ECLI:NL:GHDHA:2026:228
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging proceskostenvergoeding in hoger beroep WOZ-zaak zonder bijzonder geval
Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning waarvan de WOZ-waarde voor 2023 door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €349.000. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd de waarde verlaagd naar €330.000 en werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
In hoger beroep staat de hoogte van de proceskostenvergoeding centraal, met name de toepassing van artikel 30a Wet WOZ en de vraag of sprake is van een bijzonder geval waarbij de vermenigvuldigingsfactor niet zou moeten worden toegepast. De rechtbank oordeelde dat de gemachtigde beroepsmatig rechtsbijstand verleent en dat de factor 0,25 van toepassing is.
Het hof bevestigt dit oordeel en wijst het hoger beroep af. Het hof overweegt dat belanghebbende geen nieuwe feiten of argumenten heeft ingebracht die tot een andere beslissing leiden. Ook is de eerdere fout van de rechtbank omtrent de toepassing van artikel 30a in bezwaar niet meer in geschil.
De uitspraak is op 27 januari 2026 in het openbaar uitgesproken door het Gerechtshof Den Haag, waarbij de proceskostenvergoeding wordt gehandhaafd zonder toekenning van een hogere vergoeding of bijzondere uitzondering.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af, waarbij de proceskostenvergoeding met toepassing van artikel 30a Wet WOZ gehandhaafd blijft.