ECLI:NL:GHDHA:2026:228

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
BK-25/571
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 Wet WOZArt. 30a Wet WOZArt. 2 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging proceskostenvergoeding in hoger beroep WOZ-zaak zonder bijzonder geval

Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning waarvan de WOZ-waarde voor 2023 door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €349.000. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd de waarde verlaagd naar €330.000 en werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

In hoger beroep staat de hoogte van de proceskostenvergoeding centraal, met name de toepassing van artikel 30a Wet WOZ en de vraag of sprake is van een bijzonder geval waarbij de vermenigvuldigingsfactor niet zou moeten worden toegepast. De rechtbank oordeelde dat de gemachtigde beroepsmatig rechtsbijstand verleent en dat de factor 0,25 van toepassing is.

Het hof bevestigt dit oordeel en wijst het hoger beroep af. Het hof overweegt dat belanghebbende geen nieuwe feiten of argumenten heeft ingebracht die tot een andere beslissing leiden. Ook is de eerdere fout van de rechtbank omtrent de toepassing van artikel 30a in bezwaar niet meer in geschil.

De uitspraak is op 27 januari 2026 in het openbaar uitgesproken door het Gerechtshof Den Haag, waarbij de proceskostenvergoeding wordt gehandhaafd zonder toekenning van een hogere vergoeding of bijzondere uitzondering.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af, waarbij de proceskostenvergoeding met toepassing van artikel 30a Wet WOZ gehandhaafd blijft.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
enkelvoudige kamer
nummer BK-25/571

Uitspraak van 27 januari 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: H. Rijnders)
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland,de Heffingsambtenaar,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 juni 2025, nummer SGR 24/4424 (de Rechtbank).

Procesverloop

1.1.
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 24 februari 2023 de waarde van de onroerende zaak gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (de woning) op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) op de voet van artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op € 349.000 (de beschikking). Gelijktijdig met de beschikking is in één geschrift opgelegd en bekendgemaakt de aan belanghebbende opgelegde aanslagen in de onroerende zaakbelasting en Watersyteemheffing eigenaren (de aanslagen).
1.2.
Het tegen de beschikking en de aanslagen gemaakte bezwaar heeft de Heffingsambtenaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. De griffier heeft ter zake € 51 griffierecht geheven. De Rechtbank heeft geoordeeld:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- wijzigt de beschikking aldus dat de vastgestelde waarde wordt verminderd tot € 330.000;
- vermindert de aanslag onroerende-zaakbelastingen tot een berekend naar een waarde van € 330.000;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 388,50;
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van €51,- aan belanghebbende te vergoeden.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 143. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 23 december 2025 en 28 december 2025 nadere stukken ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 8 januari 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Het onderzoek ter zitting is op dezelfde dag geschorst. Daarbij zijn partijen in de gelegenheid gesteld met elkaar in overleg te treden over de toepassing van artikel 30a Wet WOZ en de proceskostenvergoeding in deze en een andere lopende zaak. Indien een schikking zou worden bereikt en het hoger beroep zou worden ingetrokken, zou het Hof daarover binnen vier weken worden geïnformeerd. Bij gebreke van een dergelijk bericht, is ter zitting voorgehouden dat het Hof het onderzoek zal sluiten en op uiterlijk 18 februari 2026 schriftelijk uitspraak zal doen. Bij bericht van 15 januari 2026 heeft de Heffingsambtenaar het Hof medegedeeld dat een schikking niet is bereikt. Bij bericht van 21 januari 2026 heeft het Hof het onderzoek gesloten.

Feiten

2. Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het betreft een vrijstaande woning met bouwjaar 1969 en beschikt over een garage. De woonoppervlakte bedraagt ongeveer 205 m2 en de oppervlakte van het perceel is ongeveer 1.750 m².

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld:
“1. De heffingsambtenaar heeft voorafgaand aan de zitting al ingestemd met de WOZ-waarde van € 330.000 die werd voorgesteld door belanghebbende. De rechtbank sluit zich hierbij aan. De WOZ-waarde is hiermee niet meer in geschil.
2. In geschil is of de heffingsambtenaar terecht geen proceskostenvergoeding heeft toegekend wegens het ontbreken van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, dan wel, indien daar wél sprake van is, of de proceskostenvergoeding moet worden gematigd door toepassing van de vermenigvuldigingsfactor 0,25 als bedoeld in artikel 30a, leden 1 en 2, van de Wet WOZ, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, onderdeel a. van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. De heffingsambtenaar stelt zich primair op het standpunt dat geen sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand door gemachtigde, omdat gemachtigde de werkzaamheden naar zijn mening niet bedrijfsmatig, maar veeleer als een vriendendienst verricht.
4. De rechtbank stelt, naar aanleiding van wat door gemachtigde ter zitting is toegelicht, vast dat gemachtigde structureel rechtsbijstand verleent aan derden in WOZ-zaken en andere belastingzaken en daarvoor vergoedingen ontvangt. Daarmee acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb.
5. Nu sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, bestaat in beginsel recht op een proceskostenvergoeding. Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of sprake is van een bijzonder geval waarin de vermenigvuldigingsfactor 0,25 niet hoeft te worden toegepast.
6. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 januari 2025 geoordeeld dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet WOZ oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Gevallen die kennelijk niet deze kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 30a, leden 1 en 2, van de Wet WOZ, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) berekende forfaitaire vergoeding.[1] Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in deze procedure. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand. [2]
7. Het is aan de gemachtigde om feiten te stellen en aannemelijk te maken dat sprake is van zo’n bijzonder geval. Enkel wanneer buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde kennelijk niet alle drie de in 3.4.2 van het arrest van 17 januari 2025 bedoelde kenmerken heeft, blijft de factor buiten toepassing.[3] De gemachtigde heeft met wat hij heeft overlegd en ter zitting heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat zijn bedrijfsmodel er niet uit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, dat daarbij geen afspraken worden gemaakt over het afdragen van de proceskostenvergoeding aan gemachtigde en dat de proceskostenvergoeding zonder toepassing van de vermenigvuldigingsfactor de in redelijkheid gemaakte kosten niet ver overtreft. Gemachtigde heeft hiermee niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan. Gelet
hierop past de rechtbank de vermenigvuldigingsfactor 0,25 toe.
8. De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 388,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het bij wonen van de hoorzitting met een waarde per punt van € 647 en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 met een wegingsfactor 0,5 en een vermenigvuldigingsfactor van 0,25). De rechtbank stelt het gewicht in deze zaak vast op 0,5 (licht), gelet op de eenvoud van de zaak, de daarmee samenhangende werkbelasting van de gemachtigde en het belang van de zaak. Voor het indienen van repliek wordt geen vergoeding toegekend, omdat belanghebbende daartoe niet door de rechtbank in de gelegenheid is gesteld.
9. De rechtbank wijst de heffingsambtenaar erop dat hij op grond van deze uitspraak te vergoeden bedragen voor proceskosten en griffierecht uitsluitend mag uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van belanghebbende.
(…)
[1] ECLI:NL:HR:2025:46, r.o. 3.5.1 en 3.5.2.
[2] ECLI:NL:HR:2025:670, r.o. 3.4.4.
[3] ECLI:NL:HR:2025:670, r.o. 3.4.6.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In geschil is de hoogte van de door de Rechtbank vastgestelde vergoeding van de proceskosten. Het gaat daarbij niet alleen om het door de Rechtbank vastgestelde gewicht van de zaak van 0,5 voor zowel de bezwaarfase als de beroepsfase maar ook om het feit dat geen vergoeding voor de conclusie van repliek wordt toegekend. Daarnaast is in geschil of sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLl:NL:HR:2025:46.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak op bezwaar en tot toekenning van een procesvergoeding in bezwaar, beroep en in hoger beroep met een wegingsfactor van 1,0 en zonder toepassing van artikel 30a van de Wet WOZ.
4.3.
De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1.
Met inachtneming van de herkansingsfunctie die belanghebbende in hoger beroep toekomt, is de onderhavige zaak opnieuw beoordeeld waarbij alle aspecten van de stellingen van partijen in de overwegingen zijn betrokken. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden ingebracht, noch stellingen betrokken en argumenten gebezigd of nadere onderbouwingen van de in bezwaar en eerste aanleg ingenomen stellingen verstrekt die een zodanig nieuw of ander licht op de onderhavige geschilpunten werpen, dat op grond daarvan de conclusie dient te worden getrokken dat de beslissing van de Rechtbank niet in stand kan blijven. Dit leidt tot de slotsom dat de uitspraak van de Rechtbank bevestigd dient te worden.
5.2.1.
Daarbij neemt het Hof nog het volgende in aanmerking.
5.2.2.
De Rechtbank heeft weliswaar ten onrechte artikel 30a Wet WOZ ook toegepast op de toegekende proceskostenvergoeding in bezwaar, maar deze misslag is in hoger beroep uitdrukkelijk geen voorwerp van geschil. De Heffingsambtenaar had deze misslag al geconstateerd en gerepareerd door ambtshalve een zodanige aanvullende vergoeding voor de bezwaarfase te verstrekken dat alsnog de twee punten voor het bezwaarschrift en de hoorzitting naar het juiste tarief en zonder toepassing van artikel 30a Wet WOZ ten volle zijn vergoed. Gelet hierop heeft belanghebbende ook geen belang bij een vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank op dit punt.
5.2.3.
Aan het onder 5.1 overwogene doet voorts niet af de stelling van belanghebbende dat geen sprake is van “no cure no pay” om reden dat het geheven griffierecht voor rekening komt van belanghebbende en dat dus geen sprake is van een “loterij zonder nieten”. Immers, voor de beoordeling of sprake is van “no cure no pay” in het kader van artikel 30a Wet WOZ is uitsluitend relevant of belanghebbende ingeval van een ongegrond rechtsmiddel een vergoeding verschuldigd is aan de gemachtigde voor de verleende rechtsbijstand. Het al dan niet voor rekening van belanghebbende komen van het griffierecht speelt daarin geen rol.

Proceskosten

6. Er is geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier J. Azmi Shenouda.
De griffier, de voorzitter,
J. Azmi Shenouda H.A.J. Kroon
De beslissing is op 27 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.