden een rechtsverhouding bestaat die mede door de redelijkheid en billijkheid wordt beheerst.
Vaste lasten en hypotheekrente
6.1
In de samenlevingsovereenkomst is in artikel 4 bepaald Pro dat de kosten van de gemeenschappelijke huishouding door beide partijen worden gedragen en wel doordat partijen zich over en weer hebben verplicht uit hun inkomen en desnoods uit hun vermogen zodanige bijdragen ter beschikking te stellen dat de kosten van de gemeenschappelijke huishouding daarmee zijn gedekt. Het hof begrijpt uit de toelichting van partijen dat deze bepaling aldus moet worden uitgelegd dat hieronder de door de man gestelde vaste lasten (gas, water, licht, (zorg)verzekeringen, telefoon, gemeentelijke belastingen) en de hypotheekrente vallen en dat deze regeling in de periode van [datum] 1981 tot [datum] 1994 stilzwijgend tussen partijen gold. De man stelt dat de vrouw geen enkele bijdrage heeft geleverd aan deze kosten en dat uit de samenlevingsovereenkomst voortvloeit dat de vrouw ook draagplichtig is voor deze kosten. Deze stelling is door de vrouw gemotiveerd betwist: zij had inkomsten uit de verkoop van Swarovski-kristal en uit haar werkzaamheden als [beroep] en zij heeft met deze inkomsten een deel van de overige kosten van de gemeenschappelijke huishouding, zoals de boodschappen en kleding voor het gezin betaald. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat de verdeling van huishoudelijke kosten berust op een (stilzwijgende) afspraak die inhoudt dat ieder van partijen een bijdrage leverde aan de huishoudelijke kosten zonder enige onderlinge verrekening. Dit betekent dat de man geen aanspraak heeft op een vergoedingsrecht voor de door hem voldane vaste lasten en hypotheekrente, nog daargelaten de vraag of de voldoening van dergelijke vaste lasten heeft geleid tot een vermogensverschuiving die door middel van een vergoedingsrecht ongedaan zou moeten worden gemaakt.
Aflossing hypothecaire geldlening
6.11
Na de echtscheiding hebben partijen hun samenwoning willen voortzetten als waren zij gehuwd, zo blijkt uit artikel 2 van Pro de samenlevingsovereenkomst. Zij hebben ook hun traditionele rollenpatroon op dat moment voortgezet, waarbij de man volledig werkte en de vrouw voor de kinderen zorgde en een klein inkomen genoot. Aangezien de man al vanaf het moment van de aankoop van de woning in 1976 – dus tijdens de huwelijkse periode – maandelijks de aflossingen deed op de hypotheekschuld en dit na de echtscheiding bleef doen totdat de hypotheekschuld in 2004 volledig was afgelost, is het hof van oordeel dat partijen met dit feitelijk handelen na de echtscheiding stilzwijgend hebben afgesproken dat de man de aflossing op de hypothecaire geldlening zou voldoen zonder enige vergoeding van de vrouw. Dit betekent dat hij geen aanspraak heeft op enig vergoedingsrecht voor wat betreft de aflossingen op de hypothecaire geldlening.
Investeringen
6.12
De man stelt dat hij in de periode van 1999 tot en met 2021 een bedrag van € 47.765,23 heeft geïnvesteerd in de woning in [plaats] en dat de vrouw daardoor ongerechtvaardigd is verrijkt, waardoor hij aanspraak maakt op de helft van dit bedrag. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de man de ongerechtvaardigde verrijking onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof legt dit als volgt uit. De man heeft in eerste aanleg facturen overgelegd. Daaruit volgt dat een groot deel van de door de man voldane kosten (zoals voor de vervanging van de Cv-ketel in 2008, de plaatsing van kunststofkozijnen, zonneschermen/zonwering en vitrages in 2013 en de tuinaanleg in 2017) niet kunnen worden aangemerkt als investeringen in de woning aangezien deze kosten behoren tot het reguliere onderhoud van de woning, waarvoor de regeling over de kosten van de gemeenschappelijke huishouding geldt. Voor wat betreft de overige door de man voldane kosten (onder meer voor de plaatsing van zonnepanelen en spouwmuurisolatie in 2019, de vloerisolatie in 2021, de aanleg van een tegelvloer in 1999 en een plaatsing van de keuken in 1999), is het hof van oordeel dat de man niet heeft aangetoond dat de woning in 2024 door deze aanpassingen in waarde is gestegen. De enkele omstandigheid dat de woning sinds de aankoop in 1976 in waarde is gestegen, is daarvoor onvoldoende. De man heeft dan ook niet aangetoond dat de vrouw ongerechtvaardigd is verrijkt ten opzichte van de man. Gelet op de (stilzwijgende) regeling die tussen partijen bestaat, biedt artikel 3:172 BW Pro evenmin een grondslag voor het door de man gestelde vergoedingsrecht. Van strijd met de redelijkheid en billijkheid is naar het oordeel van het hof ook geen sprake.
6.13
Ter zitting (in de tweede termijn) heeft de advocaat van de man zich beroepen op een regresvordering. Het hof gaat daaraan voorbij, nu dit beroep is gedaan in strijd met de tweeconclusieregel en de goede procesorde.
6.14
Het hof komt tot de conclusie dat de man geen aanspraak kan maken op de door hem gestelde vergoedingsrechten. De stelling van de man dat de verdeling van de verkoopopbrengst bij helfte naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, gaat – gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen – niet op. De vraag of aanspraken van de man zijn verjaard behoeft geen bespreking.
De woning in Spanje (grief VIII)
6.15
Vast staat dat de man de woning in Spanje in 1976, dus tijdens het huwelijk van partijen, heeft verkregen bij wijze van schenking van zijn ouders. De woning is door partijen in [datum] 2008, dus na het huwelijk, aan een derde verkocht met een netto-opbrengst van € 174.480,-. De rechtbank heeft beslist dat de vrouw recht heeft op de helft van deze verkoopopbrengst. De man komt hiertegen op en stelt dat deze verkoopopbrengst in 2017 is aangewend om schenkingen te doen aan de zonen van partijen ter hoogte van € 100.000,- per kind en dus niet meer aanwezig is. De vrouw erkent dat deze schenkingen zijn gedaan, maar stelt dat daarvoor ander gemeenschappelijk vermogen is aangewend, hetgeen de man betwist. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw dit verweer dat de schenkingen aan de zonen zijn gedaan uit ander gemeenschappelijk vermogen onvoldoende onderbouwd. Dit betekent dat de vrouw geen aanspraak heeft op de helft van de verkoopopbrengst. De vraag of het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dat de woning in Spanje, die de man heeft verkregen door schenking van zijn ouders, in de huwelijksgemeenschap zou vallen, behoeft dan ook geen bespreking omdat dit niet leidt tot een ander oordeel. Het hof zal dan ook het bestreden vonnis op dit punt vernietigen en de vordering van de vrouw op dit punt alsnog afwijzen.
De inboedel (grief X)
6.16
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de inboedel van de woning in [plaats] toegedeeld aan de man onder de gehoudenheid om wegens overbedeling een bedrag aan de vrouw te betalen gelijk aan de helft van de waarde van de inboedel. Aangezien partijen zich niet hebben uitgelaten over de waarde van de inboedel, is de rechtbank uitgegaan van € 10.000,- (de waarde in het economisch verkeer (de opkoopwaarde) van een gemiddelde boedel). De man meent dat hij niet gehouden is de helft van de geschatte waarde van de inboedel aan de vrouw te voldoen, aangezien hij de inboedel niet onder zich heeft. De door de vrouw overgelegde camerabeelden waarop te zien zou zijn dat de man de woning leeghaalt, dateren van [datum] 2024, twee maanden nadat de woning volgens de vrouw was leeggehaald. De overgelegde verklaringen en camerabeelden zijn tegenstrijdig, aldus de man. De vrouw heeft de standpunten van de man gemotiveerd weersproken.
6.17
Vast staat dat de inboedel op grond van de samenlevingsovereenkomst gemeenschappelijk vermogen betreft. Artikel 3:185 lid 1 BW Pro bepaalt dat, als deelgenoten geen overeen-stemming over de verdeling van een gemeenschap kunnen bereiken, de rechter de wijze van verdeling gelast of zelf de verdeling vaststelt en daarbij naar billijkheid rekening houdt met de belangen van partijen en het algemeen belang. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat met de verklaringen van de jongste zoon van partijen en de overbuurman en de aangifte van de vrouw van [datum] 2024, genoegzaam is vast komen te staan dat de man de woning op [datum] 2023 (grotendeels) heeft leeggehaald, zodat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de man de inboedel onder zich heeft genomen. Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank op dit punt over en maakt deze tot de zijne. De camerabeelden, die het hof – zoals ter zitting opgemerkt – niet in zijn bezit heeft en daarom niet gezien heeft, maken dit oordeel niet anders. Verder sluit het hof bij gebrek aan onderbouwing van de waarde van de inboedel aan bij de door de rechtbank geschatte waarde van een gemiddelde inboedel, zijnde € 10.000,-, mede gelet op de door de vrouw in eerste aanleg overgelegde inboedellijst. De rechtbank heeft dan ook terecht de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 5.000,- wegens overbedeling van de man bij de verdeling van de inboedel van de woning in [plaats] . Het hof zal dan ook het bestreden vonnis op dit punt bekrachtigen.
Pensioenrechten (grief XI)
6.18
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de pensioenrechten van partijen voor zover opgebouwd voor het einde van de samenlevingsovereenkomst verrekend moeten worden. De man is het daar niet mee eens en stelt dat i) partijen zijn gescheiden op [datum] 1981 en dat pensioenrechten daarom niet voor de verdeling vatbaar zijn aangezien het arrest Boon/Van Loon (HR 27 november 1981,
NJ1982, 503) niet geldt, ii) de samenlevingsovereenkomst geen grondslag biedt omdat de man die heeft opgezegd en het de bedoeling van partijen is geweest dat de vrouw enkel aanspraak maakt op de pensioenrechten als de man zou overlijden, iii) er geen sprake is geweest van stilzwijgende overeenstemming over de pensioenrechten, iv) het voldoen van de helft van de aanspraken op de pensioenrechten door de man aan de vrouw in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd weersproken.
6.19
Het hof is van oordeel dat de grondslag van de verdeling van de pensioenrechten is gelegen in de samenlevingsovereenkomst. In artikel 7 is Pro het volgende bepaald: “Partijen hebben zich voorts jegens elkaar verbonden om voor zover zulks mogelijk is, van de instelling die hun ouderdomspensioen verzekert, te bedingen, dat naast het ouderdomspensioen een overlevingspensioen ten behoeve van de andere partij wordt medeverzekerd. De pensioenaanspraken en uitkeringsrechten worden geacht te behoren tot het gemeenschappelijk vermogen van partijen.” Gezien de lange duur van de relatie van partijen, de gelijkstelling van deze relatie met het huwelijk in de samenlevingsovereenkomst en het traditionele rollenpatroon van partijen, houdt een redelijke uitleg van dit artikel in dat de pensioenaanspraken opgebouwd voor het huwelijk, tijdens het huwelijk, en na het huwelijk tot de beëindiging van de samenwoning als gemeenschappelijk vermogen moeten worden aangemerkt en dus verrekend moeten worden. Het hof is van oordeel de vrouw in het licht van voormelde omstandigheden hierop ook gerechtvaardigd mocht vertrouwen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat in dit artikel de pensioenrechten die zijn opgebouwd vóór het opstellen van de samenlevingsovereenkomst niet expliciet zijn uitgesloten. Het hof kan de man in het licht van voormelde omstandigheden niet volgen in zijn standpunt dat het de bedoeling van partijen zou zijn geweest dat de vrouw alleen aanspraak zou kunnen maken op de verdeling van de pensioenrechten als de man tijdens de samenleving zou komen te overlijden, nu dit niet uit de samenlevingsovereenkomst volgt. Dit geldt eveneens voor het standpunt van de man dat de aanspraak van de vrouw is komen te vervallen omdat hij de samenlevingsovereenkomst heeft opgezegd. Het hof ziet in hetgeen de man aanvoert geen aanknopingspunt voor zijn stelling dat de verrekening van de pensioenaanspraken – zoals partijen zijn overeengekomen – in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid.
Rentedepot
6.2
Hoewel de vrouw geen incidenteel hoger beroep heeft ingesteld voor wat betreft de hoogte van het aan haar uit te keren bedrag, dat bij de notaris in depot staat, ziet het hof aanleiding om in verband met de depotrente een overweging ten overvloede daarover te geven. Het hof stelt vast dat partijen op [datum] 2024 een depotovereenkomst hebben gesloten, waarin zij – kort gezegd – zijn overeengekomen dat de helft van de verkoopopbrengst van de woning in [plaats] in depot zal blijven bij de notaris totdat een rechter onherroepelijk over dit bedrag heeft beslist. Partijen zijn verder overeengekomen dat de notariële kosten voor de werkzaamheden die verband houden met de uitvoering en afwikkeling van de depotovereenkomst voor rekening zijn van hen beiden. Anders dan de man stelt, is het hof van oordeel dat de depotrente alleen ten goede komt aan de vrouw. De man heeft immers sinds de verkoop van de woning in [plaats] al de beschikking over zijn deel van de verkoopopbrengst en de mogelijkheid om daarover rente op te bouwen.
Proceskosten
6.21
Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zal het hof de proceskosten van partijen compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt en het bestreden vonnis op dit punt bekrachtigen. Er is geen aanleiding voor een kostenveroordeling zoals door de man en de vrouw is gevorderd.
6.22
Het hof beslist als volgt.

7.Beslissing

Het hof:
- vernietigt het bestreden vonnis voor zover daarin de netto-opbrengst van de woning in Spanje aldus is verdeeld dat aan iedere partij de helft van dit bedrag toekomt en de man is veroordeeld om de helft van deze netto-verkoopopbrengst, zijnde een bedrag van € 87.240,- aan de vrouw te betalen;
- wijst af de vorderingen van de vrouw strekkende tot verdeling van de netto-opbrengst van de woning in Spanje en veroordeling van de man tot betaling van dit bedrag van € 87.240,- aan vrouw;
  • compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
  • bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
- wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. G.G.B. Boelens, mr. C.M. Warnaar en Z. Gademan en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.