ECLI:NL:GHDHA:2026:2318

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
22-001079-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:166 BWArt. 6:106 BWArt. 36f SrArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor brandstichting en openlijke geweldpleging bij zalencentrum in Den Haag

Op 17 februari 2024 vonden bij het zalencentrum Opera in Den Haag ernstige ongeregeldheden plaats tussen aanhangers en tegenstanders van het Eritrese regime. De verdachte werd ervan verdacht brand te hebben gesticht aan een touringcar en openlijk geweld te hebben gepleegd tegen politie, brandweer en goederen.

Het hof oordeelde dat de verdachte, geïdentificeerd als NN015 via een deskundigenrapport van het NFI, een significante bijdrage leverde aan het geweld en de brandstichting. De brandstichting aan de touringcar werd wettig en overtuigend bewezen, evenals het openlijk geweld in vereniging.

De verdachte werd veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast werd hij hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor uitgebreide schadevergoedingen aan tientallen benadeelden, waaronder politieambtenaren, bedrijven en particulieren, met toewijzing van zowel materiële als immateriële schadevergoedingen en proceskosten.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, en hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor uitgebreide schadevergoedingen.

Uitspraak

Rolnummer: 22-001079-25
Parketnummer: 09-262147-24
Datum uitspraak: 16 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Eritrea) op [geboortedatum] 1999,
thans gedetineerd in [naam P.I.] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren. Voorts is een beslissing genomen op de vorderingen van de benadeelde partijen.
Niet alle vorderingen van de benadeelde partijen zijn in hoger beroep gehandhaafd. De benadeelde partijen die in eerste aanleg niet-ontvankelijk zijn verklaard in hun vorderingen en zich – hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld – in hoger beroep niet opnieuw hebben gevoegd, zijn thans niet meer aan de orde.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 17 februari 2024 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht bij, aan en/of in een bus, toebehorende aan [bedrijfsnaam 1] , immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen en/of alleen:
- een brandbare vloeistof in een fles/voorwerp gedaan en/of (vervolgens)
- een stuk stof, althans een brandbaar voorwerp, in die fles/voorwerp (met die brandbare vloeistof) gedaan en/of (vervolgens)
- open vuur (via dat stuk stof, althans dat brandbare voorwerp) met die brandbare vloeistof in aanraking gebracht en/of (vervolgens)
- voornoemde (brandende) fles/voorwerp (met die brandende/brandbare vloeistof), althans een brandend voorwerp, naar/tegen/in voornoemde bus gegooid, ten gevolge waarvan:
- brand bij, aan en/of in voornoemde bus is ontstaan, en/of
- voornoemde bus geheel of gedeeltelijk is verbrand/uitgebrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die bus en/of voor zich in die bus bevindende goederen en/of voor nabij geparkeerde (personen)auto(‘s), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;
2.
hij op of omstreeks 17 februari 2024 te ‘s-Gravenhage openlijk, te weten, op en/of aan de Fruitweg en/of Parallelweg, althans in de nabijheid en/of in de buurt van het zalencentrum Opera (gelegen aan de Fruitweg), in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen:
- personen, te weten politieambtenaren en/of brandweerpersoneel en/of journalisten en/of fotografen en/of personen in het zalencentrum Opera, en/of;
- goederen, te weten politievoertuigen en/of personenauto’s en/of een touringcar en/of één of meerdere gebouwen (onder andere zalencentrum Opera en/of naastgelegen en/of in de (directe) nabijheid gelegen gebouwen en/of een tankstation), door (meermalen):
- ( met stokken, stenen, messen en/of andere voorwerpen in de hand) (gegroepeerd) zich dreigend op te houden en/of op te stellen tegen en/of de confrontatie te zoeken/aan te gaan met de politie en/of brandweer en/of journalisten en/of fotografen, en/of;
- het zalencentrum Opera te bestormen en/of te proberen binnen te dringen (onder andere door (met meerdere personen tegelijk) op de politie en/of het zalencentrum Opera af te gaan/te rennen en/of te proberen zich door linies van de politie heen te dringen), en/of;
- ( stukken/brokken van) stoeptegels en/of stenen en/of fietsen en/of straatmeubilair en/of vuurwerk en/of brandend/brandbaar materiaal en/of één of meerdere andere voorwerpen, naar/tegen voornoemde personen en/of goederen te gooien, en/of;
- één of meerdere geparkeerde voertuigen een rijbaan op te duwen, en/of;
- één of meerdere (politie)voertuigen en/of een touringcar in brand te steken.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

De beoordeling

Inleiding
Op 17 februari 2024 vond in het Opera Zalencentrum (hierna: het zalencentrum), gelegen aan de [adres 1] te Den Haag, een bijeenkomst plaats, georganiseerd door de Federatie Eritrese Gemeenschappen in Nederland. Deze federatie vertegenwoordigt Eritreeërs die voornamelijk tijdens de onafhankelijkheidsoorlog tussen 1961 en 1991 naar Nederland gevlucht zijn, veelal voorstander van het huidige Eritrese regime. In het zalencentrum waren zo’n 1500 personen aanwezig, waaronder hiervoor genoemde voorstanders.
Ongeveer 300 tot 500 andere Eritreeërs zijn op de hoogte geraakt van de locatie van deze bijeenkomst en hebben zich vanaf 16:00 uur (na)bij het zalencentrum verzameld. Deze personen waren voornamelijk Eritreeërs die na 1998 uit Eritrea zijn gevlucht voor het beleid van het huidige Eritrese regime en zijn daarom tegenstanders van dat regime (hierna ook genoemd: de tegenstanders). De politieke tegenstellingen tussen beide groepen veroorzaken spanning tussen de Eritreeërs buiten Eritrea. Die dag vanaf omstreeks 16:45 uur tot omstreeks 20:30 uur vonden bij het zalencentrum ongeregeldheden plaats. In verband daarmee zijn verschillende personen, waaronder de verdachte, aangehouden.
Aan de verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging en daarmee – samen met anderen – strafrechtelijk aansprakelijk is voor dit geweld. Voorts is aan de verdachte brandstichting ten laste gelegd.
Bewijsoverwegingen
De feiten [1]
Voorafgaand aan 17 februari 2024
Op 13 februari 2024 is door tegenstanders van het huidige regime in Eritrea een TikTok livestream uitgezonden waarbij de op 17 februari 2024 door de aanhangers voorgenomen bijeenkomst werd besproken en waarbij besproken is om de bijeenkomst te verstoren. [2] Nadien is de locatie van de bijeenkomst bekend geworden en gedeeld via social media. [3]
De ongeregeldheden
Op 17 februari 2024 omstreeks 16:00 uur verzamelden zich in de omgeving van het zalencentrum verschillende personen. [4] Aanvankelijk was de sfeer beheersbaar, maar omstreeks 16:45 uur werden verbalisanten met stenen bekogeld. Toen omstreeks 17:15 uur
bikers(politie te fiets) een aanhouding wilden verrichten, werd een fiets afgepakt en kreeg een agent deze fiets op zich gegooid. De sfeer sloeg vanaf dit moment om en de mobiele eenheid (hierna: de ME) moest de
bikersontzetten. [5]
Omstreeks 17:45 uur waren ruim 300 tegenstanders in de buurt van het zalencentrum aanwezig. Ze probeerden het zalencentrum binnen te dringen en er werd geweld gebruikt tegen de verbalisanten: er was sprake van het gooien van stenen, het gooien van brandbaar materiaal en het bij zich dragen van dikke stokken (slagwapens) en grote messen. [6] Ook werd met vuurwerk gegooid. [7] Door de ME is geprobeerd de tegenstanders weg te drijven, onder meer door middel van meerdere linies, maar telkens werd door tegenstanders richting de linie gelopen en met stenen en fietsen naar de politie gegooid. Ook werden ijzeren palen uit de grond getrokken. [8] De ME kreeg de opdracht om dynamisch op te treden: met het voertuig een groep benaderen, uitstappen, vegen en weer instappen. Dit is door de ME meerdere keren en op meerdere locaties rondom het zalencentrum uitgevoerd tot ongeveer 20:00 uur. Tijdens deze acties werd de ME telkens belaagd. Zo kreeg een ME-lid stenen van de voorkant en de achterkant, op zijn beenkappen, het schild, de helm en in de zij en werd er op een ME-lid ingeslagen met slagwapens en geprobeerd haar schild en wapenstok af te pakken. Er werd pepperspray gebruikt om hen op afstand te houden. [9] Ook werd er brandbaar materiaal onder een politievoertuig gegooid [10] en kwamen personen met de palen van verkeersborden op de voertuigen van de ME af en werd geprobeerd deze door de ME-voertuigen te boren. [11]
Omstreeks 18:51 uur stond een politievoertuig op de rotonde bij het zalencentrum in brand en iets na 19:00 uur stond een ander politievoertuig bij het zalencentrum in brand. De brand sloeg vervolgens over op het zalencentrum, waarna de voorzijde van het zalencentrum in brand stond. [12] De ramen van dat pand barstten. [13] De ter plaatse komende brandweereenheid werd bij aankomst direct belaagd met stenen door meerdere personen, waardoor de brandweerlieden zich bedreigd voelden en direct zijn doorgereden naar de kazerne. [14] Ondertussen keerde een groep van ongeveer 200 personen, voorzien van slagwapens en stenen, om 19:05 uur terug over de Fruitweg, met de kennelijke bedoeling om het zalencentrum te bestormen. [15] De ME vormde op dat moment een cordon om het zalencentrum, om collega’s en de personen in het zalencentrum te beschermen. Rond 19:20 uur werd de druk op het cordon onhoudbaar en werd voor de veiligheid van de opsporingsambtenaren toestemming gegeven voor de inzet van traangas, maar ook dat weerhield de tegenstanders er niet van om geweld te blijven plegen: er werd volop met straatstenen en straatmeubilair gegooid. [16] Daarnaast zijn ME’ers op deze avond bekogeld en aangevallen met allerhande wapens, kettingsloten, straatmeubilair , (bak)stenen en vuurwerk. [17] Om 19:23 uur werd het zalencentrum opnieuw bestormd door een aantal personen en werd er brandend materiaal naar binnen gegooid. [18]
Om iets voor 20:00 uur werd een touringcar die geparkeerd stond in de directe nabijheid van het zalencentrum, te weten in de Dynamostraat nabij de ingang van de HTM-remise, in brand gestoken. Diverse voertuigen rondom de touringcar raakten eveneens in brand en het gebouw, waarnaast de touringcar geparkeerd stond, liep gevaar om in brand te vliegen. [19] Tijdens het blussen van de touringcar werd de brandweer bekogeld met stenen [20] . Om 20:31 uur was de brand van de touringcar onder controle en omstreeks 20:33 uur bewogen de groepen tegenstanders zich richting het Zuiderpark. Om 21:34 uur was het weer rustig op de Fruitweg en de Troelstrakade. [21]
Ten gevolge van de ongeregeldheden zijn verschillende ME-voertuigen zwaar beschadigd geraakt; schade bestaande uit onder andere lakschade, kapotte ramen , lekke banden en gaten in de flanken van de politievoertuigen. [22] Twee politievoertuigen zijn geheel uitgebrand. [23] Door de hitte van de brandende voertuigen zijn onder meer ramen gebarsten in het zalencentrum en is op diverse plekken het wegdek beschadigd. [24] Bij het tankstation Avia Express zijn wapperborden en prullenbakken gestolen dan wel in brand gestoken/vernield. [25] Verder zijn personenauto’s beschadigd geraakt of geheel uitgebrand. [26]
Als gevolg van de ongeregeldheden en de stenen en voorwerpen die zijn gegooid, zijn tientallen politieambtenaren en anderen gewond geraakt. [27] De verwondingen bestonden vooral uit blauwe plekken, (schaaf)wonden, zwellingen, verrekkingen en kneuzingen. [28] Een ME-lid heeft een harde klap gekregen tegen het vizier van haar helm, waardoor haar linker voortand tand door haar bovenlip is geschoten en is afgebroken [29] , en een ander ME-lid heeft als gevolg van de harde klappen op haar helm en de ME-bus waarin zij reed een suis in het linkeroor. [30]
Het handelen van de verdachte
Feit 1 – De brandstichting
Zoals hiervoor weergegeven is op 17 februari 2024 een touringcar, toebehorend aan [bedrijfsnaam 1] [31] , in brand gestoken op de Dynamostraat, nabij de ingang van de HTM-remise.
Verbalisant [naam verbalisant 1] heeft camerabeelden bekeken van 17 februari 2024. Het gaat om camerabeelden in een straal van één kilometer vanaf het zalencentrum, te weten van de HTM en de gemeente ( [adres 2] , camera 555). Op deze beelden ziet de verbalisant vanaf 19:34 uur dat een persoon wijzende gebaren in de richting van de touringcar maakt. Van verschillende kanten komen meer mannen aangelopen, waaronder NN015 vanaf de richting van de rotonde op de Fruitweg. Vervolgens wordt door anderen brandend materiaal bij het linker voorwiel van de touringcar gelegd. Tweemaal wordt getracht het vuur te doven/blussen dan wel de touringcar te verplaatsen, weg van het brandend materiaal. Om 19:45 uur staat de persoon die door de verbalisant de brandstichter wordt genoemd, druk gebarend met onder andere NN015 voor de touringcar. Om 19:47 uur staan onder meer de brandstichter en NN015 bij het linker voorwiel van de touringcar. Om 20:06 uur loopt NN015 andermaal in een groep ter hoogte van de touringcar. Er komt een scooter aangereden. Het lijkt of de bijrijder een flesje aan een persoon geeft. Kort daarna is te zien dat deze persoon een flesje in de hand heeft. De persoon en NN015 lopen naar elkaar toe. NN015 wijst naar de handen van deze persoon waarna NN015 wegloopt en de persoon achter hem aan loopt.
Om 20:07 uur is een viertal personen, waaronder NN015, te zien bij de touringcar. Het flesje wordt meerdere keren overgegeven en als laatste aan NN015. Er worden door meerdere mannen voorwerpen naar de ruiten van de touringcar gegooid. Vervolgens slaat een van de mannen met een stok meerdere keren tegen de ruit aan de bestuurderskant van de touringcar. De verbalisant ziet dat na de eerste slag een langwerpig gat in de ruit is ontstaan en dat na de tweede slag dit gat groter is geworden.
Omstreeks 20:08 uur wordt er gewezen door een van de personen naar de zwarte doek die NN015 op dat moment voor de onderkant van zijn gezicht draagt. Direct hierna haalt NN015 de doek van zijn gezicht. Een ander staat vervolgens met de hiervoor genoemde zwarte doek. Hij lijkt een uiteinde van de zwarte doek dubbel te vouwen en steekt een voorwerp dat hij uit zijn rechterzak haalt in de ‘lus’ van de stof. Hij stopt het kleine stukje zwarte stof in het voorwerp in de handen van NN015. NN015 kantelt het flesje voorzichtig, waarbij het stukje stof naar beneden hangt. Met deze handelingen lijkt het er volgens de verbalisant op dat er een stukje stof in een fles(je) met vermoedelijk brandbare stof is gestopt en dat NN015 het flesje op zijn kant houdt om de vloeistof in het stuk stof te laten lopen. De verbalisant ziet dat NN015 om 20:09 uur naar de bestuurderskant van de touringcar loopt. NN015 houdt een vlammetje bij het flesje met de doek, waarna er een flinke vlam opstijgt vanaf het flesje. De verbalisant ziet dat NN015 het brandende flesje in de richting van de gebroken ruit aan de bestuurderszijde van de touringcar gooit. Het flesje lijkt af te ketsen en valt op de grond. NN015 raapt het flesje op en gooit het nogmaals in de richting van het gat in de ruit. Kort daarna neemt de verbalisant waar dat het flesje nu de touringcar lijkt in te zijn gevallen. Er is een flinke hoeveelheid brandbare (vloei)stof op de grond naast de touringcar en tegen de ruit van de touringcar gevallen. NN015 loopt in de richting van de geparkeerde personenauto's en kijkt in de richting van de brand bij de touringcar. Op de beelden van de gemeente ( [adres 2] , camera 555) heeft verbalisant [naam verbalisant 1] – in aanvulling de hiervoor weergegeven handelingen – waargenomen dat NN015 om 19:32 uur naar de touringcar loopt en een slaande beweging in de richting van de touringcar maakt. [32]
Uit forensisch onderzoek volgt dat meerdere geparkeerde voertuigen op de Dynamostraat schade als gevolg van hitte en vuur hebben opgelopen, door het niet tijdig kunnen ingrijpen van de brandweer door stralingswarmte bij de brand. [33] De touringcar is volledig uitgebrand. [34]
De verdachte heeft tot slot ter terechtzitting bij de rechtbank verklaard dat hij aanwezig was in Den Haag op 17 februari 2024 en naar het zalencentrum is gegaan [35]
Feit 2 – Het openlijk geweld
Naast de hiervoor reeds weergegeven camerabeelden van de HTM [36] heeft verbalisant [naam verbalisant 1] ook andere camerabeelden bekeken van 17 februari 2024. Het gaat om camerabeelden in een straal van één kilometer vanaf het zalencentrum, te weten van een bodycam, coffeeshop [naam coffeeshop] ( [adres 3] ), de gemeente ( [adres 2] , camera 552, 553, 554 en 555), district 8, Regio 15 en hotel [naam hotel] (camera 06). [37]
De verbalisant heeft op de camerabeelden waargenomen dat NN015 tussen 17:46 uur en 20:15 uur meermalen een voorwerp dan wel een steen van de grond pakt, een gooiende beweging naar een ME-linie maakt, meermalen een gooiende beweging naar ME-bussen maakt, met kracht een voorwerp in de richting van het zalencentrum gooit, op momenten een stok in de hand heeft en twee keer helpt een geparkeerd voertuig de rijbaan op te duwen. Voorts is NN015 in een groep relschoppers waargenomen. Om 19:29 uur is op camerabeelden van Regio 15 te zien dat NN015 met een stok in zijn hand naast een uitgebrand politievoertuig staat op de rotonde bij het zalencentrum.
De beoordeling
Het hof dient te beoordelen of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan
brandstichting van de touringcar en openlijk geweld. De eerste vraag die het hof in dat verband dient te beantwoorden is of NN015 zoals waargenomen op de camerabeelden de verdachte is.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij op 17 februari 2024 in Den Haag is geweest. Hij is naar het zalencentrum toegegaan. Toen hij daar was, heeft hij het stenen gooien gezien. [38] Verdachte ontkent dat hij, al dan niet samen met anderen een touringcar in brand heeft gestoken en openlijk geweld heeft gepleegd.
Identificatie verdachte
Naar aanleiding van een regiezitting in hoger beroep heeft het NFI een ‘vergelijking gezichtsbeelden’ verricht, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 24 maart 2026 (hierna: het NFI rapport) [39] .
Voor dit onderzoek zijn de camerabeelden van het hoofd en gezicht van een persoon, geduid als NN015, vergeleken met vergelijkingsopnamen van het hoofd en gezicht van de verdachte, die daaraan heeft meegewerkt. Vervolgens zijn de camerabeelden van NN015 en de vergelijkingsopnamen door drie onderzoekers van het NFI met elkaar vergeleken. De conclusie van het NFI rapport luidt dat de bevindingen van het vergelijkende onderzoek veel waarschijnlijker (100 – 10.000 keer) zijn indien de persoon afgebeeld in de betwiste beelden dezelfde man is als de verdachte (hypothese 1), dan wanneer dan wanneer het een andere man met een donkere huidskleur betreft (Hypothese 2). [40]
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof professor dr. Z.J.M.H. Geradts, degene die het NFI rapport heeft opgesteld, gehoord als deskundige. Zowel de advocaat-generaal als de verdediging is in de gelegenheid gesteld vragen te stellen aan de deskundige.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat, mede op grond van de conclusie uit het NFI rapport, wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte de persoon is die door de politie als NN015 is aangeduid.
Door de verdediging is aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte degene is die zich aan de brandstichting en het openlijk geweld heeft schuldig gemaakt. Het NFI rapport heeft onvoldoende bewijswaarde om op grond daarvan te concluderen dat de verdachte de door de politie als NN015 op de camerabeelden aangeduide persoon is. De verweren van de raadsman op dit punt worden hieronder verder besproken.
Het hof overweegt als volgt. Het hof wijst er op dat de verdachte heeft verklaard dat hij aanwezig was bij de ongeregeldheden op 17 februari 2024 bij het zalencentrum. In discussie is of de verdachte kan worden geïdentificeerd als de persoon NN015. Het NFI rapport concludeert dat het veel waarschijnlijker is dat de verdachte degene is die met NN015 is aangeduid op de beelden dan dat dit een willekeurige man betreft. Deskundige Geradts heeft toegelicht dat door drie onderzoekers (a, b en c), waar hij er één van is, afbeeldingen van het gezicht/hoofd van NN015 visueel zijn vergeleken met afbeeldingen van het gezicht/hoofd van de verdachte. Ten aanzien van de ‘vorm rug neus’ en ten aanzien van de ‘vorm van de onderkaak’ is telkens door één van de drie onderzoekers een verschil waargenomen, dat volgens de onderzoekers was te verklaren respectievelijk door belichting en verschil in houding, baardgroei en vetgehalte. Uiteindelijk zijn de drie onderzoekers tot een consensusconclusie gekomen.
Deskundige Geradts heeft voorts toegelicht dat de mate van waarschijnlijkheid van de verschillende hypothese is weergegeven in een ordergrootte bewijskracht met een bandbreedte van 100 tot 10.000, maar dat de mate van waarschijnlijkheid (veel waarschijnlijker) in dit geval eerder een ordergrootte bewijskracht van 10.000 heeft dan 100.
Gelet op de inhoud van dit rapport en de toelichting van de deskundige, gaat het hof uit van de deugdelijkheid van het NFI rapport en het hof neemt de conclusie van dat rapport over. Dat oordeel wordt niet anders door het gegeven dat de raadsman van de verdachte opvallende verschillen tussen de uiterlijke kenmerken van NN015 en de verdachte waarneemt, wat betreft (onder meer) huidskleur, de vorm van de neus, neusbrug en neusvleugels, de vorm en plaats van het litteken boven het rechteroog, de ogen, de plaats van de wenkbrauwen en de vorm van de onderkaak.
Ook het gegeven dat verschillende tolken van Eritrese en/of Ethiopische afkomst, al dan niet uit eigen beweging, tegen de raadsman zouden hebben gezegd dat zij de verdachte op de tijdens een verhoor getoonde camerabeelden niet herkenden als NN015 doet daaraan niet af.
Het hof hecht meer waarde aan de bevindingen van de verschillende NFI onderzoekers, die een methode hebben gebruikt om op gestructureerde wijze de verschillende beelden te vergelijken en die daartoe de nodige opleiding en scholing hebben gevolgd.
Evenmin doet het door de raadsman gesignaleerde gevaar op ‘cross racial identification bias’ af aan de bruikbaarheid van de conclusie uit het NFI rapport. De deskundige heeft daarover toegelicht dat niet gewerkt wordt met herkenningen, waar een grotere foutmarge geldt, maar met de meest objectieve methode van vergelijking met een veel minder hoge foutmarge.
Het feit dat de opvallende kleding die NN015 op de camerabeelden droeg niet is aangetroffen in de woning van de verdachte toen hij geruime tijd later is aangehouden, doet evenmin aan de conclusies van het NFI rapport af.
Zoals hiervoor is overwogen neemt het hof de conclusie van het NFI rapport over en het hof acht op basis daarvan, mede gelet op het feit dat de verdachte volgens zijn eigen verklaring aanwezig was in de omgeving van het zalencentrum ten tijde van de rellen, het bewijs aanwezig dat de verdachte degene is die op de beelden is te zien als degene die door de politie als NN015 is aangeduid.
Voorts ten aanzien van feit 1
Het hof stelt op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen vast dat de verdachte, samen met anderen, brand heeft gesticht in de touringcar. Op de camerabeelden is te zien dat de verdachte een voorwerp, vermoedelijk een fles met daarin een brandbare stof, in brand heeft gestoken en richting het gat in de voorruit van de touringcar heeft gegooid. Vervolgens is te zien dat de brandende fles op de grond valt, waarna de verdachte de fles wederom richting het gat in de voorruit gooit waarna er een flinke hoeveelheid brandbare (vloei)stof op de grond naast de touringcar en tegen de ruit van de touringcar is gevallen. Na een korte tijd is een hevige rook- en vlamontwikkeling te zien op de beelden en is te zien dat de touringcar volledig vlam vat en uitbrandt. De verdachte heeft het aangewakkerde vuur vervolgens onbeheerd achtergelaten.
Naar het oordeel van het hof kunnen de hierboven beschreven gedragingen van de
verdachte slechts in die zin worden uitgelegd dat het zijn bedoeling was om bij en aan de
touringcar brand te stichten. Daarbij is de verdachte berekenend te werk gegaan.
Hij had de beschikking over een fles met daarin brandbare vloeistof en heeft de brandende
fles tweemaal richting de touringcar gegooid. Door op deze wijze bij en aan een touringcar brand te stichten, is naar algemene ervaringsregels ook voorzienbaar dat gemeen
gevaar voor andere goederen bestaat, zoals de daarbij nabij geparkeerde auto’s en/of
nabijgelegen gebouwen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat dat gevaar zich ook heeft gerealiseerd. Het hof acht de onder 1 ten laste gelegde brandstichting dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van feit 2
Het hof dient vervolgens te beoordelen of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijk geweld.
Het beoordelingskader voor openlijke geweldpleging
Voor het “in vereniging” plegen van openlijk geweld moet worden nagegaan of sprake is van nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het openlijk geweld. Daarbij kan van belang zijn dat openlijke geweldpleging in vereniging, gelet op de aard van het delict, zich in verschillende vormen kan voordoen. Er kan sprake zijn van evident nauw en bewust samenwerken, maar deze strafbaarstelling is ook toepasselijk op openlijk gepleegd geweld dat bestaat uit een meer diffuus samenstel van uiteenlopende tegen personen of goederen gerichte geweldshandelingen dat plaatsvindt binnen een ongestructureerd, mogelijk spontaan, samenwerkingsverband met een eigen – soms moeilijk doorzichtige – dynamiek. De vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan dus bij dit delict verschillende verschijningsvormen hebben. [41]
Van het “in vereniging” plegen van geweld is sprake indien de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, waarbij deze bijdrage zelf niet gewelddadig hoeft te zijn. [42] De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die “in vereniging” geweld pleegt. [43] Welbewust een bijna zekere confrontatie aangaan en meegaan in de aanvalsgolf met anderen kan daarentegen wel van voldoende gewicht zijn. [44] Gedragingen die bijdragen aan de sfeer van ontremming kunnen een significante of wezenlijke bijdrage zijn. Een bijdrage van voldoende gewicht kan mede bestaan uit het filmen van de geweldshandelingen als onderdeel van een gezamenlijke actie. [45] De rechter moet beoordelen of de door de verdachte geleverde bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is. [46]
Voortdurend openlijk geweld in vereniging
Op basis van de hiervoor gebruikte bewijsmiddelen stelt het hof vast dat tegenstanders van het regime in Eritrea op 17 februari 2024 naar het zalencentrum zijn gegaan om te demonstreren tegen de bijeenkomst die daar op dat moment plaatsvond. Het gemeenschappelijke doel van de groep was om die bijeenkomst te laten stoppen. Buiten het zalencentrum ontstonden op een gegeven moment ongeregeldheden. Daarbij hebben de geweldshandelingen, zoals die zijn ten laste gelegd achter de gedachtestreepjes, zich allemaal voorgedaan.
Verder staat vast dat rond 16:45 uur voor het eerst buiten het zalencentrum naar de politie met stenen werd gegooid. Het geweld escaleerde nadat twee politie
bikerseen aanhouding wilden verrichten. De groep tegenstanders was op dat moment aangezwollen tot ongeveer 300 personen. Er ontstond een continu proces van geweld dat gericht was tegen de politie en politievoertuigen, waarbij de tegenstanders bij het zalencentrum naar binnen wilden komen. Nadat de politie diverse maatregelen had genomen om het zalencentrum te beschermen, de groep uiteen te drijven en te verjagen, is het geweld (deels) verplaatst van de Fruitweg in de richting van de Parallelweg en uitgewaaierd op en in de nabije omgeving van deze twee wegen. Nadien is een groep van 200 personen teruggekeerd naar de Fruitweg, waar rond 21:30 uur de rust weerkeerde.
Het geweld voltrok zich dus op plekken die zich op een geringe afstand van elkaar bevonden, in een tijdsbestek van vier uren, waarbij tegenstanders van de bijeenkomst in het zalencentrum zich doorlopend met geweld tegen de politie keerden. Er deed zich een groepsdynamiek voor waarbij een groot aantal individuele personen op elkaar reageerden door mee te doen aan de gewelddadigheden. Een sfeer van ontremming ontstond, waarin het gewelddadige gedrag van de één bevorderde dat de ander mee ging doen of mee bleef doen met het plegen van geweld en het geweld bleef voortduren en escaleerde. Het geweld tegen de politie en de brandstichtingen aan de voertuigen dienden hetzelfde achterliggende doel, namelijk het verstoren van de bijeenkomst van de aanhangers in het zalencentrum. Naar het oordeel van het hof kan het geweld, waaronder de brandstichtingen, dan ook worden aangemerkt als één geheel van geweldshandelingen dat in vereniging is gepleegd.
Uit de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen, alsmede de ten aanzien van feit 1 aangehaalde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte in ieder geval vanaf 17:46 uur ter plaatse is geweest in de omgeving van het zalencentrum en actief heeft bijgedragen aan het jegens de verbalisanten en goederen gepleegde openlijk geweld. Uit de camerabeelden blijkt dat de verdachte daarna nog geruime tijd in de directe nabijheid van het zalencentrum aanwezig is gebleven. Daarmee is hij, naast de hiervoor beschreven handelingen, de groep van relschoppers getalsmatig blijven versterken in de confrontatie die op dat moment plaatsvond met de politie. Hieruit volgt dat het opzet van de verdachte zich (ook) uitstrekte tot het geweld dat anderen in het geheel van geweldshandelingen pleegden, waaronder de overige brandstichtingen.
Het verweer van de verdediging dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de in de tenlastelegging weergegeven brandstichtingen wordt dan ook verworpen.
Conclusie
Het hof komt tot het oordeel dat de verdachte op 17 februari 2024 een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het openlijk geweld, waarbij al het ten laste gelegde geweld één geheel van geweldshandelingen vormt. Het hof acht de ten laste gelegde brandstichting onder 1 en het openlijk geweld onder 2 wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op
of omstreeks17 februari 2024 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met
een of meeranderen
, althans alleen,opzettelijk brand heeft gesticht
bij, aan en/ofin een bus, toebehorende aan [bedrijfsnaam 1] , immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk tezamen en in vereniging met
een of meeranderen
en/of alleen:
- een brandbare vloeistof in een fles
/voorwerpgedaan en
/of (vervolgens
)- een stuk stof, althans een brandbaar voorwerp, in die fles/voorwerp (met die brandbare vloeistof) gedaan en
/of (vervolgens)- open vuur (via dat stuk stof, althans dat brandbare voorwerp) met die brandbare vloeistof in aanraking gebracht en/
of (vervolgens)- voornoemde (brandende) fles/voorwerp (met die brandende/brandbare vloeistof), althans een brandend voorwerp, naar/tegen/in voornoemde bus gegooid, ten gevolge waarvan:
- brand bij, aan en/of in voornoemde bus is ontstaan, en
/of- voornoemde bus geheel of gedeeltelijk is verbrand/uitgebrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die bus en/of voor zich in die bus bevindende goederen en
/ofvoor nabij geparkeerde (personen)auto(‘s), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;
2.
hij op
of omstreeks17 februari 2024 te 's-Gravenhage openlijk, te weten,
op en/of aan de Fruitweg en/of Parallelweg, althansin de nabijheid en
/ofin de buurt van het
zalencentrumOpera
Zalencentrum(gelegen aan de Fruitweg),
in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,in vereniging geweld heeft gepleegd tegen:
- personen, te weten politieambtenaren en
/ofbrandweerpersoneel en
/ofeenjournalist
enen
/ofeenfotografenfotograafen
/ofpersonen in het
zalencentrumOpera
Zalencentrum, en
/of;
- goederen, te weten politievoertuigen en
/ofpersonenauto's en
/ofeen touringcar en
/oféén of meerdere gebouwen (onder andere
zalencentrumhetOpera
Zalencentrumen
/of naastgelegen en/ofin de (directe) nabijheid gelegen gebouwen en
/ofeen tankstation), door
(meermalen):
-
(met stokken, stenen, messen en/of andere voorwerpen in de hand
) (gegroepeerd
)zich dreigend op te houden en
/ofop te stellen tegen en
/ofde confrontatie te zoeken/aan te gaan met de politie en
/ofbrandweer en
/ofeenjournalist
enen
/ofeenfotografenfotograaf,en
/of;
- het
zalencentrumOpera
Zalencentrumte bestormen en
/ofte proberen binnen te dringen
,(onder andere door
(met meerdere personen tegelijk
)op de politie en
/ofhet
zalencentrumOpera
Zalencentrumaf te gaan/te rennen en
/ofte proberen zich door linies van de politie heen te dringen
), en
/of;
- ( stukken/brokken van) stoeptegels en
/ofstenen en
/offietsen en
/ofstraatmeubilair en
/ofvuurwerk en
/ofbrandend/brandbaar materiaal
en/of
één of meerdereandere voorwerpen, naar/tegen voornoemde personen en
/ofgoederen te gooien, en
/of;
-
één ofmeerdere geparkeerde voertuigen een rijbaan op te duwen, en
/of;
-
één ofmeerdere (politie)voertuigen en/of een touringcar in brand te steken.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van
medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is
en
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Op 17 februari 2024 heeft de verdachte samen met andere tegenstanders van het huidige Eritrese regime openlijk geweld gepleegd bij een zalencentrum in Den Haag, waar aanhangers van dat regime kort daarvoor bijeen waren gekomen. Toen het binnen gaan van het zalencentrum door de ME werd belet, ontstond er een grimmige sfeer. Ondanks dat werd opgeroepen de omgeving direct te verlaten, werden de ME’ers bekogeld met onder andere stenen en stokken. Ook politievoertuigen, een touringcar en personenauto’s hebben het moeten ontgelden. Toen de brandweer ter plaatse kwam om in brand gestoken voertuigen te blussen, richtte het geweld zich ook tegen de brandweer. Ook zijn een fotograaf en een journalist direct geconfronteerd met het geweld. Diverse personen zijn ten gevolge van het handelen van de verdachte en zijn mededaders gewond geraakt. Het geweld is van een ongekende heftigheid geweest. Voorts moet voor de aanwezigen in het zalencentrum de situatie uitermate beangstigend zijn geweest. Dergelijk handelen gaat de perken van wat toelaatbaar is zeer ver te buiten. Dat de verdachte en zijn mededaders enkel naar Den Haag zouden zijn afgereisd om ter plaatse ‘vreedzaam te demonstreren’ verhoudt zich op geen enkele wijze met hetgeen zich aldaar heeft voltrokken.
De aard, de intensiteit en de duur van het geweld hebben, blijkens de vele aangiften, slachtofferverklaring(en) en de toelichtingen op de vorderingen benadeelde partij een enorme impact op de aldaar aanwezigen gehad. Betrokken politieagenten/ME-ers hebben het geweld omschreven als een oorlogssituatie en hebben soms gevreesd voor hun leven.
De verdachte heeft een actieve bijdrage geleverd aan het tegen de politie gerichte geweld zoals hiervoor bewezen verklaard.
Persoon van de verdachte
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van. 28 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.
Het hof heeft verder acht geslagen op het advies van Reclassering Nederland van 8 oktober 2025 betreffende de verdachte. Het risico op herhaling wordt ingeschat als gemiddeld.
Ter terechtzitting in hoger beroep zijn de persoonlijke omstandigheden van de verdachte door de verdediging naar voren gebracht. Het hof heeft deze ook bij de bepaling van de straf betrokken.
Slot
Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

Vorderingen tot schadevergoeding

De vorderingen van de benadeelde partijen/ de schadevergoedingsmaatregel
Slachtoffers hebben zich als benadeelde partij in het geding gevoegd. Zij hebben het hof verzocht om hoofdelijke toewijzing van hun vordering en deze te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Daarnaast is verzocht telkens de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Wetboek van Strafrecht (Sr) aan de verdachte op te leggen.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De advocaten-generaal hebben standpunten ingenomen ten aanzien van de vorderingen. Het hof zal hierop, voor zover nodig, hierna ingaan.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft standpunten ingenomen ten aanzien van de vorderingen. Het hof zal hierop, voor zover nodig, hierna ingaan.
Het oordeel van het hof
Algemene uitgangspunten en overwegingen
Groepsaansprakelijkheid en hoofdelijkheid
De verdachte heeft zich met zijn gedragingen schuldig gemaakt aan het openlijk in vereniging plegen van geweld. In artikel 6:166, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat indien één van de tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het aldus toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedrag in groepsverband, zij hoofdelijk aansprakelijk zijn indien deze gedragingen hun kunnen worden toegerekend.
Voor hoofdelijke aansprakelijkheid is de deelname aan het groepsgeweld voldoende, ongeacht de vorm die deze deelname heeft aangenomen. Een beroep op het ontbreken van het causaal verband wegens het niet kunnen koppelen van de individuele handelingen van de verdachte aan de specifieke schade houdt derhalve geen stand.
De hoofdelijke aansprakelijkheid van de tot een groep behorende personen die deze bepaling in het leven roept, leidt ertoe dat de benadeelde die ten gevolge van een gedraging in groepsverband schade heeft geleden ter verkrijging van volledige vergoeding daarvan ermee kan volstaan één van de tot de desbetreffende groep behorende personen aan te spreken.
De regeling van art. 6:166 BW Pro voorziet in een individuele aansprakelijkheid van tot een groep behorende personen (deelnemers) voor onrechtmatig vanuit de groep toegebrachte schade. De mate van betrokkenheid van de afzonderlijke deelnemers bij het onrechtmatig handelen is niet van belang. Deze individuele aansprakelijkheid vindt haar rechtvaardiging in een ieders bijdrage aan het in het leven roepen van de kans dat zodanige schade zou ontstaan. Zij vindt haar begrenzing in de eis dat de kans op het aldus toebrengen van schade hen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband.
Het hof heeft voorts acht geslagen op de wetsgeschiedenis (Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 663-664) en relevante rechtspraak, zoals onder meer ECLI:NL:HR:2015:2914, ECLI:NL:HR:2025:1056 in vervolg op ECLI:NL:GHARL:2024:1870 (Mallorca-zaak) en ECLI:NL:HR:2025:1507 in vervolg op ECLI:NL:GHSHE:2024:1204 (Pegida-zaak).
Matigen naar billijkheid?
De verdediging heeft matiging naar billijkheid bepleit. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat het gaat om schade van een enorme omvang die is veroorzaakt door honderden personen, terwijl slechts een klein deel van hen terecht staat voor openlijke geweldpleging. Dat maakt volgens de verdediging dat een disproportioneel klein aantal schadeveroorzakers verantwoordelijk wordt gehouden voor schade van enorme omvang. Het hof dient een billijkheidscorrectie toe te passen en de schadevergoedingsverplichting van de verdachte te beperken, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt. In artikel 6:166, tweede lid BW is bepaald hoe de onderlinge verdeling van schade tussen de tot de groep behorende personen behoort plaats te vinden: zij moeten onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding bijdragen, tenzij in de omstandigheden van het geval de billijkheid een andere verdeling vordert. Uit artikel 6:166, eerste en tweede lid BW samen volgt aldus een systeem waarin ieder van de betrokkenen hoofdelijk aansprakelijk is voor de volledige schade, wat verhaal van deze schade door de benadeelden vergemakkelijkt. Na vergoeding van de schade kan een betrokkene vervolgens op zijn medegroepsleden het bedrag verhalen dat hij te veel heeft betaald, waarbij de bijdrage in het geweld (mede)bepalend kan zijn voor het aandeel dat ieder uiteindelijk te dragen heeft.
Het ligt aldus in de eerste plaats op de weg van de verdachte – en andere betrokkenen bij de rellen op 17 februari 2024 – om op deze manier de schade onderling te verdelen. Een billijkheidscorrectie zou betekenen dat de benadeelde partijen worden beperkt in hun verhaalsmogelijkheden. Dat acht het hof, gelet op de wettelijke regeling, niet billijk. Gelet op het voorgaande ziet het hof ten aanzien van de verschillende vorderingen van de benadeelde partij dan ook geen grond voor matiging naar billijkheid en aldus afwijking van het wettelijke uitgangspunt van hoofdelijke aansprakelijkheid van de verdachte.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld, waardoor
hij jegens de benadeelde partijen aansprakelijk is voor schade die door dit feit aan hen is
toegebracht. Het hof is van oordeel dat vergoeding van de schade een bij uitstek
passende maatregel is bij een dergelijke vorm van openlijk geweld. Om die reden én als
extra waarborg voor de betaling aan de benadeelde partijen zal het hof aan de verdachte – voor de toegewezen bedragen – steeds hoofdelijk de schadevergoedingsmaatregel opleggen.
Anders dan de verdediging heeft bepleit, zal het hof bij het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel geen onderscheid maken tussen namens natuurlijke personen en rechtspersonen gevorderde en toegewezen schadevergoedingen. De schadevergoedingsmaatregel beoogt de strafrechtelijke positie van het slachtoffer te versterken door herstel van de rechtmatige toestand (MvT, Kamerstukken II 1989/90, 21345, 3, p. 5). Uit de wet noch uit de wetsgeschiedenis volgt dat ten behoeve van rechtspersonen geen schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr kan worden opgelegd. Dat een benadeelde partij een rechtspersoon is, is aldus geen criterium dat bij de keuze voor het al dan niet opleggen van de schadevergoedingsregeling een rol behoeft te spelen, zodat dit aspect het oordeel van het hof niet anders maakt. Daaraan doet ook niet af dat rechtspersonen en bedrijven in het algemeen beter in staat zullen zijn om een toegewezen vordering te (laten) executeren.
Gelet op de maximale duur van de aan de schadevergoedingsmaatregel verbonden gijzeling,
is het totaal van de opgelegde gijzeling 365 dagen.
Wettelijke rente
Indien het hof de vorderingen tot schadevergoeding geheel of ten dele toewijst, zal hij
daarbij tevens de vordering tot betaling van de wettelijke rente toewijzen vanaf 17 februari
2024, de dag dat de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft plaatsgevonden, tenzij hieronder
anders wordt overwogen en beslist.
Politieambtenaren
Namens 66 politieambtenaren is een vordering benadeelde partij ingediend. Een aantal van deze vorderingen is onderscheiden in drie categorieën. Het hof zal, al dan niet per categorie, de vorderingen afzonderlijk beoordelen.
De vorderingen van € 350,00
In het onderhavige strafproces hebben de hierna genoemde personen zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, op grond van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ dan door lichamelijk letsel, als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 350,00. Het betreft:
nr. 4: [naam benadeelde partij 1]
nr. 14: [naam benadeelde partij 2]
nr. 18: [naam benadeelde partij 3]
nr. 19: [naam benadeelde partij 4]
nr. 24: [naam benadeelde partij 5]
nr. 25: [naam benadeelde partij 6]
nr. 26: [naam benadeelde partij 7]
nr. 27: [naam benadeelde partij 8]
nr. 28: [naam benadeelde partij 9]
nr. 29: [naam benadeelde partij 10]
nr. 30: [naam benadeelde partij 11]
nr. 31: [naam benadeelde partij 12]
nr. 32: [naam benadeelde partij 13]
nr. 33: [naam benadeelde partij 14]
nr. 34: [naam benadeelde partij 15]
nr. 35: [naam benadeelde partij 16]
nr. 36: [naam benadeelde partij 17]
nr. 37: 3254616
nr. 38: 3254628
nr. 39: 3254839
nr. 44: 3255764
nr. 46: 3256007
nr. 48: 3256065
nr. 50: 3256298
nr. 51: 3256309
nr. 52: 3256357
nr. 55: 3256600
nr. 56: 3256945
nr. 57: 3257688
nr. 58: 3258166
nr. 59: 3259023
nr. 60: 3259472
nr. 61: 3260529
nr. 62: 3272822
nr. 65: [naam benadeelde partij 18]
nr. 66: [naam benadeelde partij 19]
In hoger beroep zijn deze vorderingen aan de orde tot het in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van telkens € 350,00.
De advocaat-generaal heeft telkens geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De betreffende vorderingen van de benadeelde partijen zijn namens de verdachte betwist.
De Hoge Raad heeft geoordeeld [47] dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.
Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen.
Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Uit de vorderingen en de daaraan ten grondslag gelegde toelichtingen volgt dat de benadeelde partijen nadelige (psychische) gevolgen hebben ondervonden van het bewezenverklaarde openlijk geweld. Naar het oordeel van het hof brengt de aard en de ernst van de normschending door de verdachte en zijn mededaders mee dat de nadelige (psychische) gevolgen daarvan voor de politieambtenaren zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ dan door lichamelijk letsel of aantasting in hun eer of goede naam als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. Dit betekent dat een vergoeding van immateriële schade op haar plaats is. Het hof neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking de duur en intensiteit van het gepleegde geweld, maar ook het feit dat de politieambtenaren zich ieder in het kader van hun taakuitoefening genoodzaakt zagen te blijven optreden in een situatie waarin het geweld zich in toenemende mate tegen de politie richtte. Uit de verscheidene processen-verbaal van aangiftes, de processen-verbaal van bevindingen en de vorderingen volgt dat sprake was van een geweldsexplosie van ongekende omvang. Onder die omstandigheden waren de betrokken politieambtenaren, gelet op hun taak en verantwoordelijkheid voor de handhaving van de openbare orde, gehouden de confrontatie aan te gaan, hetgeen ertoe heeft geleid dat zij geruime tijd zijn blootgesteld aan een situatie die een ernstige bedreiging vormde voor hun fysieke veiligheid.
Voorts stelt het hof op grond van de aangiften en de toelichtingen op de vorderingen vast dat de hiervoor genoemde benadeelde partijen zich ten tijde van de bewezenverklaard openlijke geweldpleging ter plaatse bevonden en met het geweld zijn geconfronteerd. De door hen gestelde immateriële schade staat daarmee in voldoende rechtstreeks verband met het bewezenverklaard feit. Het hof acht de schade derhalve rechtstreeks door het bewezenverklaard feit veroorzaakt.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde.
Voor wat de betreft de hoogte van de schadevergoeding voor deze benadeelde partijen heeft het hof alle omstandigheden van het geval in acht genomen, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede telkens de onderbouwing van de vordering. Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en op de zogenoemde “Rotterdamse schaal”, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid en gelet op hetgeen in vergelijkbare zaken wordt toegewezen – telkens voor toewijzing tot een bedrag van € 350,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
De vorderingen van € 400,00
In het onderhavige strafproces hebben de hierna genoemde personen zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Zij vorderen immateriële schadevergoeding wegens licht letsel en wegens aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 400,00. Het betreft:
nr. 3: [naam benadeelde partij 20]
nr. 8: [naam benadeelde partij 21]
nr. 9: [naam benadeelde partij 22]
nr. 10: [naam benadeelde partij 23]
nr. 12: [naam benadeelde partij 24]
nr. 13: [naam benadeelde partij 25]
nr. 20: [naam benadeelde partij 26]
nr. 21: [naam benadeelde partij 27]
nr. 22: [naam benadeelde partij 28]
nr. 23: [naam benadeelde partij 29]
nr. 40: 3254852
nr. 42: 3254869
nr. 47: 3256014
nr. 49: 3256279
nr. 53: 3256367
nr. 54: 3256593
nr. 64: [naam benadeelde partij 30]
In hoger beroep zijn deze vorderingen aan de orde tot de in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van telkens € 400,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De betreffende vorderingen van de benadeelde partijen zijn namens de verdachte betwist.
Het hof stelt op grond van de aangiften en de toelichtingen op de vorderingen vast dat deze benadeelde partijen zich ten tijde van de bewezenverklaarde openlijke geweldpleging ter plaatse bevonden en met het geweld zijn geconfronteerd. Daarnaast is het lichamelijke letsel door deze benadeelde partijen onderbouwd. De vorderingen zijn voor zover deze betrekking hebben op het lichamelijk letsel door de verdachte niet of onvoldoende gemotiveerd betwist. Ook ten aanzien van deze benadeelde partijen is het hof, op de gronden die hiervoor zijn uiteengezet, van oordeel dat vast is komen te staan dat de benadeelde partijen als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde letsel hebben en dat zij ‘op andere wijze’ in de persoon zijn aangetast als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b BW.
De door de benadeelde partijen gevorderde immateriële schade staat daarmee in voldoende rechtstreeks verband met het bewezenverklaard handelen van de verdachte, zodat sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaard feit.
Voor wat de betreft de hoogte van de schadevergoeding voor deze benadeelde partijen heeft het hof alle omstandigheden van het geval in acht genomen, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede telkens de onderbouwing van de vordering.
Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en op de hiervoor genoemde “Rotterdamse schaal”. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid en gelet op hetgeen in vergelijkbare zaken wordt toegewezen – telkens voor toewijzing tot een bedrag van € 400,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
De vorderingen van € 700,00
In het onderhavige strafproces hebben de hierna genoemde personen zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Zij vorderen immateriële schadevergoeding op grond van ernstiger opgelopen lichamelijk letsel, te weten kneuzingen, zwellingen, hoofdletsel, een hersenschudding of een combinatie daarvan alsmede wegens aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 700,00. Het betreft:
1: [naam benadeelde partij 31]
5: [naam benadeelde partij 32]
6: [naam benadeelde partij 33]
7: [naam benadeelde partij 34]
11: [naam benadeelde partij 35]
15: [naam benadeelde partij 36]
16: [naam benadeelde partij 37]
43: 3254922
45: 3255767
63: [naam benadeelde partij 38]
In hoger beroep zijn deze vorderingen aan de orde tot de in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van telkens € 700,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vorderingen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De betreffende vorderingen van de benadeelde partijen zijn namens de verdachte betwist.
Het hof stelt op grond van de aangiften en de toelichtingen op de vorderingen vast dat deze benadeelde partijen zich ten tijde van de bewezenverklaarde openlijke geweldpleging ter plaatse bevonden en met het geweld zijn geconfronteerd. Daarnaast is het lichamelijke letsel door deze benadeelde partijen onderbouwd. De vorderingen zijn voor zover deze betrekking hebben op het lichamelijk letsel door de verdachte niet of onvoldoende gemotiveerd betwist. Ook ten aanzien van deze benadeelde partijen is het hof, mede op de gronden die hiervoor zijn uiteengezet, van oordeel dat vast is komen te staan dat de benadeelde partijen als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde letsel hebben en dat zij ‘op andere wijze’ in de persoon zijn aangetast als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b BW.
De door de benadeelde partijen gevorderde immateriële schade staat daarmee in voldoende rechtstreeks verband met het bewezenverklaard handelen van de verdachte, zodat sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaard feit.
Voor wat de betreft de hoogte van de schadevergoeding voor deze benadeelde partijen heeft het hof alle omstandigheden van het geval in acht genomen, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede telkens de onderbouwing van de vordering.
Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en op de hiervoor genoemde “Rotterdamse schaal”. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid en gelet op hetgeen in vergelijkbare zaken wordt toegewezen – telkens voor toewijzing tot een bedrag van € 700,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Overige vorderingen van politieambtenaren
Vordering van verbalisant 3254857
Namens verbalisant 3254857 is een vordering benadeelde partij ingediend van € 950,00 wegens geleden immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Benadeelde vordert deze immateriële schade op grond van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ en wegens opgelopen lichamelijk letsel (letsel aan de linkerhand, waaronder bandletsel vinger en een zenuwbeschadiging).
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 950,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof stelt op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting vast dat deze benadeelde partij zich ten tijde van de bewezenverklaarde openlijke geweldpleging ter plaatse bevond en met het geweld is geconfronteerd. Daarnaast is namens deze benadeelde partij een onderbouwing van het lichamelijke letsel overgelegd. De vordering is voor zover deze betrekking heeft op het lichamelijk letsel door de verdachte niet of onvoldoende gemotiveerd betwist. Ook ten aanzien van deze benadeelde partij is het hof, mede op de gronden die hiervoor zijn uiteengezet, van oordeel dat vast is komen te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde letsel heeft opgelopen en ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b BW. De door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade staat daarmee in voldoende rechtstreeks verband met het bewezenverklaard handelen van de verdachte, zodat sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaard feit.
Voor wat de betreft de hoogte van de schadevergoeding voor deze benadeelde partij heeft het hof alle omstandigheden van het geval in acht genomen, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede de onderbouwing van de vordering.
Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en op de hiervoor genoemde “Rotterdamse schaal”. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid en gelet op hetgeen in vergelijkbare zaken wordt toegewezen – voor toewijzing tot een bedrag van
€ 950,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Vordering van verbalisant [naam benadeelde partij 39]
Namens [naam benadeelde partij 39] is een vordering benadeelde partij ingediend van € 3.000,00 aan geleden immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Benadeelde vordert deze immateriële schade op grond van de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ en wegens opgelopen lichamelijk letsel (tinnitus).
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 3.000,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdediging heeft de vordering betwist.
Het hof stelt op grond van de aangifte en de toelichting op de vordering vast dat deze benadeelde partij zich ten tijde van de bewezenverklaarde openlijke geweldpleging ter plaatse bevond en met het geweld is geconfronteerd. Daarnaast is namens deze benadeelde partij een onderbouwing van het lichamelijke letsel overgelegd. Uit de geneeskundige verklaring van 15 november 2024, opgesteld door een KNO-arts werkzaam bij Haaglanden Medisch Centrum met de aanvulling van 11 december 2024 blijkt naar het oordeel van het hof voldoende van tinnitusklachten. Voor een andere oorzaak dan die benadeelde in haar aangifte/vordering duidt – kort gezegd: harde klappen tegen de helm tijdens de rellen – is geen begin van aannemelijkheid. Ook blijkt uit de geneeskundige verklaringen voldoende dat de klachten niet van voorbijgaande aard zijn, hetgeen ook ter terechtzitting in hoger beroep namens de benadeelde partij is bevestigd.
Ook ten aanzien van deze benadeelde partij is het hof, mede op de gronden die hiervoor zijn uiteengezet, van oordeel dat vast is komen te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde letsel heeft opgelopen en ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b BW. De door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade staat daarmee in voldoende rechtstreeks verband met het bewezenverklaard handelen van de verdachte, zodat sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaard feit.
Voor wat de betreft de hoogte van de schadevergoeding voor deze benadeelde partij heeft het hof alle omstandigheden van het geval meegewogen, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede de onderbouwing van de vordering.
Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en op de hiervoor genoemde “Rotterdamse schaal”. In dat verband merkt het hof op dat een bedrag van € 5.000,00 wordt genoemd indien sprake is van ‘lichte tinnitus zonder lawaaidoofheid’, de minst zware categorie van ‘aantasting van het gehoor’(Rotterdamse schaal, Aantasting gehoor, sub d, categorie VI). De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid en gelet op hetgeen in vergelijkbare zaken wordt toegewezen – voor toewijzing tot een bedrag van € 3.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Vordering van verbalisant [naam benadeelde partij 40]
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 40] vordert een bedrag van € 5.000,00 wegens geleden immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij vordert deze immateriële schade op grond van de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ en wegens lichamelijk letsel dat aan de verbalisant is toegebracht. Dit letsel bestaat uit een afgebroken voortand, een gat in de bovenlip die zowel aan de binnen- als aan buitenzijde gehecht moest worden, een litteken op de bovenlip, een gekneusde rib en de ziekte van Mondor (verstopte ader onder de borst).
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 5.000,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof stelt op grond van de aangifte en de toelichting op de vordering vast dat deze benadeelde partij zich ten tijde van de bewezenverklaarde openlijke geweldpleging ter plaatse bevond en met het geweld is geconfronteerd. Ter onderbouwing van haar schade heeft [naam benadeelde partij 40] medische verklaringen ingebracht alsmede foto’s van een litteken van haar bovenlip. Uit de verklaring van de benadeelde partij van 9 augustus 2024 blijkt dat zij ten gevolge van het bewezenverklaarde feit een pijnlijke rib had en dat de ziekte van Mondor zeer waarschijnlijk is ontstaan door een (post)trauma aan deze rib. Dit wordt ook beschreven in een verslag van een medisch onderzoek van 22 april 2024. Verder is in hoger beroep ter staving van het standpunt dat ook thans nog sprake is van een litteken op de bovenlip namens de benadeelde partij een aantal foto’s ter terechtzitting overgelegd. Voorts is ter terechtzitting namens de benadeelde partij toegelicht dat ook thans nog sprake is van gevoelloosheid in de bovenlip wegens de vorming van littekenweefsel.
Gelet op deze toelichting en onderbouwing is het hof van oordeel dat de vordering met betrekking tot de immateriële schade wegens het letsel aan het gebit, het litteken op het aangezicht en de ziekte van Mondor namens de verdachte niet voldoende gemotiveerd is betwist en namens de benadeelde partij voldoende is onderbouwd. Ook ten aanzien van deze benadeelde partij is het hof, mede op de gronden die hiervoor zijn uiteengezet, van oordeel dat vast is komen te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde letsel heeft opgelopen en ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b BW. De door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade staat daarmee in voldoende rechtstreeks verband met het bewezenverklaard handelen van de verdachte, zodat sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaard feit.
Voor wat de betreft de hoogte van de schadevergoeding voor deze benadeelde partij heeft het hof alle omstandigheden van het geval in acht genomen, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede de onderbouwing van de vordering.
Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en op de hiervoor genoemde “Rotterdamse schaal”. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid en gelet op hetgeen in vergelijkbare zaken wordt toegewezen – voor toewijzing tot een bedrag van € 5.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Proceskostenvergoeding
De advocaten van alle voornoemde benadeelde partijen hebben verzocht om een proceskostenvergoeding. Zij hebben daarvoor aansluiting gezocht bij het voor de behandeling van civiele vorderingen in strafzaken gebruikelijke ‘liquidatietarief kantonzaken’.
Nu de vorderingen steeds (deels) worden toegewezen, zal de verdachte (hoofdelijk) worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt.
Het hof zal bij iedere geheel of gedeeltelijk toe te wijzen vordering het gevraagde bedrag van € 82,00 aan vergoeding van proceskosten toewijzen. Het enkele gegeven dat verzocht is deze proceskosten op de rekening van de Nationale Politie te voldoen en niet aan de individuele benadeelde partijen, doet hieraan niet af en lijkt ook praktisch. Het hof ziet ook geen reden om het gevorderde bedrag aan proceskosten te matigen. Uit de toelichting bij de vordering blijkt dat telkens een op de benadeelde partij toegeschreven onderbouwing van de schade is gegeven. In dat licht bezien acht het hof een proceskostenveroordeling van € 82,00 (welk bedrag in hoger beroep niet is verhoogd) per benadeelde partij allerminst redelijk.
Evenals bij de toegewezen vorderingen tot schadevergoeding, is de verdachte hoofdelijk aansprakelijk voor de toegewezen proceskosten.
Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Veiligheidsregio Haaglanden
Namens de benadeelde partij Veiligheidsregio Haaglanden is een vordering tot
schadevergoeding ingediend, waarbij een bedrag van € 250,00 aan materiële schadevergoeding wordt gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het gaat om schade aan een voertuig die niet door de verzekeraar is vergoed wegens het eigen risico.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 250,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering is namens de verdachte niet (voldoende gemotiveerd) betwist en door de
benadeelde partij voldoende onderbouwd. Uit de toelichting van de benadeelde partij en de
facturen die zijn ingediend blijkt voldoende dat het gaat om schade aan een voertuig van het
merk Volvo en dat de schade bestaat uit het herstellen en spuiten van dit voertuig. Ook blijkt
dat uit de ingediende schade-afrekening dat de verzekering een bedrag van € 250,00 aan
eigen risico niet heeft vergoed. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting
kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de
openlijke geweldpleging. De gevorderde schadevergoeding acht het hof toewijsbaar, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Nationale Politie – motorrijtuigen en fietsen
Namens de benadeelde partij Nationale Politie is een vordering tot schadevergoeding
ingediend, waarin een bedrag van € 515.736,21 aan materiële schade wordt gevorderd, te
vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. In hoger beroep is de vordering verlaagd tot een bedrag van € 480.433,92, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij ziet op schade aan twintig politieauto’s en twee politiefietsen.
In hoger beroep is deze vordering voor wat betreft de materiële schade aan de orde tot dit in hoger beroep verlaagde bedrag van € 480.433,92. Alsmede zijn gevorderd een proces- en reiskostervergoeding.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot het in hoger beroep gevorderde bedrag van € 480.433,92, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Voertuigen
Het hof overweegt dat voldoende is aangetoond dat door de Nationale Politie schade is geleden ten gevolge van het bewezenverklaarde.
De verdediging heeft betwist dat de Nationale Politie eigenaar is van de voertuigen, zodat zij niet degene is die de schade heeft geleden.
In reactie hierop heeft de Nationale Politie – samengevat – toegelicht dat de politie de eigenaar is van de voertuigen, maar dat een aantal zaken zoals de aanschaf, het beheer en schadeafhandeling krachtens overeenkomst bij andere partijen ligt. De aanschaf en ook herstelkosten ter zake van geleden schade dient de Nationale Politie wel degelijk te voldoen, maar zij doet dit niet rechtstreeks, zij heeft daarvoor overeenkomsten afgesloten. Ter onderbouwing van die stelling heeft de Nationale Politie facturen overgelegd (productie 19) van [naam leasemaatschappij] , gericht aan het Korps Nationale Politie, en toegelicht dat [naam leasemaatschappij] middels die facturen de aanschaf, inclusief BTW, heeft doorbelast aan de Nationale Politie. Verder heeft de Nationale Politie facturen overgelegd en verklaringen waarmee is onderbouwd dat de kosten van schadeherstel – uiteindelijk – aan de Nationale Politie worden doorberekend. Deze met stukken onderbouwde toelichting is door de verdediging verder niet gemotiveerd betwist, zodat is komen vast te staan dat de Nationale Politie de gevorderde schade heeft geleden aan de voertuigen.
Politiefietsen
Voor het hof is voldoende komen vast te staan dat aan twee politiefietsen schade is toegebracht. Nu de omvang van deze laatstgenoemde schadeposten niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, zal het hof de totale omvang van de door de benadeelde partij geleden schade schatten op redelijkerwijs een bedrag van € 1.000,00 per fiets. Het hof wijst de vordering betreffende de politiefietsen toe tot dit bedrag en verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering.
De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen tot een bedrag van
€ 472.450,34 (voertuigen) en € 2.000,00 (fietsen), te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Reis- en proceskostenvergoeding
De advocaten van de benadeelde partij hebben verzocht om een reis- en proceskostenvergoeding. Zij hebben daarvoor aansluiting gezocht bij het voor de behandeling van civiele vorderingen in strafzaken gebruikelijke ‘liquidatietarief gerechtshoven’. De proceskosten bedragen 2x € 3.723,00 (= € 7.446,0) en de reiskosten bedragen € 2,05, derhalve totaal € 7.448,05.
De verdediging heeft op dit punt geen verweer gevoerd.
Nu de vordering wordt toegewezen zal de verdachte (hoofdelijk) worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt.
Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
[bedrijfsnaam 1]
Namens de benadeelde partij [bedrijfsnaam 1] (hierna: [bedrijfsnaam 1] ) is een bedrag van
€ 128.271,04 aan
materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van
de schadevergoedingsmaatregel. De schade betreft de dagwaarde van een uitgebrande
touringcar minus de restwaarde daarvan en de kosten van schadevaststelling.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 128.271,04.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De omvang van de schade is door de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en namens de
benadeelde partij voldoende onderbouwd met een expertiserapport van Dekra Automotive
van 6 maart 2024. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het gepleegde openlijke geweld ter grootte van het gevorderde bedrag. De gevorderde schadevergoeding acht het hof toewijsbaar, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die
de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De
benadeelde partij heeft als proceskosten een bedrag van € 2.057,71 opgevoerd, berekend aan
de hand van de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten. Het hof begroot de
proceskosten volgens het gebruikelijke liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven op € 1.929,00 (1 punt x liquidatietarief V). Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 41] (fotograaf)
Door de benadeelde partij [naam benadeelde partij 41] is een vordering tot schadevergoeding ingediend, waarbij een bedrag van € 370,00 aan immateriële schade wegens letsel aan zijn linkerarm en linkerbeen wordt gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 370,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdediging heeft de vordering niet betwist.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de openlijke geweldpleging. De verbalisanten die de aangifte van de benadeelde partij hebben opgenomen hebben de verwondingen op de bovenarm en het linker onderbeen geconstateerd. De vordering is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Een nadere onderbouwing met foto’s is gelet op de constateringen van de verbalisanten niet vereist. De gevorderde schadevergoeding acht het hof toewijsbaar nu er sprake is van letsel als bedoeld in artikel 6:106 sub b BW Pro.
De vordering van de benadeelde partij ter zake van immateriële schade zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die
de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 42]
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 42] vordert een bedrag van € 22.551,07 aan schadevergoeding,
te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering bestaat uit een bedrag van € 20.551,07 aan materiële schade (autoschade) en € 2.000,00 aan immateriële schade.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 22.551,07.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade door reparatiekosten,
is namens de verdachte onvoldoende gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij
voldoende onderbouwd. De benadeelde partij heeft op 17 februari 2024 om 17:58 uur zijn
auto geparkeerd op de Fruitweg in Den Haag, omdat hij een bruiloft bezocht in het
zalencentrum. Op 18 februari 2024 trof hij zijn auto beschadigd aan. Op grond van
het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde
partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaard feit. In de door de
benadeelde partij ingediende calculatie van de reparatiekosten van 8 maart 2024 is de
schade aan het voertuig gespecificeerd omschreven. Naar het oordeel van het hof is de hoogte van de schade hiermee afdoende onderbouwd. Of de desbetreffende reparatie daadwerkelijk is uitgevoerd doet daar niet aan af. Dit is geen vereiste om schade vast te kunnen stellen. Dat de benadeelde partij verzekerd zou zijn en in het verlengde daarvan reeds schadeloos gesteld zou zijn, volgt niet uit de stukken. Het hof acht dit deel van de vordering toewijsbaar.
Voor zover de vordering immateriële schade betreft zal het hof de benadeelde partij
niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering is door de verdachte gemotiveerd
betwist en door de benadeelde onvoldoende onderbouwd. Ook in hoger beroep heeft de benadeelde partij geen nadere onderbouwing gegeven. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen tot een bedrag van
€ 20.551,07, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Nu de vordering deels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten
die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt.
Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 43]
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 43] vordert een bedrag van € 4.286,66 aan materiële
schadevergoeding (schade aan een voorruit en een spiegel van de auto), te vermeerderen met
de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 4.286,66.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van de benadeelde partij in de vordering.
Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering is namens de verdachte gemotiveerd betwist en door de benadeelde niet nader onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil.
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 44]
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 44] vordert een bedrag van € 14.478,21 aan materiële
schadevergoeding (autoschade), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging
van de schadevergoedingsmaatregel.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 14.478,21.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering is namens de verdachte niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist en door
de benadeelde partij voldoende onderbouwd. De gevorderde schadevergoeding ter zake van reparatiekosten is met een calculatie van een schadeherstelbedrijf onderbouwd. Weliswaar dateert de calculatie voor de reparatiekosten van 7 mei 2024, maar uit de door de benadeelde partij in hoger beroep gegeven schriftelijke toelichting volgt dat eerdere schadevaststelling niet mogelijk was. Of de desbetreffende reparatie daadwerkelijk is uitgevoerd of door de benadeelde partij is betaald, of het gegeven dat de auto op een later moment verkocht zou zijn doet aan het voorgaande niet af. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de openlijke geweldpleging, te weten vernieling van haar auto, en het hof acht de gevorderde schadevergoeding toewijsbaar. te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die
de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 45]
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 45] vordert een bedrag van € 120,00 aan materiële
schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de
schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit de schade aan de ruit (eigen risico van
€ 75,00) en de reparatiekosten (€ 45,00).
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 120,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 75,00 ter zake van het eigen risico van de ruit, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in de vordering voor het overige.
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op het eigen risico van € 75,00, is door de verdachte onvoldoende gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Gelet daarop is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de openlijke geweldpleging. Het hof zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 75,00.
De verdediging heeft de reparatiekosten betwist en deze kosten zijn niet onderbouwd. De
benadeelde partij heeft dit deel van de vordering niet (nader) onderbouwd. De benadeelde partij thans nog de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de
vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen tot een bedrag van
€ 75,00 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Nu de vordering deels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten
die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 46]
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 46] vordert een bedrag van € 3.670,41 aan materiële schadevergoeding (goederen die uit een auto zijn verdwenen), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 3.670,41.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van de benadeelde partij in de vordering.
Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering is namens de verdachte gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. Op basis van de overgelegde stukken kan het hof niet vaststellen dat de goederen ten tijde van de openlijke geweldpleging in de auto lagen. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de
verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft
moeten maken. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil.
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 47]
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 47] vordert een bedrag van € 973,00 aan materiële schade,
te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De materiële schade bestaat uit het eigen risico voor de autoverzekering in verband met schade aan de auto (€ 150,00) en de premieverhoging van de autoverzekering voor de komende 5 jaren (€ 823,00).
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 973,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering is namens de verdachte onvoldoende gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd met een schadecalculatie van [autoschadeherstelbedrijf] en een brief van FBTO van 23 februari 2024, waarin staat dat FBTO de kosten van de reparatie betaalt aan ABS [autoschadeherstelbedrijf] , dat het eigen risico € 150,00 bedraagt en dat de premie stijgt door deze schade die het gevolg is van rellen. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de openlijke geweldpleging. De gevorderde schadevergoeding acht het hof dus toewijsbaar.
Ten aanzien van de kosten eigen risico zal het hof de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 17 februari 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die dag is ontstaan.
De schade als een gevolg van de stijging van de premie begroot het hof op een bedrag van € 823,00.
Ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag bestaande uit premiebedragen die in de toekomst verschuldigd zullen worden, zal het hof de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren Het hof beschikt niet over voldoende informatie om de ingangsdatum van de wettelijke rente over de verschillende bedragen te bepalen en het zou een onevenredige belasting vormen van het geding om dit nader te onderzoeken.
De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen tot een bedrag van
€ 823,00 en € 150,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over het bedrag € 150,00 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 150,00, en voor het overige zal het hof de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de vordering.
Nu de vordering grotendeels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 48]
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 48] vordert een bedrag van € 5.946,60 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het betreft verdwenen spullen uit de auto (€ 1.957,10), sleepkosten (€ 239,50) en het verschil tussen de (werkelijke) waarde en de dagwaarde van de auto (€ 3.750,00).
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 5.946,60.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 239,50 ter zake van sleepkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in de vordering voor het overige.
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de sleep- dan wel stallingskosten, is door
de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij deze schade rechtstreeks heeft geleden door het bewezenverklaard feit. Het hof zal de vordering daarom toewijzen tot een bedrag van € 239,50.
Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover deze betrekking heeft op de spullen in de auto ter waarde van € 1.957,10 en het bedrag van € 3.750,00 voor het verschil tussen de werkelijke waarde en de dagwaarde van de auto. Deze onderdelen van de vordering zijn namens de verdachte gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. Op basis van de overgelegde stukken kan het hof niet vaststellen dat de goederen ten tijde van de openlijke geweldpleging in de auto lagen en als gevolg daarvan verloren zijn gegaan. Met betrekking tot het verschil tussen de dagwaarde van de afgebrande auto en de (werkelijke) waarde daarvan overweegt het hof het volgende. Uit de overgelegde stukken blijkt dat op basis van een expertiserapport de dagwaarde van de auto is bepaald en dat de verzekering deze dagwaarde reeds heeft vergoed. Met het aankoopbewijs van een andere auto is onvoldoende onderbouwd dat de (werkelijke) waarde van de afgebrande auto ten tijde van het openlijk gepleegde geweld hoger lag dan de dagwaarde die door de verzekeringsmaatschappij is vastgesteld. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van deze delen van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen tot een bedrag van
€ 239,50 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Nu de vordering deels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten
die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 49]
Namens de benadeelde partij [naam benadeelde partij 49] is een vordering tot schadevergoeding ingediend, waarbij een bedrag van € 200,00 aan materiële schade wordt gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 200,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van de benadeelde partij in de vordering.
Het schadebedrag dat namens de benadeelde partij is gevorderd is het verschil tussen de aanschafwaarde van de auto (€ 8.900,00 op 30 december 2022) en het uitgekeerde schadebedrag op basis van de dagwaarde door de verzekeraar (op 23 februari 2024 vastgesteld op € 8.700,00). De benadeelde partij heeft, zo blijkt uit de overgelegde stukken, vanaf de aanschaf tot 17 februari 2024 ruim een jaar in de auto kunnen rijden. Gelet hierop moet het niet-vergoede bedrag van € 200,00 worden beschouwd als afschrijving op de auto en niet als schade die het gevolg is van de openlijke geweldpleging. Het hof zal de vordering van de benadeelde partij dan ook afwijzen.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de
verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft
moeten maken. Het hof begroot deze kosten op nihil.
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 50]
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 50] heeft blijkens het voegingsformulier een bedrag van € 25.272,98 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering bestaat uit een bedrag van € 272,98 aan materiële schade (verdwenen goederen) en een bedrag van € 25.000,00 aan immateriële schade (verergering hartritmestoornis en aantasting persoonlijke levenssfeer).
In hoger beroep heeft de benadeelde partij (de hoogte van) de vordering schriftelijk toegelicht. Het hof begrijpt de vordering van de benadeelde partij aldus dat thans nog een bedrag van € 2.500,00 aan immateriële schade wordt gevorderd en nu het bedrag aan materiële schade in de toelichting niet expliciet wordt genoemd, dat dat deel van de vordering wordt gehandhaafd. Het hof begrijpt aldus dat in totaal € 2.772,98 wordt gevorderd.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van de benadeelde partij in de vordering.
Het hof zal de benadeelde partij, voor zover de vordering ziet op de materiële schade, niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering is namens de verdachte gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. Op basis van de overgelegde stukken kan het hof niet vaststellen dat de goederen ten tijde van de openlijke geweldpleging in de auto lagen en er een rechtstreeks verband bestaat tussen de schade en dit feit.
Het hof zal de benadeelde partij eveneens niet-ontvankelijk verklaren voor zover de vordering ziet op de immateriële schade. Ook dit deel van de vordering is namens de verdachte gemotiveerd betwist en namens de benadeelde onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de
verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft
moeten maken. Het hof begroot deze kosten op nihil.
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 51]
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 51] vordert een bedrag van € 3.372,88 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de officier van justitie, opgemaakt op 10 juli 2024, blijkt dat de benadeelde partij zijn vordering reeds in eerste aanleg heeft verminderd tot een bedrag van € 400,00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 400,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van de benadeelde partij in de vordering.
Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering is namens de verdachte gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. Op basis van de overgelegde stukken kan het hof niet vaststellen dat het eigen risico € 400,00 bedroeg. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de
verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft
moeten maken. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil.
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 52]
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 52] vordert een bedrag van € 847,00 aan materiële schadevergoeding (auto), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 847,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 847,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering is door de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de openlijke geweldpleging. De gevorderde schadevergoeding acht het hof toewijsbaar, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die
de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 53]
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 53] vordert een bedrag van € 690,00 aan materiële schade, te
vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het gaat om eigen risico leaseauto (€ 300,00), schade aan een kinderzitje (€ 300,00) en kosten vervangend vervoer (€ 90,00).
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 690,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 190,00ter zake van het kinderstoeltje en de kosten van vervangend vervoer, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in de vordering voor het overige.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van het hof worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de openlijke geweldpleging. Op basis van de overgelegde stukken stelt het hof vast dat zich een kinderzitje in de auto van de benadeelde partij bevond dat door brand onbruikbaar is geworden. De waarde van het zitje is niet met stukken onderbouwd. Het hof maakt gebruik van haar schattingsbevoegdheid en stelt de schade vast op € 100,00. Voor de rest zal de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.
Gelet op de overgelegde foto’s van de forse autoschade is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij gebruik heeft moeten maken van vervangend vervoer. De kosten daarvan zijn niet onderbouwd. Het hof zal gebruikmaken van haar schattingsbevoegdheid en de schade vaststellen op € 90,00.
Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover deze het eigen risico betreft. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij niet onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
In totaal zal het hof dus een bedrag van € 190,00 toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Nu de vordering deels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 54]
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 54] vordert een bedrag van € 2.800,00 aan materiële schade, te
vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het betreft autoschade.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 2.800,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De omvang van de schade is namens de verdachte niet voldoende (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaard feit, ter grootte van het gevorderde bedrag. Dat de desbetreffende reparatie daadwerkelijk is uitgevoerd en door de benadeelde partij is betaald maakt het voorgaande niet anders en dat de benadeelde partij verzekerd zou zijn en in het verlengde daarvan reeds schadeloos gesteld zou zijn, volgt niet uit de stukken. De gevorderde schadevergoeding acht het hof toewijsbaar, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die
de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 55]
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 55] vordert een bedrag van € 5.524,42 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het gaat om autoschade.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 5.524,42.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van de benadeelde partij in de vordering.
Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering is namens de verdachte gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. Op basis van de overgelegde stukken kan het hof niet vaststellen dat de schade in een rechtstreeks verband staat met de openlijke geweldpleging, in aanmerking genomen dat in het rapport van 21 maart 2024 wordt vermeld dat het om schade door een aanrijding zou gaan. De door de benadeelde partij ingediende stukken roepen daarnaast ook vragen op over de hoogte van het vastgestelde schadebedrag en een
eventuele uitkering door de verzekering. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de
verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft
moeten maken. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 55, 57, 141 en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
30 (dertig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van die voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf.
Vordering van de benadeelde partij 3254616
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3254616 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3254616, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3254628
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3254628 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3254628, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3254839
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3254839 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3254839, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3254852
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3254852 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3254852, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3254857
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3254857 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 950,00 (negenhonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3254857, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 950,00 (negenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3254869
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3254869 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3254869, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3254922
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3254922 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 700,00 (zevenhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3254922, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3255764
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3255764 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3255764, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3255767
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3255767 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 700,00 (zevenhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3255767, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3256007
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3256007 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3256007, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3256014
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3256014 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3256014, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3256065
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3256065 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3256065, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3256279
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3256279 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3256279, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3256298
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3256298 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3256298, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3256309
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3256309 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3256309, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3256357
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3256357 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3256357, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3256367
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3256367 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3256367, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3256593
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3256593 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3256593, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3256600
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3256600 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3256600, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3256945
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3256945 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3256945, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3257688
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3257688 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3257688, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3258166
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3258166 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3258166, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3259023
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3259023 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3259023, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3259472
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3259472 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3259472, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3260529
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3260529 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3260529, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3272822
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3272822 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3272822, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 28]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 28] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 28] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 41]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 41] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 370,00 (driehonderdzeventig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 41] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 370,00 (driehonderdzeventig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 10]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 10] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 10] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 46]
Verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde partij 46] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 6]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 6] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 6] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 2] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 37]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 37] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 700,00 (zevenhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 37] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 52]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 52] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 847,00 (achthonderdzevenenveertig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 52] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 847,00 (achthonderdzevenenveertig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 13]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 13] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 13] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 8]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 8] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 8] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 17]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 17] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 17] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 54]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 54] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.800,00 (tweeduizend achthonderd euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 54] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.800,00 (tweeduizend achthonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 53]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 53] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 190,00 (honderdnegentig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 53] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 190,00 (honderdnegentig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 40]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 40] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 40] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 3 (drie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 5]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 5] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 5] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 48]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 48] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 239,50 (tweehonderdnegenendertig euro en vijftig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 48] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 239,50 (tweehonderdnegenendertig euro en vijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 27]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 27] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 27] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 11]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 11] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 11] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 24]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 24] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 24] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 4]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 4] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 4] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 50]
Verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde partij 50] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 26]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 26] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 26] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 38]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 38] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 700,00 (zevenhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 38] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 30]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 30] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 30] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 31]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 31] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 700,00 (zevenhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 31] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 44]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 44] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 14.478,21 (veertienduizend vierhonderdachtenzeventig euro en eenentwintig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 44] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 14.478,21 (veertienduizend vierhonderdachtenzeventig euro en eenentwintig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 7 (zeven) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 21]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 21] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 21] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 39]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 39] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 3.000,00 (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 39] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,00 (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 45]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 45] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 75,00 (vijfenzeventig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 45] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 75,00 (vijfenzeventig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 16]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 16] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 16] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 35]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 35] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 700,00 (zevenhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 35] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 22]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 22] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 22] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 19]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 19] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 19] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 55]
Verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde partij 55] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 29]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 29] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 29] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 12]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 12] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 12] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 34]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 34] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 700,00 (zevenhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 34] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 43]
Verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde partij 43] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 32]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 32] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 700,00 (zevenhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 32] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 49]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 49] tot schadevergoeding af.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 33]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 33] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 700,00 (zevenhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 33] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 7]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 7] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 7] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 18]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 18] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 18] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 15]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 15] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 15] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 9]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 9] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 9] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 36]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 36] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 700,00 (zevenhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 36] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 20]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 20] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 20] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 51]
Verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde partij 51] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 3]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 3] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 3] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 47]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 47] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 973,00 (negenhonderddrieënzeventig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag € 150,00 (honderdvijftig euro) vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 47] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 973,00 (negenhonderddrieënzeventig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag € 150,00 (honderdvijftig euro) vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade ter hoogte van € 150,00 (honderdvijftig euro) op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 25]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 25] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 25] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 23]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 23] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 23] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 42]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 42] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 20.551,07 (twintigduizend vijfhonderdeenenvijftig euro en zeven cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 42] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.551,07 (twintigduizend vijfhonderdeenenvijftig euro en zeven cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 9 (negen) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 14]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 14] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 14] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [bedrijfsnaam 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [bedrijfsnaam 1] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 128.271,04 (honderdachtentwintigduizend tweehonderdeenenzeventig euro en vier cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
2.057,71 (tweeduizend zevenenvijftig euro en eenenzeventig cent).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [bedrijfsnaam 1] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.929,00 (duizend negenhonderdnegenentwintig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 85 (vijfentachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij Nationale Politie
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Nationale Politie ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 474.450,34 (vierhonderdvierenzeventigduizend vierhonderdvijftig euro en vierendertig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 7.448,05 (zevenduizend vierhonderdachtenveertig en vijf cent).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Nationale Politie, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 474.450,34 (vierhonderdvierenzeventigduizend vierhonderdvijftig euro en vierendertig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 157 (honderdzevenenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij Veiligheidsregio Haaglanden
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Veiligheidsregio Haaglanden ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 250,00 (tweehonderdvijftig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Veiligheidsregio Haaglanden, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 februari 2024.
Dit arrest is gewezen door mr. E.C. van Veen, als voorzitter, en mr. M.C. Bruining en mr. F.W. Pieters, leden, in bijzijn van de griffiers mr. R. Rakić-Dieteren en mr. M.S. Karsters.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 juli 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s dan betreft dit de pagina’s van het procesdossier met onderzoeksnummer [nummer] , TGO Charlie24 (Algemeen Dossier p. 1-62, Aangiften dossier p. 1-761 en Persoonsdossier p. 1-238).
2.Proces-verbaal van bevindingen, p. 33 e.v. Algemeen dossier.
3.Proces-verbaal van bevindingen, p. 51 Algemeen dossier.
4.Proces-verbaal van bevindingen, p. 53 e.v. Algemeen dossier, Proces-verbaal van bevindingen, p. 6 e.v. Algemeen dossier en Proces-verbaal van aangifte [naam benadeelde partij 41] , p. 44 e.v. Aangiften dossier.
5.Proces-verbaal van bevindingen, p. 6 e.v. Algemeen dossier, Proces-verbaal van bevindingen, p. 55 e.v. Algemeen dossier, Proces-verbaal van bevindingen, p. 146-148 Aangiften dossier, Proces-verbaal van bevindingen, p. 99 Aangiften dossier.
6.Proces-verbaal van bevindingen, p. 7 Algemeen dossier.
7.Proces-verbaal van bevindingen, p. 8 Algemeen dossier.
8.Proces-verbaal van bevindingen, p. 7 Algemeen dossier en Proces-verbaal van bevindingen, p. 99 e.v. Aangiften dossier.
9.Proces-verbaal van aangifte van [naam benadeelde partij 34] , p. 178 Aangiften dossier.
10.Proces-verbaal van bevindingen, p. 291 Aangiften dossier.
11.Proces-verbaal van bevindingen, p. 17 e.v. Algemeen dossier.
12.Proces-verbaal van bevindingen, p. 55 e.v. Algemeen dossier en Proces-verbaal van bevindingen, p. 17 e.v. Algemeen dossier.
13.Proces-verbaal van aangifte [aangever 1] namens Gemeente Den Haag, p. 602 Aangiften dossier.
14.Proces-verbaal van bevindingen, p. 56 Algemeen dossier.
15.Proces-verbaal van aangifte [naam benadeelde partij 5] , p. 250 Aangiften dossier.
16.Proces-verbaal van bevindingen, p. 5 e.v. Algemeen dossier.
17.Proces-verbaal van bevindingen, p. 51 Algemeen dossier.
18.Proces-verbaal van bevindingen, p. 56 Algemeen dossier.
19.Proces-verbaal van bevindingen, p. 56 Algemeen dossier, Proces-verbaal van bevindingen, p. 8 Algemeen dossier en Proces-verbaal van bevindingen, p. 18 Algemeen dossier.
20.Proces-verbaal van relaas verbalisant [naam verbalisant 2] , p. 10 van het relaas Algemeen dossier.
21.Proces-verbaal van bevindingen, p. 56 Algemeen dossier.
22.Proces-verbaal van aangifte [aangever 2] , p. 596 Aangiften dossier.
23.Proces-verbaal van bevindingen, p. 8 Algemeen dossier.
24.Proces-verbaal van aangifte [aangever 3] , p. 602 Aangiften dossier en een geschift, zijnde digitale aangifte door de Gemeente Den Haag, Publiekszaken, p. 638 Aangiften dossier.
25.Proces-verbaal van aangifte [aangever 4] namens [bedrijfsnaam 2] , p. 743 Aangiften dossier.
26.Proces-verbaal van aangifte [naam benadeelde partij 42] , p. 653 Aangiften dossier, Proces-verbaal van aangifte [naam benadeelde partij 46] , p. 682 Aangiften dossier, en Proces-verbaal van aangifte [aangever 5] , p. 659 Aangiften dossier.
27.Proces-verbaal van bevindingen, p. 56 Algemeen dossier, Proces-verbaal van aangifte [aangever 6] , p. 44 e.v. Aangiften dossier, en Proces-verbaal van aangifte [aangever 7] , p. 56 e.v. Aangiften dossier.
28.Proces-verbaal van aangifte [aangever 8] , p. 295 Aangiften dossier, Proces-verbaal van bevindingen, p. 203 e.v. Aangiften dossier, Proces-verbaal van bevindingen, p. 171 Aangiften dossier, Proces-verbaal van bevindingen, p. 110 en Proces-verbaal van aangifte 3254852, p. 482 Aangiften dossier.
29.Proces-verbaal van aangifte [naam benadeelde partij 40] , p. 212 e.v. Aangiften dossier.
30.Proces-verbaal van bevindingen, p. 142 e.v. Aangiften dossier.
31.Proces-verbaal aangifte [bedrijfsnaam 1] , p. 745 e.v. Aangiften dossier.
32.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 3 e.v. Persoonsdossier en Proces-verbaal van bevindingen, p. 58 e.v. (Persoonsdossier).
33.Het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict D TGO Charlie24 (losbladig).
34.Proces-verbaal aangifte [bedrijfsnaam 1] , p. 745 e.v. Aangifte dossier.
35.Het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 februari 2025.
36.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 3 e.v. Persoonsdossier.
37.Proces-verbaal van bevindingen, p. 58 e.v.(Persoonsdossier.
38.Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 11 februari 2025.
39.Rapport Vergelijking gezichtsbeelden naar aanleiding van brandstichting en openlijke geweldpleging op 17 februari 2024 te Den Haag van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, d.d. 24 maart 2026, opgesteld en ondertekend door NFI deskundige prof. dr. Z.J.M.H. Geradts, p. 1-9, met 2 bijlagen p. 1-4.
40.NFI rapport, p. 8.
42.ECLI:NL:HR:2003:AL6209 en de daarin genoemde wetsgeschiedenis.
47.Hoge Raad 2 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:822.