ECLI:NL:GHDHA:2026:2321

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
22-002597-24
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 131 SrArt. 36f SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens opruiing en openlijk geweld bij Eritrees feest in Den Haag

Op 17 februari 2024 vonden bij het zalencentrum Opera in Den Haag ongeregeldheden plaats tijdens een bijeenkomst van aanhangers van het Eritrese regime. Tegenstanders van het regime, waaronder de verdachte, pleegden openlijk geweld tegen politie, brandweer, journalisten en goederen, waaronder brandstichting van voertuigen en vernielingen.

De verdachte werd tevens schuldig bevonden aan medeplegen van opruiing via een TikTok-livestream op 13 februari 2024, waarin werd opgeroepen tot geweld tegen de aanwezigen op het feest. Het hof oordeelde dat de verdachte een significante bijdrage leverde aan het geweld en opruiing, en dat sprake was van nauwe en bewuste samenwerking met anderen.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 12 maanden op, waarvan 4 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast werd de verdachte hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor aanzienlijke schadevergoedingen aan politieambtenaren, de Nationale Politie, Veiligheidsregio Haaglanden, een touringcarbedrijf en diverse andere benadeelden. De schadevergoedingen omvatten zowel materiële als immateriële schade, met wettelijke rente en proceskosten.

De verdediging voerde onder meer aan dat de verdachte slechts beperkt betrokken was en dat vertalingen van de livestream onvolledig en beeldend waren, maar het hof verwierp deze verweren. Het hof benadrukte de ernst en impact van het geweld en de opruiing, en vond de opgelegde straf proportioneel en passend.

De uitspraak werd gedaan door het Gerechtshof Den Haag op 16 juli 2026, waarbij het vonnis van de rechtbank werd vernietigd en het hof opnieuw recht deed met de hierboven beschreven straf en schadevergoedingen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 4 voorwaardelijk, en hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor aanzienlijke schadevergoedingen wegens medeplegen van opruiing en openlijk geweld.

Uitspraak

Rolnummer: 22-002597-24
Parketnummer: 09-054699-24
Datum uitspraak: 16 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 19 juli 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Eritrea) op [geboortedatum] 2000,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren. Voorts is een beslissing genomen op de vorderingen van de benadeelde partijen zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Niet alle vorderingen van de benadeelde partijen zijn in hoger beroep gehandhaafd. De benadeelde partijen die in eerste aanleg niet-ontvankelijk zijn verklaard in hun vordering en zich – hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld – in hoger beroep niet opnieuw hebben gevoegd, zijn thans niet meer aan de orde.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 13 februari 2024 te 's-Gravenhage, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in het openbaar mondeling, tot enig strafbaar feit heeft opgeruid door in een openbaar toegankelijke livestream op het social media platform TikTok met meerdere personen op te roepen om op 17 februari 2024 naar de locatie van een Eritrees feest te gaan en daar geweld te gebruiken en/of te gaan vechten en/of te strijden (tegen onder andere de personen op dat feest), door onder meer de volgende woorden te gebruiken:
- " Alle jongvolwassenen moeten zich klaarmaken, zodra jullie het adres krijgen verwachten wij jullie allemaal daar te komen" en/of
- " Ze moeten verdwijnen" en/of
- " Ons doel moet wel zijn dat wij hun hoofd slaan en terugsturen naar hun land" en/of
- " Als jij toch komt, laat je kinderen thuis. Wij waarschuwen ook alle moeders niet te komen. Vooral geen kinderen. Desnoods sturen jullie jullie volwassen kinderen. Wij gaan zien wie het gaat overleven" en/of
- " In dit land gaan wij het overleven of zij gaan het overleven. Dit wordt onze laatste strijd" en/of
- " Wij gaan vechten en bloed laten vloeien" en/of
- “ Vrijdag horen wij waar het wordt georganiseerd” en/of
- " Wij willen niet de strijd aangaan maar als zij ons doorkruisen en daar komen dan moeten zij weten wat hun te wachten staat. Dat wordt dan pijn lijden. Zij zijn onze vijanden" en/of
- " De groep bloeddorstige slaven zijn grote feest aan het voorbereiden in Nederland. Iedereen jong en oud stand-by, moeten klaar zijn en klaar staan om deze groep tot as te veranderen" en/of
- " Je kan thuis opgesloten zonder iets te doen doodgaan, of sterven voor je rechten tijdens de strijd, dat is iets groots. Je gaat toch een keer dood. Laat staan hier, wij willen zelf de strijd aangaan aan de front om ons op te offeren. Jezelf opofferen hier of aan de front is hetzelfde", en/of
- “ Weet je wat het is, wij zijn echt aardige strijders en zijn niet gemeen, we laten het van te voren weten. We zeggen dat als er iets gaat gebeuren, dat je dat weet. Er kan iets gebeuren, dus kom dan niet of breng je kinderen niet mee. Als jullie dan echt willen komen, kom dan alleen.”, en/of
- “ Als het via plan A wel of niet lukt, herken je broeder, je moet weten wie je medestrijder is en dan kan je overleggen. Begrijpen jullie mij? Laten wij dit doen, mijn broeders. Bedankt, [persoon hierna ook spreker 2] mijn broer dat je mij deze kans hebt gegeven. Ik zie jullie allemaal, mijn medestrijders.”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking;
2.
hij op of omstreeks 17 februari 2024 te ‘s-Gravenhage openlijk, te weten, op en/of aan de Fruitweg en/of Parallelweg, althans in de nabijheid en/of in de buurt van het zalencentrum Opera (gelegen aan de Fruitweg), in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen:
- personen, te weten politieambtenaren en/of brandweerpersoneel en/of journalisten en/of fotografen en/of personen in het zalencentrum Opera, en/of;
- goederen, te weten politievoertuigen en/of personenauto’s en/of een touringcar en/of één of meerdere gebouwen (onder andere zalencentrum Opera en/of naastgelegen en/of in de (directe) nabijheid gelegen gebouwen en/of een tankstation), door (meermalen):
- ( met stokken, stenen, messen en/of andere voorwerpen in de hand) (gegroepeerd) zich dreigend op te houden en/of op te stellen tegen en/of de confrontatie te zoeken/aan te gaan met de politie en/of brandweer en/of journalisten en/of fotografen, en/of;
- het zalencentrum Opera te bestormen en/of te proberen binnen te dringen (onder andere door (met meerdere personen tegelijk) op de politie en/of het zalencentrum Opera af te gaan/te rennen en/of te proberen zich door linies van de politie heen te dringen), en/of;
- ( stukken/brokken van) stoeptegels en/of stenen en/of fietsen en/of straatmeubilair en/of vuurwerk en/of brandend/brandbaar materiaal en/of één of meerdere andere voorwerpen, naar/tegen voornoemde personen en/of goederen te gooien, en/of;
- één of meerdere (politie)voertuigen en/of een touringcar in brand te steken.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

De beoordeling

Inleiding
Op 17 februari 2024 vond in het Opera Zalencentrum (hierna: het zalencentrum), gelegen aan de [adres 1] te Den Haag, een bijeenkomst plaats, georganiseerd door de Federatie Eritrese Gemeenschappen in Nederland. Deze federatie vertegenwoordigt Eritreeërs die voornamelijk tijdens de onafhankelijkheidsoorlog tussen 1961 en 1991 naar Nederland gevlucht zijn, veelal voorstander van het huidige Eritrese regime. In het zalencentrum waren zo’n 1500 personen aanwezig, waaronder hiervoor genoemde voorstanders.
Ongeveer 300 tot 500 andere Eritreeërs zijn op de hoogte geraakt van de locatie van deze bijeenkomst en hebben zich vanaf 16:00 uur (na)bij het zalencentrum verzameld. Deze personen waren voornamelijk Eritreeërs die na 1998 uit Eritrea zijn gevlucht voor het beleid van het huidige Eritrese regime en zijn daarom tegenstanders van dat regime (hierna ook genoemd: de tegenstanders). De politieke tegenstellingen tussen beide groepen veroorzaken spanning tussen de Eritreeërs buiten Eritrea. Die dag vanaf omstreeks 16:45 uur tot omstreeks 20:30 uur vonden bij het zalencentrum ongeregeldheden plaats. In verband daarmee zijn verschillende personen, waaronder de verdachte, aangehouden.
Aan de verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan openlijk geweldpleging en daarmee – samen met anderen – strafrechtelijk aansprakelijk is voor dit geweld. Voorts is aan de verdachte opruiing ten laste gelegd.
Feit 2 – Openlijk geweld
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte slechts gedurende een beperkte periode betrokken is geweest bij de geweldhandelingen op de Fruitweg. Verder dient de verdachte te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde handelingen, in ieder geval voor zover deze zien op brandstichting.
Bewijsoverwegingen
De feiten [1]
Voorafgaand aan 17 februari 2024
Op 13 februari 2024 is door tegenstanders van het huidige regime in Eritrea een TikTok livestream uitgezonden waarbij de op 17 februari 2024 door de aanhangers voorgenomen bijeenkomst werd besproken en waarbij besproken is om de bijeenkomst te verstoren. [2] Nadien is de locatie van de bijeenkomst bekend geworden en gedeeld via social media. [3]
De ongeregeldheden
Op 17 februari 2024 omstreeks 16:00 uur verzamelden zich in de omgeving van het zalencentrum verschillende personen. [4] Aanvankelijk was de sfeer beheersbaar, maar omstreeks 16:45 uur werden verbalisanten met stenen bekogeld. Toen omstreeks 17:15 uur
bikers(politie te fiets) een aanhouding wilden verrichten, werd een fiets afgepakt en kreeg een agent deze fiets op zich gegooid. De sfeer sloeg vanaf dit moment om en de mobiele eenheid (hierna: de ME) moest de
bikersontzetten. [5]
Omstreeks 17:45 uur waren ruim 300 tegenstanders in de buurt van het zalencentrum aanwezig. Ze probeerden het zalencentrum binnen te dringen en er werd geweld gebruikt tegen de verbalisanten: er was sprake van het gooien van stenen, het gooien van brandbaar materiaal en het bij zich dragen van dikke stokken (slagwapens) en grote messen. [6] Ook werd met vuurwerk gegooid. [7] Door de ME is geprobeerd de tegenstanders weg te drijven, onder meer door middel van meerdere linies, maar telkens werd door tegenstanders richting de linie gelopen en met stenen en fietsen naar de politie gegooid. Ook werden ijzeren palen uit de grond getrokken. [8] De ME kreeg de opdracht om dynamisch op te treden: met het voertuig een groep benaderen, uitstappen, vegen en weer instappen. Dit is door de ME meerdere keren en op meerdere locaties rondom het zalencentrum uitgevoerd tot ongeveer 20:00 uur. Tijdens deze acties werd de ME telkens belaagd. Zo kreeg een ME-lid stenen van de voorkant en de achterkant, op zijn beenkappen, het schild, de helm en in de zij en werd er op een ME-lid ingeslagen met slagwapens en geprobeerd haar schild en wapenstok af te pakken. Er werd pepperspray gebruikt om hen op afstand te houden. [9] Ook werd er brandbaar materiaal onder een politievoertuig gegooid [10] en kwamen personen met de palen van verkeersborden op de voertuigen van de ME af en werd geprobeerd deze door de ME-voertuigen te boren. [11]
Omstreeks 18:51 uur stond een politievoertuig op de rotonde bij het zalencentrum in brand en iets na 19:00 uur stond een ander politievoertuig bij het zalencentrum in brand. De brand sloeg vervolgens over op het zalencentrum, waarna de voorzijde van het zalencentrum in brand stond. [12] De ramen van dat pand barstten. [13] De ter plaatse komende brandweereenheid werd bij aankomst direct belaagd met stenen door meerdere personen, waardoor de brandweerlieden zich bedreigd voelden en direct zijn doorgereden naar de kazerne. [14] Ondertussen keerde een groep van ongeveer 200 personen, voorzien van slagwapens en stenen, om 19:05 uur terug over de Fruitweg, met de kennelijke bedoeling om het zalencentrum te bestormen. [15] De ME vormde op dat moment een cordon om het zalencentrum, om collega’s en de personen in het zalencentrum te beschermen. Rond 19:20 uur werd de druk op het cordon onhoudbaar en werd voor de veiligheid van de opsporingsambtenaren toestemming gegeven voor de inzet van traangas, maar ook dat weerhield de tegenstanders er niet van om geweld te blijven plegen: er werd volop met straatstenen en straatmeubilair gegooid. [16] Daarnaast zijn ME’ers op deze avond bekogeld en aangevallen met allerhande wapens, kettingsloten, straatmeubilair , (bak)stenen en vuurwerk. [17] Om 19:23 uur werd het zalencentrum opnieuw bestormd door een aantal personen en werd er brandend materiaal naar binnen gegooid. [18]
Om iets voor 20:00 uur werd een touringcar die geparkeerd stond in de directe nabijheid van het zalencentrum, te weten in de Dynamostraat nabij de ingang van de HTM-remise, in brand gestoken. Diverse voertuigen rondom de touringcar raakten eveneens in brand en het gebouw, waarnaast de touringcar geparkeerd stond, liep gevaar om in brand te vliegen. [19] Tijdens het blussen van de touringcar werd de brandweer bekogeld met stenen [20] . Om 20:31 uur was de brand van de touringcar onder controle en omstreeks 20:33 uur bewogen de groepen tegenstanders zich richting het Zuiderpark. Om 21:34 uur was het weer rustig op de Fruitweg en de Troelstrakade. [21]
Ten gevolge van de ongeregeldheden zijn verschillende ME-voertuigen zwaar beschadigd geraakt; schade bestaande uit onder andere lakschade, kapotte ramen, lekke banden en gaten in de flanken van de politievoertuigen. [22] Twee politievoertuigen zijn geheel uitgebrand. [23] Door de hitte van de brandende voertuigen zijn onder meer ramen gebarsten in het zalencentrum en is op diverse plekken het wegdek beschadigd. [24] Bij het tankstation Avia Express zijn wapperborden en prullenbakken gestolen dan wel in brand gestoken/vernield. [25] Verder zijn personenauto’s beschadigd geraakt of geheel uitgebrand. [26]
Als gevolg van de ongeregeldheden en de stenen en voorwerpen die zijn gegooid, zijn tientallen politieambtenaren en anderen gewond geraakt. [27] De verwondingen bestonden vooral uit blauwe plekken, (schaaf)wonden, zwellingen, verrekkingen en kneuzingen. [28] Een ME-lid heeft een harde klap gekregen tegen het vizier van haar helm, waardoor haar linker voortand door haar bovenlip is geschoten en is afgebroken [29] en een ander ME-lid heeft als gevolg van de harde klappen op haar helm en de ME-bus waarin zij reed een suis in het linkeroor. [30]
Het handelen van de verdachte
Verbalisant [naam verbalisant 1] heeft camerabeelden bekeken van de ongeregeldheden in een straal van 1 kilometer vanaf het zalencentrum aan de Fruitweg. Het gaat om de camerabeelden van de [adres 2] en [adres 3] . De verdachte wordt als zodanig op de beelden door de verbalisant herkend aan de hand van foto’s die na zijn aanhouding van de verdachte zijn gemaakt.
Op de beelden van de [adres 2] ziet de verbalisant dat de verdachte om 17:20 uur gezamenlijk met een groep mannen over de Fruitweg in de richting van het zalencentrum rent. In zijn rechterhand heeft de verdachte een lang object vast, gelijkend op een wandelstok. Omstreeks 17:46 uur beweegt de verdachte zijn rechterarm naar achteren en beweegt deze vervolgens met snelheid naar voren in de richting van de politielinie. Op de beelden van de [adres 3] ziet de verbalisant dat de verdachte om 17:47 uur (1 à 2 minuten tijdsverschil met deze camera) een bukkende beweging maakt waarbij zijn rechterhand naar de grond beweegt. Vervolgens beweegt hij zijn rechterarm naar achteren en met snelheid naar voren in de richting van de politielinie. Op de beelden van de [adres 2] is om 17:49 uur te zien dat de verdachte probeert een omgevallen verkeerspaal op te tillen. De verdachte krijgt enkele seconden later van een ander een steen overhandigd en de verdachte beweegt wederom zijn rechterarm naar achteren en vervolgens met snelheid naar voren in de richting van de politielinie. De verdachte loopt omstreeks 20:06 uur met een groep mannen over de Fruitweg in de richting van het zalencentrum. [31]
Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij bij de ongeregeldheden op 17 februari 2024 aanwezig was, dat hij twee stenen heeft gegooid, dat hij een stok in zijn hand heeft gehad en dat hij geprobeerd heeft een verkeerspaal op te tillen. [32] Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard zichzelf herkend te hebben op de camerabeelden. Hij heeft gezien dat zaken in brand gingen; voor zover hij zich dat kan herinneren was het een auto die in brand stond. [33]
Het beoordelingskader voor openlijk geweld
Het hof dient te beoordelen of de verdachte medepleger is van openlijk gepleegd geweld en zo ja, voor welk gepleegd geweld hij strafrechtelijk aansprakelijk is.
Voor het “in vereniging” plegen van openlijk geweld moet worden nagegaan of sprake is van nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het openlijk geweld. Daarbij kan van belang zijn dat openlijke geweldpleging in vereniging, gelet op de aard van het delict, zich in verschillende vormen kan voordoen. Er kan sprake zijn van evident nauw en bewust samenwerken, maar deze strafbaarstelling is ook toepasselijk op openlijk gepleegd geweld dat bestaat uit een meer diffuus samenstel van uiteenlopende tegen personen of goederen gerichte geweldshandelingen dat plaatsvindt binnen een ongestructureerd, mogelijk spontaan, samenwerkingsverband met een eigen – soms moeilijk doorzichtige – dynamiek. De vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan dus bij dit delict verschillende verschijningsvormen hebben. [34]
Van het “in vereniging” plegen van geweld is sprake indien de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, waarbij deze bijdrage zelf niet gewelddadig hoeft te zijn. [35] De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die “in vereniging” geweld pleegt. [36] Welbewust een bijna zekere confrontatie aangaan en meegaan in de aanvalsgolf met anderen kan daarentegen wel van voldoende gewicht zijn. [37] Gedragingen die bijdragen aan de sfeer van ontremming kunnen een significante of wezenlijke bijdrage zijn. Een bijdrage van voldoende gewicht kan mede bestaan uit het filmen van de geweldshandelingen als onderdeel van een gezamenlijke actie. [38] De rechter moet beoordelen of de door de verdachte geleverde bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is. [39]
Voortdurend openlijk geweld in vereniging
Op basis van de hiervoor gebruikte bewijsmiddelen stelt het hof vast dat tegenstanders van het regime in Eritrea op 17 februari 2024 naar het zalencentrum zijn gegaan om te demonstreren tegen de bijeenkomst die daar op dat moment plaatsvond. Het gemeenschappelijke doel van de groep was om die bijeenkomst te laten stoppen. Buiten het zalencentrum ontstonden op een gegeven moment ongeregeldheden. Daarbij hebben de geweldshandelingen, zoals die zijn ten laste gelegd achter de gedachtestreepjes, zich allemaal voorgedaan.
Verder staat vast dat rond 16:45 uur voor het eerst buiten het zalencentrum naar de politie met stenen werd gegooid. Het geweld escaleerde nadat twee politie
bikerseen aanhouding wilden verrichten. De groep tegenstanders was op dat moment aangezwollen tot ongeveer 300 personen. Er ontstond een continu proces van geweld dat gericht was tegen de politie en politievoertuigen, waarbij de tegenstanders bij het zalencentrum naar binnen wilden komen. Nadat de politie diverse maatregelen had genomen om het zalencentrum te beschermen, de groep uiteen te drijven en te verjagen, is het geweld (deels) verplaatst van de Fruitweg in de richting van de Parallelweg en uitgewaaierd op en in de nabije omgeving van deze twee wegen. Nadien is een groep van 200 personen teruggekeerd naar de Fruitweg, waar rond 21:30 uur de rust weerkeerde.
Het geweld voltrok zich dus op plekken die zich op een geringe afstand van elkaar bevonden, in een tijdsbestek van vier uren, waarbij tegenstanders van de bijeenkomst in het zalencentrum zich doorlopend met geweld tegen de politie keerden. Er deed zich een groepsdynamiek voor waarbij een groot aantal individuele personen op elkaar reageerden door mee te doen aan de gewelddadigheden. Een sfeer van ontremming ontstond, waarin het gewelddadige gedrag van de één bevorderde dat de ander mee ging doen of mee bleef doen met het plegen van geweld en het geweld bleef voortduren en escaleerde. Het geweld tegen de politie en de brandstichtingen aan de voertuigen dienden hetzelfde achterliggende doel, namelijk het verstoren van de bijeenkomst van de aanhangers in het zalencentrum. Naar het oordeel van het hof kan het geweld, waaronder de brandstichtingen, dan ook worden aangemerkt als één geheel van geweldshandelingen dat in vereniging is gepleegd.
Uit de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte in ieder geval vanaf 17:20 uur ter plaatse is geweest en in ieder geval tot 20:06 uur actief heeft bijgedragen aan het jegens de verbalisanten en goederen gepleegde openlijk geweld. Uit de camerabeelden en de verklaring van de verdachte blijkt dat de verdachte na de eerste brandstichting zich niet heeft onttrokken aan de ongeregeldheden maar daarna nog geruime tijd in de directe nabijheid van het zalencentrum is gebleven. Ook toen de touringcar nabij het zalencentrum in brand stond, heeft de verdachte zich niet gedistantieerd. Daarmee is hij, naast de hiervoor beschreven handelingen, de groep van relschoppers getalsmatig blijven versterken in de confrontatie die op dat moment plaatsvond met de politie. Hieruit volgt dat het opzet van de verdachte zich (ook) uitstrekte tot het geweld dat anderen in het geheel van geweldshandelingen pleegden, waaronder de brandstichtingen.
Het verweer van de verdediging dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de in de tenlastelegging weergegeven brandstichtingen wordt dan ook verworpen.
Feit 1 – Opruiing
Het beoordelingskader voor opruiing
Bij de beoordeling of de door een verdachte gedane uitingen aansporen tot enig strafbaar feit en dus ‘opruiend’ zijn in de zin van artikel 131 Wetboek Pro van Strafrecht (Sr), komt betekenis toe aan de inhoud en de strekking van de gedane uitingen in hun onderlinge samenhang bezien, alsmede de context waarin deze uitingen aan het publiek zijn geopenbaard (vgl. HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2020). Niet is uitgesloten dat ook een indirecte aansporing tot enig strafbaar feit kan worden aangemerkt als opruiing (vgl. HR 24 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:447). Om tot een bewezenverklaring van opruiing te komen, is niet vereist dat de opruiing enig gevolg heeft gehad. Ook is niet vereist dat vast komt te staan dat redelijkerwijs waarschijnlijk is te achten dat het strafbare feit waartoe is opgeruid, zal plaatsvinden. In het begrip ‘opruiing’ als bedoeld in artikel 131 lid 1 Sr Pro ligt opzet besloten. Voor een bewezenverklaring van opruiing is daarom ten minste vereist dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn uitingen derden aansporen tot strafbaar gedrag of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (vgl. HR 5 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1573).
Feiten en omstandigheden
Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat de verdachte op 13 februari 2024 onder de naam ‘ [gebruikersnaam van verdachte] ’ heeft deelgenomen aan een livestream op TikTok. Naast de verdachte namen nog andere TikTok gebruikers deel aan de livestream. Op 14 februari 2024 is een video van deze livestream online geplaatst op een openbaar, voor iedereen toegankelijk Youtube account. Het desbetreffende Youtube account telde op dat moment 12.200 volgers en sinds het plaatsen van de video van de livestream is deze tot het moment van het opmaken van het proces-verbaal van bevindingen op 15 februari 2024 in totaal 5.900 keer bekeken. [40] Delen van de livestream zijn op verschillende momenten in deze strafprocedure vertaald door beëdigde tolken, aanvankelijk in opdracht van de politie en daarna in opdracht van de verdediging. De in de (gewijzigde) tenlastelegging opgenomen delen van de livestream zijn gebaseerd op voornoemde vertalingen. Naar aanleiding van een regiezitting bij het hof is een groter deel van de livestream vertaald door ‘ [naam tolk- en vertaaldienst 1] ’ (hierna: de hofvertaling). [41] Uit de hofvertaling volgt dat andere gebruikers de verdachte aanduiden als ‘ [bijnaam 1 van verdachte] ’ of ‘ [bijnaam 2 van verdachte] ’ en dat degene die ‘spreker 2’ (alias/naam niet zichtbaar, droeg een geel T-shirt en blauwe sjaal) door andere deelnemers aan de livestream wordt aangeduid als ‘ [spreker 2] ’. Niet is weersproken dat spreker 2 ( [spreker 2] ) de leiding in het gesprek had en ook de verdachte had een actieve rol in het gesprek. Voor zover delen van de vertalingen overlappen, constateert het hof dat de inhoud van de vertalingen op hoofdlijnen overeenkomt. Voor het bewijs gebruikt het hof de hofvertaling voor de context. De vertalingen die in opdracht van de politie [42] en in opdracht van de verdediging zijn gemaakt [43] bevatten de uitingen die zijn opgenomen in de tenlastelegging.
De raadsman heeft er op gewezen dat bij de interpretatie van de livestream behoedzaamheid is vereist nu niet de gehele livestream is vertaald, maar slechts delen daarvan.
Het hof onderkent dat niet het gehele gesprek is vertaald, maar merkt nog op dat de verdediging naar aanleiding van een regiezitting in hoger beroep in de gelegenheid is gesteld aan te geven van welke delen uit de livestream, die zij relevant acht, zij een (nieuwe) vertaling wilde. Daarbij geldt dat in ieder geval de verdachte in staat moet worden geacht de in dit verband relevante delen van de livestream te identificeren.
Blijkens de hofvertaling [44] is onder meer het hiernavolgende gezegd tijdens de livestream.
Vanaf minuut 1:05 zegt ‘spreker 2’ ( [spreker 2] ): “Ja, het is op de 17e van de tweede maand van 2024. Het is op zaterdag. Je ontvangt het adres van de locatie van de leiding. Iedereen moet “standby” zijn. Maak je klaar. Degenen onder jullie die in Nederland wonen. Het is de begrafenis van PFDJ-slaven. (…) Daarom bestaat er niet zoiets als broederschap met deze mensen. Ze zijn in principe onze vijanden. Simpel. Dus, op deze dag, degenen onder jullie die in Nederland wonen, maak jullie klaar. Zodra je informatie krijgt over het adres, moet je er onmiddellijk zijn. Het betekent dat we elkaar daar zullen ontmoeten.””
Vanaf minuut 03:31 zegt ‘ [naam persoon 2] ’ onder meer: “Wat er in Gissen of Zweden is gebeurd zal zich herhalen. (…) We zullen er een begrafenis of zoiets van maken. Ze zullen Fenkil2 zeggen, maar ze moeten vernietigd worden. Als ze vernietigd worden, dan is het daarna voorbij.
Vanaf minuut 06:57 zegt ‘ [naam persoon 3] ’ onder meer: “ [naam persoon 4] en [bijnaam 1 van verdachte] , jullie hebben het al eerder gezegd. Het is een goede ontwikkeling. Ze zullen het nooit in dit land organiseren. Het is ondenkbaar. Het zal nooit gebeuren. Want we zijn allemaal gelijk in dit land. Ze hebben zelfs een verblijfsvergunning op onze naam gekregen. (…)
Maar ons doel is gericht op het redden van degenen die leven, niet degenen die al zijn gestorven. Voor degenen die naar dit land komen en feesten, zouden we een klap op hun voorhoofd of hoofd moeten geven en ervoor zorgen dat ze hier blijven, zodat wij naar ons land kunnen gaan.”
Vanaf minuut 08:53 zegt [naam persoon 5] onder meer: “Oké, echt, jullie zijn allemaal vechters. De berichten die jullie verspreidden waren erg goed. Ik wil jullie graag aanmoedigen. De strijd bereikt zijn laatste fase. En als je het einde nadert, moet je met veerkracht vechten. Dus om te winnen, of je nu wint of verliest, is de laatste fase belangrijk. Dus tijdens deze overwinningstijd moeten we onze veerkracht versterken door onze verschillen te belichten. Net zoals toen we samen vochten, zoals we vroeger zeiden "het zal nooit gebeuren", moeten we ons nu ook meer inspannen om ervoor te zorgen dat het nooit zal gebeuren. We moeten dus allemaal deelnemen, verenigd net als in het verleden, aan dit dat in Nederland wordt georganiseerd. Ik moedig jullie dus aan. (…) We moeten onze veerkracht versterken en onze strijd tot het eind brengen. (…)
Vanaf minuut 12:51 zegt [naam persoon 6] onder meer: “Wees dapper. Of ze nu met andere namen komen of op welke manier dan ook, ik garandeer je dat we zullen komen. Laat ze komen. Laat ze komen en we zullen zien wat ze zullen doen. Ze zullen ofwel de handdoek die ze hebben meegebracht opvouwen en teruggaan, of ze zullen huilen terwijl ze nog thuis zijn. We zullen op ze wachten tot ze het geld dat ze hebben betaald kwijt zijn. Hoe dan ook, we zijn er allemaal klaar voor. We stonden altijd aan de kant van de onderdrukten en niet aan de kant van een dictator. Wees dapper, Brigade zal winnen.”
Vanaf minuut 13:43 zegt [gebruikersnaam van verdachte] (de verdachte) onder meer: “En nu ik het er toch over heb, die aanhangers, jullie beschuldigen ons door te zeggen: "Jullie slaan vrouwen, jullie slaan kinderen" en dat soort dingen. Maar wij zijn vriendelijke strijders. Wij zijn niet wreed. Wij informeren vooraf. Wij zeggen vooraf: doe dit niet om te voorkomen dat het gebeurt. Wij vragen jullie om zonder jullie kinderen te komen. Als jullie echt willen komen, kom dan zonder jullie kinderen. Wij zeggen ook tegen de moeders: kom niet. Klap niet. Als je wilt dansen, kun je Wedi Tikul's lied gebruiken. Je kunt het afspelen en dansen. En nu, als er iets gebeurt op de 17e, zullen we ervan beschuldigd worden kinderen te slaan. Wat kunnen we dan doen? De jongeren zijn jullie te slim af geweest en verstoppen zich. Om te voorkomen dat dit gebeurt, hebben we niet de wens om kinderen te slaan. We hebben niet de wens om mensen te slaan. We streven naar wet en legaliteit. Als je dat afwijst, dan is er niets duidelijker dan dat. In mijn rechteroor hoor ik je moeder me vertellen dat ze stervende is. En in mijn linkeroor hoor ik jullie dansen. Dus, in plaats van mijn rechteroor dicht te houden, sluit ik jullie beiden liever dicht. Begrijpen jullie dat? We zeggen het jullie. Laat je kinderen niet komen. Als het mogelijk is, degenen onder jullie die kinderen hebben, laat de jongeren komen. Laat de jongeren komen en dansen. En klap voor een 80-jarige man. We zullen zien wie het overleeft, wij of zij. Ik hoop dat het bij wet verboden zal worden. Zo niet, dan kennen we de gevolgen. We waarschuwen je alvast. Bewaar deze video. We moeten voorkomen dat we mensen of kinderen slaan. We nodigen je niet uit tot een gevecht. We vragen je om niet te gaan."
Op minuut 15:35 zegt ‘spreker 2’ ( [persoon hierna ook spreker 2] ): “Wat hij zegt, wat [bijnaam 1 van verdachte] kortom zegt, is: veroordeel je kinderen niet. Neem je kinderen niet mee.”
Vanaf minuut 15:39 zegt [gebruikersnaam van verdachte] (de verdachte): “Ja, [persoon hierna ook spreker 2] mijn vriend. (…) Als je ervoor wilt zorgen dat een boom nooit meer teruggroeit, moet je de wortels eruit halen. De wortels zijn niet Jesaja. De wortels zijn degenen die hier klappen. Hij is een oppositie. Hij vertelt ons alles. Hij vertelt ons de waarheid. Begrijp je me, [persoon hierna ook spreker 2] , mijn vriend? Het probleem zijn degenen die hier wonen. Onze problemen zijn met hen. Als we deze mensen uitroeien, zal er vrede in ons land zijn. Als we erin slagen de wortels te verwijderen. Dus, zij zijn de wortels. De leiders zijn slechts takken. Ze kunnen weggaan als je ze maar bang maakt. Omdat de wortels hier zijn, moeten we ze verwijderen. (…) Medestrijders, ik zie ook jullie allemaal.”
Vanaf minuut 23:23 zegt [naam persoon 7] onder meer: “Zoals [naam persoon 8] of [bijnaam 2 van verdachte] hebben gezegd, zij zijn de belangrijkste wortels. We kunnen nooit meer terug naar ons land als we deze mensen niet kunnen verwijderen. (…)”
Vanaf minuut 25:23 zegt [naam persoon 9] onder meer: “Daarom moet onze aanpak dezelfde en duidelijke zijn. Een strijd is van strijders. Iedereen die wil vechten, waar hij zich ook bevindt, moet zich bij de strijd aansluiten. Hij heeft de plicht zich aan te sluiten. De strijd begint niet zomaar. Of begint niet zomaar voor de grap. Het is geen strijd die begonnen is door spraakzame politici die hun kinderen niet goed kunnen opvoeden. Deze strijd is van de jeugd die ervan overtuigd is onderdrukt te worden en die zweert de onderdrukking met wortel en al te verwijderen. Het is niet zoals andere organisaties die willekeurig of door wrokpolitiek bestaan. Daarom moet deze strijd zijn hoogtepunt bereiken. Het is onze verantwoordelijkheid om het zijn hoogtepunt te laten bereiken. We hebben er ons leven voor betaald. We hebben de ogen en knieën van onze broeders ervoor betaald. Daarom moeten alle jongeren in deze strijd begrijpen dat deze strijd niet gaat over het verschijnen op Tiktok terwijl je met vlaggen danst of alleen maar opschept over Birgade N Hamedu op Tiktok. In plaats daarvan moeten we elkaar op het veld ontmoeten. Speciaal en zelfs de meisjes. Je kunt komen met drinken en eten. Je kunt water geven aan je broeders die dorst hebben. Dat is genoeg. Er is geen grotere strijd dan dat. Dit is nu wereldwijd. Speciaal voor de vrouwen. Daarom zijn wij, als strijders, overal, want een strijd is van strijders. Ze kunnen onze verblijfsstatus ruïneren of iets anders doen, het maakt niet uit. (…) Maar we zullen de stok van Mozes, die we ooit vasthielden, nooit opgeven. We zullen hem gebruiken om onze vijand te slaan. Om onze vijand te doden. Zolang onze vijand niet dood is of verdwijnt, maakt het niet uit of we bloeden, naar de gevangenis gaan of onze verblijfstatus wordt geruïneerd. Zelfs ons leven is nu geruïneerd. We zijn verbannen uit ons land, onze familie en ons paradijs op aarde. Dus ons leven is al geruïneerd. (…) We hebben allemaal dezelfde nationaliteit. Dat valt niet te ontkennen. We zijn allemaal Eritreeërs in Eritrea. Maar als we zeggen "wij worden onderdrukt en onze familie wordt onderdrukt" en zij dat niet kunnen horen, moeten we hen ons laten horen op een manier waarop zij ons wel kunnen horen. Gaat er bloed vloeien? Ja, er zal bloed vloeien. We zullen vechten. Maar we zullen zien wie er uiteindelijk zal opstaan. Dus, een strijd is voor vechters. Laten we elkaar ontmoeten op het veld. Ze kunnen opscheppen over het veld. Maar ze weten maar al te goed dat ze niet sterk genoeg zijn op het veld. Dus, jongens, we zijn er klaar voor. Ik woon zelf in Duitsland. Ik bedoel, in de grensstreek. Ik kom. Ik ben er klaar voor. Er zijn ook mensen die met me meekomen. We komen allemaal. Onze slogan is "overwinning of dood".
Vanaf minuut 30:34 zegt [gebruikersnaam van verdachte] (de verdachte) onder meer: “als er nog anderen zijn die hun ideeën willen delen, dan mag je meedoen. (…) We hebben alles dankzij Birgade N. Hamedu. Thank you, [persoon hierna ook spreker 2] , mijn broer, dat je ons deze kans hebt gegeven.”
Vanaf minuut 31:18 zegt [gebruikersnaam van verdachte] (de verdachte): “Ik ben klaar bro! Ik ga naar huis.”
Opruiing
Het hof overweegt dat in de livestream zoals hiervoor weergegeven – samengevat – wordt gezegd: Op de 17e van de tweede maand van 2024 ontvang je de locatie van de leiding, iedereen moet standby zijn. Het is de begrafenis van PFDJ slaven. Er bestaat geen broederschap met deze mensen. Zij zijn in principe onze vijanden. (01:05). ‘We’ zullen er een begrafenis of zoiets van maken. Ze moeten vernietigd worden (03:31). Degenen die naar dit land komen en feesten zouden we een klap op het voorhoofd moeten geven en ervoor zorgen dat ze hier blijven. (06:57). Jullie zijn allemaal vechters. De strijd bereikt zijn laatste fase. (08:53). Laat ze komen en we zullen zien wat ze zullen doen. Ze zullen ofwel de handdoek die ze hebben meegebracht opvouwen en teruggaan, of ze zullen huilen terwijl ze nog thuis zijn. (12:51). Het probleem zijn degenen die hier wonen. Onze problemen zijn met hen. Als we deze mensen uitroeien, zal er vrede in ons land zijn. Als we erin slagen de wortels te verwijderen. Dus, zij zijn de wortels. De leiders zijn slechts takken. Ze kunnen weggaan als je ze maar bang maakt. Omdat de wortels hier zijn, moeten we ze verwijderen. (15:39). Zoals [naam persoon 8] of [bijnaam 2 van verdachte] hebben gezegd, zij zijn de belangrijkste wortels. We kunnen nooit meer terug naar ons land als we deze mensen niet kunnen verwijderen. (23:23). Deze strijd is van de jeugd die ervan overtuigd is onderdrukt te worden en die zweert de onderdrukking met wortel en al te verwijderen. Het is niet zoals andere organisaties die willekeurig of door wrokpolitiek bestaan. Daarom moet deze strijd zijn hoogtepunt bereiken. Het is onze verantwoordelijkheid om het zijn hoogtepunt te laten bereiken. In plaats van [hof: op TikTok opscheppen] moeten we elkaar op het veld ontmoeten. Speciaal en zelfs de meisjes. Je kunt komen met drinken en eten. Je kunt water geven aan je broeders die dorst hebben. Dat is genoeg. Er is geen grotere strijd dan dat. Dit is nu wereldwijd. Speciaal voor de vrouwen. Daarom zijn wij, als strijders, overal, want een strijd is van strijders. Maar we zullen de stok van Mozes, die we ooit vasthielden, nooit opgeven. We zullen hem gebruiken om onze vijand te slaan. Om onze vijand te doden. Zolang onze vijand niet dood is of verdwijnt, maakt het niet uit of we bloeden, naar de gevangenis gaan of onze verblijfstatus wordt geruïneerd. Zelfs ons leven is nu geruïneerd. (…) Gaat er bloed vloeien? Ja, er zal bloed vloeien. We zullen vechten. Maar we zullen zien wie er uiteindelijk zal opstaan. Dus, een strijd is voor vechters. Laten we elkaar ontmoeten op het veld. Ze kunnen opscheppen over het veld. Maar ze weten maar al te goed dat ze niet sterk genoeg zijn op het veld. Dus, jongens, we zijn er klaar voor. Ik woon zelf in Duitsland. Ik bedoel, in de grensstreek. Ik kom. Ik ben er klaar voor. Er zijn ook mensen die met me meekomen. We komen allemaal. Onze slogan is "overwinning of dood". (25:23).
Naar het oordeel van het hof wordt met het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, (indirect) aangespoord tot enige strafbaar feit, te weten geweld tegen diegenen die bij de bijeenkomst aanwezig zouden zijn op 17 februari 2024. De uitlatingen zijn gericht op het gebruik van geweld en kunnen in ieder geval dienen om de geesten van toehoorders rijp te maken voor het aangaan van een gewelddadige strijd.
Wat betreft de openbaarheid heeft de verdediging geen verweer gevoerd. Het hof is van oordeel dat de uitlatingen van de verdachte in het openbaar zijn gedaan en verwijst hiervoor naar hetgeen bij de weergave van de feiten is vermeld.
De raadsman heeft er op gewezen dat er sprake kan zijn van onjuiste vertalingen en dat een vertaling van een uiting simpelweg nooit precies dezelfde letterlijke betekenis kan overbrengen, als de in de originele taal gedane uiting overbrengt aan personen die die taal wél spreken. De verdediging heeft er verder op gewezen dat er evident veelvuldig sprake is van beeldend of metaforisch taalgebruik, of van uitdrukkingen en gezegdes met een specifieke betekenis in het Tigrinya of binnen de Eritrese context en dat een aantal uitlatingen niet te begrijpen is.
Het hof onderkent dat bij vertalingen om allerlei redenen sprake kan zijn van enig verlies van betekenis, maar heeft, gelet op de aanzienlijke duur van de livestream en delen daaruit die er in de kern niet om liegen (bijvoorbeeld: “Gaat er bloed vloeien? Ja”) geen aanleiding om te veronderstellen dat hiervan in dit geval in significante mate sprake is. Weliswaar wordt er kennelijk veelvuldig gebruik gemaakt van beeldspraak, maar de kern van deze beeldspraak is duidelijk en laat in redelijkheid niet de interpretatie toe dat hetgeen gezegd wordt geheel anders begrepen dient te worden.
De verdediging heeft verder aangevoerd dat de livestream als geheel niet opruiend van aard was op grond van – samengevat – het volgende. De livestream was bedoeld “als oproep om je stem te laten horen tegen het dictatoriale regime in Eritrea en de ‘lange arm’ daarvan, en wel op een plaats waar het zeker is dat veel voorstanders van het regime die zullen horen: het pro-regime feest dat op 17 februari 2024 zou plaatsvinden.”. De uitlatingen van de deelnemers waarbij gesproken wordt over geweld moeten worden gezien als een waarschuwing voor mogelijk geweld vanuit de tegenstanders. Of als erkenning van het feit dat in het verleden gewelddadigheden hebben plaatsgevonden bij confrontaties tussen beide groepen waardoor eenzelfde risico werd onderkend ten aanzien van het aankomend evenement. De tenlastegelegde uitingen, in ieder geval de aan de verdachte verweten uitlatingen, bevatten onvoldoende aansporingen tot strafbaar gedrag.
Het hof verwerpt dit verweer. Zoals hiervoor overwogen bevatten delen van de livestream opruiende elementen. Die delen van de livestream, en in het bijzonder de gebezigde bewoordingen, verhouden zich niet tot de door de verdediging gegeven duiding als hiervoor weergegeven. Overigens is niet vereist dat de livestream ‘als geheel’ opruiend was.
De verdediging heeft voorts aangevoerd dat de uitlatingen van de verdachte op zichzelf niet opruiend waren. Daartoe heeft de verdediging – samengevat – aangevoerd dat de verdachte deelnam aan de livestream omdat hij mensen wilde informeren over het Eritrese pro-regime feest en hij dit – op een vreedzame en legale manier – wilde tegenhouden. Verder heeft de verdachte matigende woorden gebruikt als “we hebben niet de wens om mensen te slaan, we streven naar wet en legaliteit.”. Voorts heeft de verdediging erop gewezen dat een deel van de eerste uiting (“Wij gaan zien wie het gaat overleven”) verkeerd vertaald is, nu deze zin in de op verzoek van de verdediging opgestelde vertaling luidt: "Of wij daar gaan leven of zij daar gaan leven, we gaan het zien!" en in de hofvertaling: "We zullen zien wie het overleeft, wij of zij”.
Het hof overweegt dat de in de tenlastelegging opgenomen passages van vertaalde delen van de livestream niet op zichzelf staan, maar dat bij de beoordeling of sprake was van opruiing mede is gekeken naar hetgeen door andere deelnemers aan de livestream en door de verdachte gedurende de periode dat de verdachte aan de livestream deelnam, is gezegd. De verdachte heeft weliswaar in de livestream gezegd dat hij streeft naar wet en legaliteit, echter de verdachte heeft daaraan toegevoegd dat als het [hof: de bijeenkomst op 17 februari] niet bij wet verboden zal worden ‘we de gevolgen kennen’. Vlak daarvoor heeft de verdachte gezegd ‘we zullen zien wie het overleeft’ en vervolgens heeft de verdachte het over het uitroeien van mensen/ het verwijderen van ‘de wortels’.
Wat betreft de door de verdediging geconstateerde verschillen in de vertaling van een deel van de eerste aan de verdachte tenlastegelegde uiting en de vertaling waar de verdediging naar heeft verwezen, overweegt het hof dat alle vertalingen in de kern op hetzelfde neerkomen: de een (over)leeft en de ander niet. Al met al verwerpt het hof dan ook het verweer dat de door de verdachte gedane uitingen niet opruiend waren.
Tezamen en in vereniging
Ten aanzien van de vraag of kan worden geoordeeld dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en overige deelnemers aan de livestream overweegt het hof als volgt. Het hof is het eens met de verdediging dat een gesprek als het onderhavige dynamisch is en dat zinnen niet zomaar kunnen worden teruggenomen of verwijderd. Er is gelet daarop behoedzaamheid vereist bij het oordeel dat sprake was van een nauwe of bewust samenwerking. Voorkomen moet worden dat iemand al te snel strafrechtelijk verantwoordelijk wordt gehouden voor woorden door een ander gebezigd, simpelweg door deel te namen aan een gesprek. In dit specifieke geval kan echter worden vastgesteld dat de verdachte gedurende een periode van ruim 30 minuten heeft deelgenomen aan de livestream, dat de deelnemers aan de livestream, die zo nu en dan ook op elkaar reageren, het in grote lijnen over hetzelfde hebben: over de bijeenkomst die plaats zal vinden op 17 februari 2024 en over de andere groep spreken als de vijand die moet worden uitgeroeid/ met wortels en al moet worden verwijderd. Dit laatste is door de verdachte tijdens zijn deelname aan de livestream gezegd en daarop wordt later door andere deelnemers teruggegrepen. Gelet hierop is het hof van oordeel dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij het doen van opruiende uitlatingen. Het verweer van de verdediging dat zich tegen dit oordeel richt, verwerpt het hof dan ook. Nu sprake was van medeplegen, acht het hof ook de uitingen bewezen die niet door de verdachte zelf zijn gedaan. Een uitzondering daarop vormen de uitlatingen die zijn gedaan nadat de verdachte niet langer deelnam aan de livestream (na minuut 31:14). Dat de verdachte enige betrokkenheid had bij de na zijn vertrek gedane uitlatingen kan niet worden bewezen, zodat de verdachte van die uitingen, conform het daartoe strekkende verweer van de verdediging, wordt vrijgesproken.
Conclusie
Het hof komt tot het oordeel dat de verdachte op 17 februari 2024 een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het openlijk geweld, waarbij al het ten laste gelegde geweld één geheel van geweldshandelingen vormt. Voorts komt het hof tot het oordeel dat de verdachte zich omstreeks 13 februari schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van opruiing. Het hof acht de onder 1 ten laste gelegde opruiing en het onder 2 ten laste gelegde openlijk geweld wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij
op ofomstreeks 13 februari 2024
te 's-Gravenhage, in ieder gevalin Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen
, althans alleen, in het openbaar mondeling, tot enig strafbaar feit heeft opgeruid door in een openbaar toegankelijke livestream op het social media platform TikTok met meerdere personen op te roepen om op 17 februari 2024 naar de locatie van een Eritrees feest te gaan en daar geweld te gebruiken en/of te gaan vechten en/of te strijden (tegen onder andere de personen op dat feest), door onder meer de volgende woorden te gebruiken:
- " Alle jongvolwassenen moeten zich klaarmaken, zodra jullie het adres krijgen verwachten wij jullie allemaal daar te komen" en
/of
- " Ze moeten verdwijnen" en
/of
- " Ons doel moet wel zijn dat wij hun hoofd slaan en terugsturen naar hun land" en
/of
- " Als jij toch komt, laat je kinderen thuis. Wij waarschuwen ook alle moeders niet te komen. Vooral geen kinderen. Desnoods sturen jullie jullie volwassen kinderen. Wij gaan zien wie het gaat overleven" en
/of
- " In dit land gaan wij het overleven of zij gaan het overleven. Dit wordt onze laatste strijd" en
/of
- " Wij gaan vechten en bloed laten vloeien" en
/of
- “ Vrijdag horen wij waar het wordt georganiseerd” en
/of
-
"Wij willen niet de strijd aangaan maar als zij ons doorkruisen en daar komen dan moeten zij weten wat hun te wachten staat. Dat wordt dan pijn lijden. Zij zijn onze vijanden" en/of
-
"De groep bloeddorstige slaven zijn grote feest aan het voorbereiden in Nederland. Iedereen jong en oud stand-by, moeten klaar zijn en klaar staan om deze groep tot as te veranderen" en/of
-
"Je kan thuis opgesloten zonder iets te doen doodgaan, of sterven voor je rechten tijdens de strijd, dat is iets groots. Je gaat toch een keer dood. Laat staan hier, wij willen zelf de strijd aangaan aan de front om ons op te offeren. Jezelf opofferen hier of aan de front is hetzelfde", en/of
- “ Weet je wat het is, wij zijn echt aardige strijders en zijn niet gemeen, we laten het van te voren weten. We zeggen dat als er iets gaat gebeuren, dat je dat weet. Er kan iets gebeuren, dus kom dan niet of breng je kinderen niet mee. Als jullie dan echt willen komen, kom dan alleen.”, en
/of
- “ Als het via plan A wel of niet lukt, herken je broeder, je moet weten wie je medestrijder is en dan kan je overleggen. Begrijpen jullie mij? Laten wij dit doen, mijn broeders. Bedankt, [spreker 2] mijn broer dat je mij deze kans hebt gegeven. Ik zie jullie allemaal, mijn medestrijders.”,
althans woorden van gelijke aard en/of strekking;
2.
hij op
of omstreeks17 februari 2024 te ‘s-Gravenhage openlijk, te weten,
op en/of aan de Fruitweg en/of Parallelweg, althansin de nabijheid en
/ofin de buurt van het
zalencentrumOpera
Zalencentrum(gelegen aan de Fruitweg)
, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,in vereniging geweld heeft gepleegd tegen:
- personen, te weten politieambtenaren en/of brandweerpersoneel en
/ofeenjournalist
enen
/ofeenfotografenfotograafen
/ofpersonen in het
zalencentrumOpera
Zalencentrum, en
/of;
- goederen, te weten politievoertuigen en
/ofpersonenauto's en
/ofeen touringcar en
/oféén of meerdere gebouwen (onder andere
zalencentrumhetOpera
Zalencentrumen
/of naastgelegen en/ofin de (directe) nabijheid gelegen gebouwen en
/ofeen tankstation), door
(meermalen):
-
(met stokken, stenen, messen en/of andere voorwerpen in de hand
) (gegroepeerd
)zich dreigend op te houden en
/ofop te stellen tegen en
/ofde confrontatie te zoeken/aan te gaan met de politie en
/ofbrandweer en
/ofeenjournalist
enen
/ofeenfotografenfotograaf,en
/of;
- het
zalencentrumOpera
Zalencentrumte bestormen en
/ofte proberen binnen te dringen
,(onder andere door
(met meerdere personen tegelijk
)op de politie en
/ofhet
zalencentrumOpera
Zalencentrumaf te gaan/te rennen en
/ofte proberen zich door linies van de politie heen te dringen
), en
/of;
- ( stukken/brokken van) stoeptegels en
/ofstenen en
/offietsen en
/ofstraatmeubilair en
/ofvuurwerk en
/ofbrandend/brandbaar materiaal
en/of
één of meerdereandere voorwerpen, naar/tegen voornoemde personen en
/ofgoederen te gooien, en
/of;
-
één ofmeerdere (politie)voertuigen en/of een touringcar in brand te steken.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van in het openbaar tot enig strafbaar feit opruien.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Op 17 februari 2024 heeft de verdachte samen met andere tegenstanders van het huidige Eritrese regime openlijk geweld gepleegd bij een zalencentrum in Den Haag, waar aanhangers van dat regime kort daarvoor bijeen waren gekomen. Toen het binnen gaan van het zalencentrum door de ME werd belet, ontstond er een grimmige sfeer. Ondanks dat werd opgeroepen de omgeving direct te verlaten, werden de ME’ers bekogeld met onder andere stenen en stokken. Ook politievoertuigen, een touringcar en personenauto’s hebben het moeten ontgelden. Toen de brandweer ter plaatse kwam om in brand gestoken voertuigen te blussen, richtte het geweld zich ook tegen de brandweer. Ook zijn een fotograaf en een journalist direct geconfronteerd met het geweld. Diverse personen zijn ten gevolge van het handelen van de verdachte en zijn mededaders gewond geraakt. Het geweld is van een ongekende heftigheid geweest. Voorts moet voor de aanwezigen in het zalencentrum de situatie uitermate beangstigend zijn geweest. Dergelijk handelen gaat de perken van wat toelaatbaar is zeer ver te buiten. Dat de verdachte en zijn mededaders enkel naar Den Haag zouden zijn afgereisd om ter plaatse ‘vreedzaam te demonstreren’ verhoudt zich op geen enkele wijze met hetgeen zich aldaar heeft voltrokken.
De aard, de intensiteit en de duur van het geweld hebben, blijkens de vele aangiften, slachtofferverklaring(en) en de toelichtingen op de vorderingen benadeelde partij een enorme impact op de aldaar aanwezigen gehad. Betrokken politieagenten/ME’ers hebben het geweld omschreven als een oorlogssituatie en hebben soms gevreesd voor hun leven.
De verdachte heeft een actieve bijdrage geleverd aan het tegen de politie en goederen gerichte geweld zoals hiervoor bewezen verklaard.
De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het medeplegen van opruiing door op 13 februari 2024 aan een TikTok-livestream deel te nemen, waarbij zowel door de verdachte als door de gespreksdeelnemers opruiende woorden zijn gebezigd. Hierdoor werden anderen aangemoedigd om strafbare feiten te plegen.
De persoon van de verdachte
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 28 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een andersoortig feit.
Voorts heeft het hof acht geslagen op een rapport van Reclassering Nederland van 5 april 2024 betreffende de verdachte. Er zijn geen (grote) zorgen op de verschillende domeinen. Het risico op herhaling wordt ingeschat als gemiddeld en de reclassering heeft geen criminogene factoren gevonden waarop kan worden ingespeeld om de risico’s te beperken. Interventies en toezicht vanuit een reclasseringscontact zijn niet geïndiceerd.
Ter terechtzitting in hoger beroep zijn de persoonlijke omstandigheden van de verdachte door de verdediging naar voren gebracht. Uit het verhandelde ter terechtzitting en het dossier volgt dat er geen (grote) zorgen zijn op de verschillende domeinen. Het hof heeft dit ook bij het oordeel betrokken.
Slot
Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Mede gelet op het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte acht het hof, anders dan de vordering van de advocaat-generaal, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan reeds doorgebracht thans niet (meer) opportuun.
Het hof is bij deze straf van oordeel dat hiermee wordt gewaarborgd dat het strafrechtelijk optreden als geheel proportioneel is en niet zo ingrijpend dat daarvan een
chilling effectuitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv Pro, aan de orde is.

De vorderingen tot schadevergoeding

De vorderingen van de benadeelde partijen/ de schadevergoedingsmaatregel
Slachtoffers hebben zich als benadeelde partij in het geding gevoegd. Zij hebben het hof verzocht om hoofdelijke toewijzing van hun vordering en deze te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Daarnaast is verzocht telkens de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr aan de verdachte op te leggen.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De advocaten-generaal hebben standpunten ingenomen ten aanzien van de vorderingen. Het hof zal hierop, voor zover nodig, hierna ingaan.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft standpunten ingenomen ten aanzien van de vorderingen. Het hof zal hierop, voor zover nodig, hierna ingaan.
Het oordeel van het hof
Algemene uitgangspunten en overwegingen
Groepsaansprakelijkheid en hoofdelijkheid
De verdachte heeft zich met zijn gedragingen schuldig gemaakt aan het openlijk in vereniging plegen van geweld. In artikel 6:166, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat indien één van de tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het aldus toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedrag in groepsverband, zij hoofdelijk aansprakelijk zijn indien deze gedragingen hun kunnen worden toegerekend.
Voor hoofdelijke aansprakelijkheid is de deelname aan het groepsgeweld voldoende, ongeacht de vorm die deze deelname heeft aangenomen. Een beroep op het ontbreken van het causaal verband wegens het niet kunnen koppelen van de individuele handelingen van de verdachte aan de specifieke schade houdt derhalve geen stand.
De hoofdelijke aansprakelijkheid van de tot een groep behorende personen die deze bepaling in het leven roept, leidt ertoe dat de benadeelde die ten gevolge van een gedraging in groepsverband schade heeft geleden ter verkrijging van volledige vergoeding daarvan ermee kan volstaan één van de tot de desbetreffende groep behorende personen aan te spreken.
De regeling van art. 6:166 BW Pro voorziet in een individuele aansprakelijkheid van tot een groep behorende personen (deelnemers) voor onrechtmatig vanuit de groep toegebrachte schade. De mate van betrokkenheid van de afzonderlijke deelnemers bij het onrechtmatig handelen is niet van belang. Deze individuele aansprakelijkheid vindt haar rechtvaardiging in een ieders bijdrage aan het in het leven roepen van de kans dat zodanige schade zou ontstaan. Zij vindt haar begrenzing in de eis dat de kans op het aldus toebrengen van schade hen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband.
Het hof heeft voorts acht geslagen op de wetsgeschiedenis (Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 663-664) en relevante rechtspraak, zoals onder meer ECLI:NL:HR:2015:2914, ECLI:NL:HR:2025:1056 in vervolg op ECLI:NL:GHARL:2024:1870 (Mallorca-zaak) en ECLI:NL:HR:2025:1507 in vervolg op ECLI:NL:GHSHE:2024:1204 (Pegida-zaak).
Matigen naar billijkheid?
De verdediging heeft matiging naar billijkheid bepleit. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat het gaat om schade van een enorme omvang die is veroorzaakt door honderden personen, terwijl slechts een klein deel van hen terecht staat voor openlijke geweldpleging. Dat maakt volgens de verdediging dat een disproportioneel klein aantal schadeveroorzakers verantwoordelijk wordt gehouden voor schade van enorme omvang. Het hof dient een billijkheidscorrectie toe te passen en de schadevergoedingsverplichting van de verdachte te beperken, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt. In artikel 6:166, tweede lid BW is bepaald hoe de onderlinge verdeling van schade tussen de tot de groep behorende personen behoort plaats te vinden: zij moeten onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding bijdragen, tenzij in de omstandigheden van het geval de billijkheid een andere verdeling vordert. Uit artikel 6:166, eerste en tweede lid BW samen volgt aldus een systeem waarin ieder van de betrokkenen hoofdelijk aansprakelijk is voor de volledige schade, wat verhaal van deze schade door de benadeelden vergemakkelijkt. Na vergoeding van de schade kan een betrokkene vervolgens op zijn medegroepsleden het bedrag verhalen dat hij te veel heeft betaald, waarbij de bijdrage in het geweld (mede)bepalend kan zijn voor het aandeel dat ieder uiteindelijk te dragen heeft.
Het ligt aldus in de eerste plaats op de weg van de verdachte – en andere betrokkenen bij de ongeregeldheden op 17 februari 2024 – om op deze manier de schade onderling te verdelen. Een billijkheidscorrectie zou betekenen dat de benadeelde partijen worden beperkt in hun verhaalsmogelijkheden. Dat acht het hof, gelet op de wettelijke regeling, niet billijk. Gelet op het voorgaande ziet het hof ten aanzien van de verschillende vorderingen van de benadeelde partij dan ook geen grond voor matiging naar billijkheid en aldus afwijking van het wettelijke uitgangspunt van hoofdelijke aansprakelijkheid van de verdachte.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld, waardoor
hij jegens de benadeelde partijen aansprakelijk is voor schade die door dit feit aan hen is
toegebracht. Het hof is van oordeel dat vergoeding van de schade een bij uitstek
passende maatregel is bij een dergelijke vorm van openlijk geweld. Om die reden én als
extra waarborg voor de betaling aan de benadeelde partijen zal het hof aan de verdachte – voor de toegewezen bedragen – steeds de schadevergoedingsmaatregel opleggen.
Anders dan de verdediging heeft bepleit, zal het hof bij het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel geen onderscheid maken tussen namens natuurlijke personen en rechtspersonen gevorderde en toegewezen schadevergoedingen. De schadevergoedingsmaatregel beoogt de strafrechtelijke positie van het slachtoffer te versterken door herstel van de rechtmatige toestand (MvT, Kamerstukken II 1989/90, 21345, 3, p. 5). Uit de wet noch uit de wetsgeschiedenis volgt dat ten behoeve van rechtspersonen geen schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr kan worden opgelegd. Dat een benadeelde partij een rechtspersoon is, is aldus geen criterium dat bij de keuze voor het al dan niet opleggen van de schadevergoedingsregeling een rol behoeft te spelen, zodat dit aspect het oordeel van het hof niet anders maakt. Daaraan doet ook niet af dat rechtspersonen en bedrijven in het algemeen beter in staat zullen zijn om een toegewezen vordering te (laten) executeren.
Gelet op de maximale duur van de aan de schadevergoedingsmaatregel verbonden gijzeling,
is het totaal van de opgelegde gijzeling 365 dagen.
Wettelijke rente
Indien het hof de vorderingen tot schadevergoeding geheel of ten dele toewijst, zal hij
daarbij tevens de vordering tot betaling van de wettelijke rente toewijzen vanaf 17 februari
2024, de dag dat de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft plaatsgevonden, tenzij hieronder
anders wordt overwogen en beslist.
Politieambtenaren
Namens 66 politieambtenaren is een vordering benadeelde partij ingediend. Een aantal van deze vorderingen is onderscheiden in drie categorieën. Het hof zal, al dan niet per categorie, de vorderingen afzonderlijk beoordelen.
De vorderingen van € 350,00
In het onderhavige strafproces hebben de hierna genoemde personen zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, op grond van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ dan door lichamelijk letsel, als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 350,00. Het betreft:
nr. 4: [naam benadeelde partij 1]
nr. 14: [naam benadeelde partij 2]
nr. 18: [naam benadeelde partij 3]
nr. 19: [naam benadeelde partij 4]
nr. 24: [naam benadeelde partij 5]
nr. 25: [naam benadeelde partij 6]
nr. 26: [naam benadeelde partij 7]
nr. 27: [naam benadeelde partij 8]
nr. 28: [naam benadeelde partij 9]
nr. 29: [naam benadeelde partij 10]
nr. 30: [naam benadeelde partij 11]
nr. 31: [naam benadeelde partij 12]
nr. 32: [naam benadeelde partij 13]
nr. 33: [naam benadeelde partij 14]
nr. 34: [naam benadeelde partij 15]
nr. 35: [naam benadeelde partij 16]
nr. 36: [naam benadeelde partij 17]
nr. 37: 3254616
nr. 38: 3254628
nr. 39: 3254839
nr. 44: 3255764
nr. 46: 3256007
nr. 48: 3256065
nr. 50: 3256298
nr. 51: 3256309
nr. 52: 3256357
nr. 55: 3256600
nr. 56: 3256945
nr. 57: 3257688
nr. 58: 3258166
nr. 59: 3259023
nr. 60: 3259472
nr. 61: 3260529
nr. 62: 3272822
nr. 65: [naam benadeelde partij 18]
nr. 66: [naam benadeelde partij 19] .
In hoger beroep zijn deze vorderingen aan de orde tot het in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van telkens € 350,00.
De advocaat-generaal heeft telkens geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De betreffende vorderingen van de benadeelde partijen zijn namens de verdachte betwist.
De Hoge Raad heeft geoordeeld [45] dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.
Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen.
Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Uit de vorderingen en de daaraan ten grondslag gelegde toelichtingen volgt dat de benadeelde partijen nadelige (psychische) gevolgen hebben ondervonden van het bewezenverklaarde openlijk geweld. Naar het oordeel van het hof brengt de aard en de ernst van de normschending door de verdachte en zijn mededaders mee dat de nadelige (psychische) gevolgen daarvan voor de politieambtenaren zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ dan door lichamelijk letsel of aantasting in hun eer of goede naam als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. Dit betekent dat een vergoeding van immateriële schade op haar plaats is. Het hof neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking de duur en intensiteit van het gepleegde geweld, maar ook het feit dat de politieambtenaren zich ieder in het kader van hun taakuitoefening genoodzaakt zagen te blijven optreden in een situatie waarin het geweld zich in toenemende mate tegen de politie richtte. Uit de verscheidene processen-verbaal van aangiftes, de processen-verbaal van bevindingen en de vorderingen volgt dat sprake was van een geweldsexplosie van ongekende omvang. Onder die omstandigheden waren de betrokken politieambtenaren, gelet op hun taak en verantwoordelijkheid voor de handhaving van de openbare orde, gehouden de confrontatie aan te gaan, hetgeen ertoe heeft geleid dat zij geruime tijd zijn blootgesteld aan een situatie die een ernstige bedreiging vormde voor hun fysieke veiligheid.
Voorts stelt het hof op grond van de aangiften en de toelichtingen op de vorderingen vast dat de hiervoor genoemde benadeelde partijen zich ten tijde van de bewezenverklaarde openlijke geweldpleging ter plaatse bevonden en met het geweld zijn geconfronteerd. De door hen gestelde immateriële schade staat daarmee in voldoende rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde feit. Het hof acht de schade derhalve rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit veroorzaakt.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde.
Voor wat de betreft de hoogte van de schadevergoeding voor deze benadeelde partijen heeft het hof alle omstandigheden van het geval in acht genomen, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede telkens de onderbouwing van de vordering. Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en op de zogenoemde “Rotterdamse schaal”, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid en gelet op hetgeen in vergelijkbare zaken wordt toegewezen – telkens voor hoofdelijke toewijzing tot een bedrag van € 350,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
De vorderingen van € 400,00
In het onderhavige strafproces hebben de hierna genoemde personen zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Zij vorderen immateriële schadevergoeding wegens licht letsel en wegens aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 400,00. Het betreft:
nr. 3: [naam benadeelde partij 20]
nr. 8: [naam benadeelde partij 21]
nr. 9: [naam benadeelde partij 22]
nr. 10: [naam benadeelde partij 23]
nr. 12: [naam benadeelde partij 24]
nr. 13: [naam benadeelde partij 25]
nr. 20: [naam benadeelde partij 26]
nr. 21: [naam benadeelde partij 27]
nr. 22: [naam benadeelde partij 28]
nr. 23: [naam benadeelde partij 29]
nr. 40: [nummer proces-verbaal 2]
nr. 42: 3254869
nr. 47: 3256014
nr. 49: 3256279
nr. 53: 3256367
nr. 54: 3256593
nr. 64: [naam benadeelde partij 30]
In hoger beroep zijn deze vorderingen aan de orde tot de in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van telkens € 400,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De betreffende vorderingen van de benadeelde partijen zijn namens de verdachte betwist.
Het hof stelt op grond van de aangiften en de toelichtingen op de vorderingen vast dat deze benadeelde partijen zich ten tijde van de bewezenverklaarde openlijke geweldpleging ter plaatse bevonden en met het geweld zijn geconfronteerd. Daarnaast is het lichamelijke letsel door deze benadeelde partijen onderbouwd. De vorderingen zijn voor zover deze betrekking hebben op het lichamelijk letsel door de verdachte niet of onvoldoende gemotiveerd betwist. Ook ten aanzien van deze benadeelde partijen is het hof, op de gronden die hiervoor zijn uiteengezet, van oordeel dat vast is komen te staan dat de benadeelde partijen als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde letsel hebben en dat zij ‘op andere wijze’ in de persoon zijn aangetast als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b BW.
De door de benadeelde partijen gevorderde immateriële schade staat daarmee in voldoende rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde handelen van de verdachte, zodat sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.
Voor wat de betreft de hoogte van de schadevergoeding voor deze benadeelde partijen heeft het hof alle omstandigheden van het geval in acht genomen, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede telkens de onderbouwing van de vordering. Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en op de hiervoor genoemde “Rotterdamse schaal”. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid en gelet op hetgeen in vergelijkbare zaken wordt toegewezen – telkens voor hoofdelijke toewijzing tot een bedrag van € 400,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
De vorderingen van € 700,00
In het onderhavige strafproces hebben de hierna genoemde personen zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Zij vorderen immateriële schadevergoeding op grond van ernstiger opgelopen lichamelijk letsel, te weten kneuzingen, zwellingen, hoofdletsel, een hersenschudding of een combinatie daarvan alsmede wegens aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 700,00. Het betreft:
1: [naam benadeelde partij 31]
5: [naam benadeelde partij 32]
6: [naam benadeelde partij 33]
7: [naam benadeelde partij 34]
11: [naam benadeelde partij 35]
15: [naam benadeelde partij 36]
16: [naam benadeelde partij 37]
43: 3254922
45: 3255767
63: [naam benadeelde partij 38]
In hoger beroep zijn deze vorderingen aan de orde tot de in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van telkens € 700,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vorderingen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De betreffende vorderingen van de benadeelde partijen zijn namens de verdachte betwist.
Het hof stelt op grond van de aangiften en de toelichtingen op de vorderingen vast dat deze benadeelde partijen zich ten tijde van de bewezenverklaarde openlijke geweldpleging ter plaatse bevonden en met het geweld zijn geconfronteerd. Daarnaast is het lichamelijke letsel door deze benadeelde partijen onderbouwd. De vorderingen zijn voor zover deze betrekking hebben op het lichamelijk letsel door de verdachte niet of onvoldoende gemotiveerd betwist. Ook ten aanzien van deze benadeelde partijen is het hof, mede op de gronden die hiervoor zijn uiteengezet, van oordeel dat vast is komen te staan dat de benadeelde partijen als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde letsel hebben en dat zij ‘op andere wijze’ in de persoon zijn aangetast als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b BW.
De door de benadeelde partijen gevorderde immateriële schade staat daarmee in voldoende rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde handelen van de verdachte, zodat sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.
Voor wat de betreft de hoogte van de schadevergoeding voor deze benadeelde partijen heeft het hof alle omstandigheden van het geval in acht genomen, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede telkens de onderbouwing van de vordering. Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en op de hiervoor genoemde “Rotterdamse schaal”. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid en gelet op hetgeen in vergelijkbare zaken wordt toegewezen – telkens voor hoofdelijke toewijzing tot een bedrag van € 700,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Overige vorderingen van politieambtenaren
Vordering van verbalisant 3254857
Namens verbalisant 3254857 is een vordering benadeelde partij ingediend van € 950,00 wegens geleden immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Benadeelde vordert deze immateriële schade op grond van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ en wegens opgelopen lichamelijk letsel (letsel aan de linkerhand, waaronder bandletsel vinger en een zenuwbeschadiging).
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 950,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof stelt op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting vast dat deze benadeelde partij zich ten tijde van de bewezenverklaarde openlijke geweldpleging ter plaatse bevond en met het geweld is geconfronteerd. Daarnaast is namens deze benadeelde partij een onderbouwing van het lichamelijke letsel overgelegd. De vordering is voor zover deze betrekking heeft op het lichamelijk letsel door de verdachte niet of onvoldoende gemotiveerd betwist. Ook ten aanzien van deze benadeelde partij is het hof, mede op de gronden die hiervoor zijn uiteengezet, van oordeel dat vast is komen te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde letsel heeft opgelopen en ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b BW. De door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade staat daarmee in voldoende rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde handelen van de verdachte, zodat sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.
Voor wat de betreft de hoogte van de schadevergoeding voor deze benadeelde partij heeft het hof alle omstandigheden van het geval in acht genomen, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede de onderbouwing van de vordering. Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en op de hiervoor genoemde “Rotterdamse schaal”. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid en gelet op hetgeen in vergelijkbare zaken wordt toegewezen – voor hoofdelijke toewijzing tot een bedrag van € 950,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Vordering van verbalisant [naam benadeelde partij 39]
Namens [naam benadeelde partij 39] is een vordering benadeelde partij ingediend van € 3.000,00 aan geleden immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Benadeelde vordert deze immateriële schade op grond van de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ en wegens opgelopen lichamelijk letsel (tinnitus).
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 3.000,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft de vordering betwist.
Het hof stelt op grond van de aangifte en de toelichting op de vordering vast dat deze benadeelde partij zich ten tijde van de bewezenverklaarde openlijke geweldpleging ter plaatse bevond en met het geweld is geconfronteerd. Daarnaast is namens deze benadeelde partij een onderbouwing van het lichamelijke letsel overgelegd. Uit de geneeskundige verklaring van 15 november 2024, opgesteld door een KNO-arts werkzaam bij Haaglanden Medisch Centrum met de aanvulling van 11 december 2024 blijkt naar het oordeel van het hof voldoende van tinnitusklachten. Voor een andere oorzaak dan die benadeelde in haar aangifte/vordering duidt – kort gezegd: harde klappen tegen de helm tijdens de ongeregeldheden – is geen begin van aannemelijkheid. Ook blijkt uit de geneeskundige verklaringen voldoende dat de klachten niet van voorbijgaande aard zijn, hetgeen ook ter terechtzitting in hoger beroep namens de benadeelde partij is bevestigd. Het enkele gegeven dat de benadeelde partij thans geen behandeling ondergaat of niet een recente medische verklaring is opgesteld, rechtvaardigt niet reeds de conclusie dat geen sprake (meer) is van klachten ten gevolge van de gestelde tinnitus.
Ook ten aanzien van deze benadeelde partij is het hof, mede op de gronden die hiervoor zijn uiteengezet, van oordeel dat vast is komen te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde letsel heeft opgelopen en ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b BW. De door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade staat daarmee in voldoende rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde handelen van de verdachte, zodat sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.
Voor wat de betreft de hoogte van de schadevergoeding voor deze benadeelde partij heeft het hof alle omstandigheden van het geval meegewogen, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede de onderbouwing van de vordering. Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en op de hiervoor genoemde “Rotterdamse schaal”. In dat verband merkt het hof op dat een bedrag van € 5.000,00 wordt genoemd indien sprake is van ‘lichte tinnitus zonder lawaaidoofheid’, de minst zware categorie van ‘aantasting van het gehoor’(Rotterdamse schaal, Aantasting gehoor, sub d, categorie VI). De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid en gelet op hetgeen in vergelijkbare zaken wordt toegewezen – voor hoofdelijke toewijzing tot een bedrag van € 3.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Vordering van verbalisant [naam benadeelde partij 40]
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 40] vordert een bedrag van € 5.000,00 wegens geleden immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij vordert deze immateriële schade op grond van de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ en wegens lichamelijk letsel dat aan de verbalisant is toegebracht. Dit letsel bestaat uit een afgebroken voortand, een gat in de bovenlip die zowel aan de binnen- als aan buitenzijde gehecht moest worden, een litteken op de bovenlip, een gekneusde rib en de ziekte van Mondor (verstopte ader onder de borst).
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 5.000,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft de vordering betwist.
Het hof stelt op grond van de aangifte en de toelichting op de vordering vast dat deze benadeelde partij zich ten tijde van de bewezenverklaarde openlijke geweldpleging ter plaatse bevond en met het geweld is geconfronteerd. Ter onderbouwing van haar schade heeft de benadeelde partij medische verklaringen ingebracht alsmede foto’s van een litteken van haar bovenlip. Uit de verklaring van de benadeelde partij van 9 augustus 2024 blijkt dat zij ten gevolge van het bewezenverklaarde feit een pijnlijke rib had en dat de ziekte van Mondor zeer waarschijnlijk is ontstaan door een (post)trauma aan deze rib. Dit wordt ook beschreven in een verslag van een medisch onderzoek van 22 april 2024. Verder is in hoger beroep ter staving van het standpunt dat ook thans nog sprake is van een litteken op de bovenlip namens de benadeelde partij een aantal foto’s ter terechtzitting overgelegd. Voorts is ter terechtzitting namens de benadeelde partij toegelicht dat ook thans nog sprake is van gevoelloosheid in de bovenlip wegens de vorming van littekenweefsel.
Gelet op deze toelichting en onderbouwing is het hof van oordeel dat de vordering met betrekking tot de immateriële schade wegens het letsel aan het gebit, het litteken op het aangezicht en de ziekte van Mondor namens de verdachte niet voldoende gemotiveerd is betwist en namens de benadeelde partij voldoende is onderbouwd. Ook ten aanzien van deze benadeelde partij is het hof, mede op de gronden die hiervoor zijn uiteengezet, van oordeel dat vast is komen te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde letsel heeft opgelopen en ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b BW. De door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade staat daarmee in voldoende rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde handelen van de verdachte, zodat sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.
Voor wat de betreft de hoogte van de schadevergoeding voor deze benadeelde partij heeft het hof alle omstandigheden van het geval in acht genomen, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede de onderbouwing van de vordering. Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en op de hiervoor genoemde “Rotterdamse schaal”. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid en gelet op hetgeen in vergelijkbare zaken wordt toegewezen – voor hoofdelijke toewijzing tot een bedrag van € 5.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Proceskostenvergoeding
De advocaten van alle voornoemde benadeelde partijen hebben verzocht om een proceskostenvergoeding. Zij hebben daarvoor aansluiting gezocht bij het voor de behandeling van civiele vorderingen in strafzaken gebruikelijke ‘liquidatietarief kantonzaken’.
Nu de vorderingen steeds (deels) worden toegewezen, zal de verdachte hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt.
Het hof zal bij iedere geheel of gedeeltelijk toe te wijzen vordering het gevraagde bedrag van € 82,00 aan vergoeding van proceskosten toewijzen. Het enkele gegeven dat verzocht is deze proceskosten op de rekening van de Nationale Politie te voldoen en niet aan de individuele benadeelde partijen, doet hieraan niet af en lijkt ook praktisch. Het hof ziet ook geen reden om het gevorderde bedrag aan proceskosten te matigen. Uit de toelichting bij de vordering blijkt dat telkens een op de benadeelde partij toegeschreven onderbouwing van de schade is gegeven. In dat licht bezien acht het hof een proceskostenveroordeling van € 82,00 (welk bedrag in hoger beroep niet is verhoogd) per benadeelde partij allerminst redelijk.
Evenals bij de toegewezen vorderingen tot schadevergoeding, is de verdachte hoofdelijk aansprakelijk voor de toegewezen proceskosten. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Veiligheidsregio Haaglanden
Namens de benadeelde partij Veiligheidsregio Haaglanden is een vordering tot
schadevergoeding ingediend, waarbij een bedrag van € 250,00 aan materiële schadevergoeding wordt gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het gaat om schade aan een voertuig die niet door de verzekeraar is vergoed wegens het eigen risico.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 250,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering is namens de verdachte niet (voldoende gemotiveerd) betwist en door de
benadeelde partij voldoende onderbouwd. Uit de toelichting van de benadeelde partij en de
facturen die zijn ingediend blijkt voldoende dat het gaat om schade aan een voertuig van het
merk Volvo en dat de schade bestaat uit het herstellen en spuiten van dit voertuig. Ook blijkt
dat uit de ingediende schade-afrekening dat de verzekering een bedrag van € 250,00 aan
eigen risico niet heeft vergoed. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting
kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de
openlijke geweldpleging. De gevorderde schadevergoeding acht het hof hoofdelijk toewijsbaar, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Nationale Politie – motorrijtuigen en fietsen
Namens de benadeelde partij Nationale Politie is een vordering tot schadevergoeding
ingediend, waarin een bedrag van € 515.736,21 aan materiële schade wordt gevorderd, te
vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. In hoger beroep is de vordering verlaagd tot een bedrag van € 480.433,92, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij ziet op schade aan twintig politieauto’s en twee politiefietsen.
In hoger beroep is deze vordering voor wat betreft de materiële schade aan de orde tot dit in hoger beroep verlaagde bedrag van € 480.433,92. Alsmede zijn gevorderd een proces- en reiskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot het in hoger beroep gevorderde bedrag van € 480.433,92, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Voertuigen
Het hof overweegt dat voldoende is aangetoond dat door de Nationale Politie schade is geleden ten gevolge van het bewezenverklaarde.
De verdediging heeft betwist dat de Nationale Politie eigenaar is van de voertuigen, zodat zij niet degene is die de schade heeft geleden.
In reactie hierop heeft de Nationale Politie – samengevat – toegelicht dat de politie de eigenaar is van de voertuigen, maar dat een aantal zaken zoals de aanschaf, het beheer en schadeafhandeling krachtens overeenkomst bij andere partijen ligt. De aanschaf en ook herstelkosten ter zake van geleden schade dient de Nationale Politie wel degelijk te voldoen, maar zij doet dit niet rechtstreeks, zij heeft daarvoor overeenkomsten afgesloten. Ter onderbouwing van die stelling heeft de Nationale Politie facturen overgelegd (productie 19) van [naam leasemaatschappij] , gericht aan het Korps Nationale Politie, en toegelicht dat [naam leasemaatschappij] middels die facturen de aanschaf, inclusief BTW, heeft doorbelast aan de Nationale Politie. Verder heeft de Nationale Politie facturen overgelegd en verklaringen waarmee is onderbouwd dat de kosten van schadeherstel – uiteindelijk – aan de Nationale Politie worden doorberekend. Deze met stukken onderbouwde toelichting is door de verdediging verder niet gemotiveerd betwist, zodat is komen vast te staan dat de Nationale Politie de gevorderde schade heeft geleden aan de voertuigen.
Politiefietsen
Voor het hof is voldoende komen vast te staan dat aan twee politiefietsen schade is toegebracht. Nu de omvang van deze laatstgenoemde schadeposten niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, zal het hof de totale omvang van de door de benadeelde partij geleden schade schatten op redelijkerwijs een bedrag van € 1.000,00 per fiets. Het hof wijst de vordering betreffende de politiefietsen toe tot dit bedrag en verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering.
De vordering van de benadeelde partij zal derhalve hoofdelijk worden toegewezen tot een bedrag van
€ 472.450,34 (voertuigen) en € 2.000,00 (fietsen), te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Reis- en proceskostenvergoeding
De advocaten van de benadeelde partij hebben verzocht om een reis- en proceskostenvergoeding. Zij hebben daarvoor aansluiting gezocht bij het voor de behandeling van civiele vorderingen in strafzaken gebruikelijke ‘liquidatietarief gerechtshoven’. De proceskosten bedragen 2x € 3.723,00 (= € 7.446,0) en de reiskosten bedragen € 2,05, derhalve totaal € 7.448,05.
De verdediging heeft op dit punt geen verweer gevoerd.
Nu de vordering wordt toegewezen zal de verdachte hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
[bedrijfsnaam 1]
Namens de benadeelde partij [bedrijfsnaam 1] (hierna: [bedrijfsnaam 1] ) is een bedrag van
€ 128.271,04 aan materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De schade betreft de dagwaarde van een uitgebrande touringcar minus de restwaarde daarvan en de kosten van schadevaststelling.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 128.271,04.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De omvang van de schade is door de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en namens de
benadeelde partij voldoende onderbouwd met een expertiserapport van Dekra Automotive
van 6 maart 2024. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het gepleegde openlijke geweld ter grootte van het gevorderde bedrag. De gevorderde schadevergoeding acht het hof toewijsbaar, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De benadeelde partij heeft als proceskosten een bedrag van € 2.057,71 opgevoerd, berekend aan de hand van de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten. Het hof begroot de proceskosten volgens het gebruikelijke liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven op € 1.929,00 (1 punt x liquidatietarief V). Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 41] (fotograaf)
Door de benadeelde partij [naam benadeelde partij 41] is een vordering tot schadevergoeding ingediend, waarbij een bedrag van € 370,00 aan immateriële schade wegens letsel aan zijn linkerarm en linkerbeen wordt gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 370,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft de vordering niet betwist.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de openlijke geweldpleging. De verbalisanten die de aangifte van de benadeelde partij hebben opgenomen hebben de verwondingen op de bovenarm en het linker onderbeen geconstateerd. De vordering is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Een nadere onderbouwing met foto’s is gelet op de constateringen van de verbalisanten niet vereist. De gevorderde schadevergoeding acht het hof toewijsbaar nu er sprake is van letsel als bedoeld in artikel 6:106 sub b BW Pro.
De vordering van de benadeelde partij ter zake van immateriële schade zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 42]
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 42] vordert een bedrag van € 22.551,07 aan schadevergoeding,
te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering bestaat uit een bedrag van € 20.551,07 aan materiële schade (autoschade) en € 2.000,00 aan immateriële schade.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 22.551,07.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade door reparatiekosten,
is namens de verdachte onvoldoende gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij
voldoende onderbouwd. De benadeelde partij heeft op 17 februari 2024 om 17:58 uur zijn
auto geparkeerd op de Fruitweg in Den Haag, omdat hij een bruiloft bezocht in het
zalencentrum. Op 18 februari 2024 trof hij zijn auto beschadigd aan. Op grond van
het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde
partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. In de door de
benadeelde partij ingediende calculatie van de reparatiekosten van 8 maart 2024 is de
schade aan het voertuig gespecificeerd omschreven. Naar het oordeel van het hof is de hoogte van de schade hiermee afdoende onderbouwd. Of de desbetreffende reparatie daadwerkelijk is uitgevoerd doet daar niet aan af. Dit is geen vereiste om schade vast te kunnen stellen. Dat de benadeelde partij verzekerd zou zijn en in het verlengde daarvan reeds schadeloos gesteld zou zijn, volgt niet uit de stukken. Het hof acht dit deel van de vordering toewijsbaar.
Voor zover de vordering immateriële schade betreft zal het hof de benadeelde partij
niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering is door de verdachte gemotiveerd
betwist en door de benadeelde onvoldoende onderbouwd. Ook in hoger beroep heeft de benadeelde partij geen nadere onderbouwing gegeven. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De vordering van de benadeelde partij zal derhalve hoofdelijk worden toegewezen tot een bedrag van € 20.551,07, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Nu de vordering deels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten
die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt.
Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 43]
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 43] vordert een bedrag van € 4.286,66 aan materiële
schadevergoeding (schade aan een voorruit en een spiegel van de auto), te vermeerderen met
de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 4.286,66.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van de benadeelde partij in de vordering.
Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering is namens de verdachte gemotiveerd betwist en door de benadeelde niet nader onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil.
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 44]
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 44] vordert een bedrag van € 14.478,21 aan materiële
schadevergoeding (autoschade), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging
van de schadevergoedingsmaatregel.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 14.478,21.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering is namens de verdachte niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist en door
de benadeelde partij voldoende onderbouwd. De gevorderde schadevergoeding ter zake van reparatiekosten is met een calculatie van een schadeherstelbedrijf onderbouwd. Weliswaar dateert de calculatie voor de reparatiekosten van 7 mei 2024, maar uit de door de benadeelde partij in hoger beroep gegeven schriftelijke toelichting volgt dat eerdere schadevaststelling niet mogelijk was. Of de desbetreffende reparatie daadwerkelijk is uitgevoerd of door de benadeelde partij is betaald, of het gegeven dat de auto op een later moment verkocht zou zijn doet aan het voorgaande niet af. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de openlijke geweldpleging, te weten vernieling van haar auto, en het hof acht de gevorderde schadevergoeding toewijsbaar, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Nu de vordering hoofdelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 45]
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 45] vordert een bedrag van € 120,00 aan materiële
schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de
schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit de schade aan de ruit (eigen risico van
€ 75,00) en de reparatiekosten (€ 45,00).
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 120,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 75,00 ter zake van het eigen risico van de ruit, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in de vordering voor het overige.
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op het eigen risico van € 75,00, is door de verdachte onvoldoende gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Gelet daarop is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de openlijke geweldpleging. Het hof zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 75,00.
De verdediging heeft de reparatiekosten betwist en deze kosten zijn niet onderbouwd. De
benadeelde partij heeft dit deel van de vordering niet (nader) onderbouwd. De benadeelde partij thans nog de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de
vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De vordering van de benadeelde partij zal derhalve hoofdelijk worden toegewezen tot een bedrag van € 75,00 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Nu de vordering deels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten
die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 46]
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 46] vordert een bedrag van € 3.670,41 aan materiële schadevergoeding (goederen die uit een auto zijn verdwenen), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 3.670,41.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van de benadeelde partij in de vordering.
Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering is namens de verdachte gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. Op basis van de overgelegde stukken kan het hof niet vaststellen dat de goederen ten tijde van de openlijke geweldpleging in de auto lagen. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de
verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft
moeten maken. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil.
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 47]
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 47] vordert een bedrag van € 973,00 aan materiële schade,
te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De materiële schade bestaat uit het eigen risico voor de autoverzekering in verband met schade aan de auto (€ 150,00) en de premieverhoging van de autoverzekering voor de komende 5 jaren (€ 823,00).
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 973,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering is namens de verdachte onvoldoende gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd met een schadecalculatie van [naam autoschadeherstelbedrijf] en een brief van FBTO van 23 februari 2024, waarin staat dat FBTO de kosten van de reparatie betaalt aan [naam autoschadeherstelbedrijf] , dat het eigen risico € 150,00 bedraagt en dat de premie stijgt door deze schade die het gevolg is van rellen. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de openlijke geweldpleging. De gevorderde schadevergoeding acht het hof dus toewijsbaar.
Ten aanzien van de kosten eigen risico zal het hof de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 17 februari 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die dag is ontstaan.
De schade als een gevolg van de stijging van de premie begroot het hof op een bedrag van € 823,00. Ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag bestaande uit premiebedragen die in de toekomst verschuldigd zullen worden, zal het hof de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren Het hof beschikt niet over voldoende informatie om de ingangsdatum van de wettelijke rente over de verschillende bedragen te bepalen en het zou een onevenredige belasting vormen van het geding om dit nader te onderzoeken.
De vordering van de benadeelde partij zal derhalve hoofdelijk worden toegewezen tot een bedrag van € 823,00 en € 150,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over het bedrag € 150,00 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 150,00, en voor het overige zal het hof de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de vordering.
Nu de vordering grotendeels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 48]
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 48] vordert een bedrag van € 5.946,60 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het betreft verdwenen spullen uit de auto (€ 1.957,10), sleepkosten (€ 239,50) en het verschil tussen de (werkelijke) waarde en de dagwaarde van de auto (€ 3.750,00).
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 5.946,60.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 239,50 ter zake van sleepkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in de vordering voor het overige.
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de sleep- dan wel stallingskosten, is door
de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij deze schade rechtstreeks heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Het hof zal de vordering daarom toewijzen tot een bedrag van € 239,50.
Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover deze betrekking heeft op de spullen in de auto ter waarde van € 1.957,10 en het bedrag van € 3.750,00 voor het verschil tussen de werkelijke waarde en de dagwaarde van de auto. Deze onderdelen van de vordering zijn namens de verdachte gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. Op basis van de overgelegde stukken kan het hof niet vaststellen dat de goederen ten tijde van de openlijke geweldpleging in de auto lagen en als gevolg daarvan verloren zijn gegaan. Met betrekking tot het verschil tussen de dagwaarde van de afgebrande auto en de (werkelijke) waarde daarvan overweegt het hof het volgende. Uit de overgelegde stukken blijkt dat op basis van een expertiserapport de dagwaarde van de auto is bepaald en dat de verzekering deze dagwaarde reeds heeft vergoed. Met het aankoopbewijs van een andere auto is onvoldoende onderbouwd dat de (werkelijke) waarde van de afgebrande auto ten tijde van het openlijk gepleegde geweld hoger lag dan de dagwaarde die door de verzekeringsmaatschappij is vastgesteld. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van deze delen van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De vordering van de benadeelde partij zal derhalve hoofdelijk worden toegewezen tot een bedrag van € 239,50 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Nu de vordering deels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten
die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 49]
Namens de benadeelde partij [naam benadeelde partij 49] is een vordering tot schadevergoeding ingediend, waarbij een bedrag van € 200,00 aan materiële schade wordt gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 200,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van de benadeelde partij in de vordering.
Het schadebedrag dat namens de benadeelde partij is gevorderd is het verschil tussen de aanschafwaarde van de auto (€ 8.900,00 op 30 december 2022) en het uitgekeerde schadebedrag op basis van de dagwaarde door de verzekeraar (op 23 februari 2024 vastgesteld op € 8.700,00). De benadeelde partij heeft, zo blijkt uit de overgelegde stukken, vanaf de aanschaf tot 17 februari 2024 ruim een jaar in de auto kunnen rijden. Gelet hierop moet het niet-vergoede bedrag van € 200,00 worden beschouwd als afschrijving op de auto en niet als schade die het gevolg is van de openlijke geweldpleging. Het hof zal de vordering van de benadeelde partij dan ook afwijzen.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de
verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft
moeten maken. Het hof begroot deze kosten op nihil.
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 50]
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 50] heeft blijkens het voegingsformulier een bedrag van € 25.272,98 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering bestaat uit een bedrag van € 272,98 aan materiële schade (verdwenen goederen) en een bedrag van € 25.000,00 aan immateriële schade (verergering hartritmestoornis en aantasting persoonlijke levenssfeer).
In hoger beroep heeft de benadeelde partij (de hoogte van) de vordering schriftelijk toegelicht. Het hof begrijpt de vordering van de benadeelde partij aldus dat thans nog een bedrag van € 2.500,00 aan immateriële schade wordt gevorderd en nu het bedrag aan materiële schade in de toelichting niet expliciet wordt genoemd, dat dat deel van de vordering wordt gehandhaafd. Het hof begrijpt aldus dat in totaal € 2.772,98 wordt gevorderd.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van de benadeelde partij in de vordering.
Het hof zal de benadeelde partij, voor zover de vordering ziet op de materiële schade, niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering is namens de verdachte gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. Op basis van de overgelegde stukken kan het hof niet vaststellen dat de goederen ten tijde van de openlijke geweldpleging in de auto lagen en er een rechtstreeks verband bestaat tussen de schade en dit feit.
Het hof zal de benadeelde partij eveneens niet-ontvankelijk verklaren voor zover de vordering ziet op de immateriële schade. Ook dit deel van de vordering is namens de verdachte gemotiveerd betwist en namens de benadeelde onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de
verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft
moeten maken. Het hof begroot deze kosten op nihil.
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 51]
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 51] vordert een bedrag van € 3.372,88 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de officier van justitie, opgemaakt op 10 juli 2024, blijkt dat de benadeelde partij zijn vordering reeds in eerste aanleg heeft verminderd tot een bedrag van € 400,00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 400,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van de benadeelde partij in de vordering.
Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering is namens de verdachte gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. Op basis van de overgelegde stukken kan het hof niet vaststellen dat het eigen risico € 400,00 bedroeg. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de
verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft
moeten maken. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil.
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 52]
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 52] vordert een bedrag van € 847,00 aan materiële schadevergoeding (auto), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 847,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 847,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering is door de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de openlijke geweldpleging. De gevorderde schadevergoeding acht het hof toewijsbaar, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Nu de vordering hoofdelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 53]
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 53] vordert een bedrag van € 690,00 aan materiële schade, te
vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het gaat om eigen risico leaseauto (€ 300,00), schade aan een kinderzitje (€ 300,00) en kosten
vervangend vervoer (€ 90,00).
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 690,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 190,00 ter zake van het kinderstoeltje en de kosten van vervangend vervoer, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in de vordering voor het overige.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van het hof worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de openlijke geweldpleging. Op basis van de overgelegde stukken stelt het hof vast dat zich een kinderzitje in de auto van de benadeelde partij bevond dat door brand onbruikbaar is geworden. De waarde van het zitje is niet met stukken onderbouwd. Het hof maakt gebruik van haar schattingsbevoegdheid en stelt de schade vast op € 100,00. Voor de rest zal de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.
Gelet op de overgelegde foto’s van de forse autoschade is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij gebruik heeft moeten maken van vervangend vervoer. De kosten daarvan zijn niet onderbouwd. Het hof zal gebruikmaken van haar schattingsbevoegdheid en de schade vaststellen op € 90,00.
Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover deze het eigen risico betreft. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij niet onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
In totaal zal het hof dus een bedrag van € 190,00 hoofdelijk toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Nu de vordering deels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 54]
De benadeelde partij [naam benadeelde partij 54] vordert een bedrag van € 2.800,00 aan materiële schade, te
vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het betreft autoschade.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 2.800,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De omvang van de schade is namens de verdachte niet voldoende (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag. Dat de desbetreffende reparatie daadwerkelijk is uitgevoerd en door de benadeelde partij is betaald maakt het voorgaande niet anders en dat de benadeelde partij verzekerd zou zijn en in het verlengde daarvan reeds schadeloos gesteld zou zijn, volgt niet uit de stukken. De gevorderde schadevergoeding acht het hof toewijsbaar, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Nu de vordering hoofdelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 131 en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij 3254616
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3254616 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3254616, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3254628
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3254628 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3254628, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3254839
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3254839 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3254839, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [nummer proces-verbaal 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [nummer proces-verbaal 2] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [nummer proces-verbaal 2] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3254857
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3254857 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 950,00 (negenhonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3254857, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 950,00 (negenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3254869
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3254869 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3254869, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3254922
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3254922 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 700,00 (zevenhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3254922, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3255764
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3255764 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3255764, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3255767
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3255767 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 700,00 (zevenhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3255767, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3256007
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3256007 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3256007, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3256014
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3256014 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3256014, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3256065
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3256065 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3256065, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3256279
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3256279 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3256279, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3256298
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3256298 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3256298, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3256309
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3256309 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3256309, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3256357
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3256357 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3256357, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3256367
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3256367 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3256367, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3256593
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3256593 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3256593, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3256600
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3256600 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3256600, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3256945
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3256945 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3256945, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3257688
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3257688 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3257688, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3258166
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3258166 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3258166, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3259023
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3259023 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3259023, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3259472
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3259472 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3259472, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3260529
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3260529 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3260529, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij 3272822
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3272822 ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3272822, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 28]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 28] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 28] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 41]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 41] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 370,00 (driehonderdzeventig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 41] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 370,00 (driehonderdzeventig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 10]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 10] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 10] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 46]
Verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde partij 46] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 6]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 6] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 6] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 2] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 37]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 37] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 700,00 (zevenhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 37] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 52]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 52] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 847,00 (achthonderdzevenenveertig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 52] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 847,00 (achthonderdzevenenveertig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 13]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 13] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 13] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 8]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 8] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 8] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 17]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 17] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 17] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 54]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 54] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.800,00 (tweeduizend achthonderd euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 54] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.800,00 (tweeduizend achthonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 53]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 53] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 190,00 (honderdnegentig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 53] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 190,00 (honderdnegentig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 40]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 40] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 40] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 3 (drie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 5]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 5] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 5] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 48]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 48] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 239,50 (tweehonderdnegenendertig euro en vijftig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 48] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 239,50 (tweehonderdnegenendertig euro en vijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 27]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 27] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 27] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 11]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 11] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 11] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 24]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 24] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 24] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 4]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 4] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 4] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 50]
Verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde partij 50] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 26]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 26] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 26] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 38]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 38] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 700,00 (zevenhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 38] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 30]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 30] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 30] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 31]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 31] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 700,00 (zevenhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 31] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 44]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 44] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 14.478,21 (veertienduizend vierhonderdachtenzeventig euro en eenentwintig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 44] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 14.478,21 (veertienduizend vierhonderdachtenzeventig euro en eenentwintig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 7 (zeven) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 21]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 21] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 21] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 39]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 39] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 3.000,00 (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 39] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,00 (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 45]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 45] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 75,00 (vijfenzeventig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 45] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 75,00 (vijfenzeventig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 16]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 16] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 16] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 35]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 35] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 700,00 (zevenhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 35] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 22]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 22] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 22] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 19]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 19] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 19] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 29]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 29] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 29] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 12]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 12] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 12] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 34]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 34] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 700,00 (zevenhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 34] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 43]
Verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde partij 43] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 32]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 32] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 700,00 (zevenhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 32] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 49]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 49] tot schadevergoeding af.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 33]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 33] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 700,00 (zevenhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 33] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 7]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 7] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 7] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 18]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 18] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 18] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 15]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 15] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 15] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 9]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 9] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 9] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 36]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 36] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 700,00 (zevenhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 36] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 20]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 20] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 20] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 51]
Verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde partij 51] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 3]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 3] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 3] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 47]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 47] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 973,00 (negenhonderddrieënzeventig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag € 150,00 (honderdvijftig euro) vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 47] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 973,00 (negenhonderddrieënzeventig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag € 150,00 (honderdvijftig euro) vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade ter hoogte van
€ 150,00 (honderdvijftig euro) op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 25]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 25] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 25] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 23]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 23] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 23] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 42]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 42] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 20.551,07 (twintigduizend vijfhonderdeenenvijftig euro en zeven cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 42] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.551,07 (twintigduizend vijfhonderdeenenvijftig euro en zeven cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 9 (negen) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 14]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 14] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
82,00 (tweeëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 14] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [bedrijfsnaam 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [bedrijfsnaam 1] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 128.271,04 (honderdachtentwintigduizend tweehonderdeenenzeventig euro en vier cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 1.929,00 (duizend negenhonderdnegenentwintig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [bedrijfsnaam 1] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 128.271,04 (honderdachtentwintigduizend tweehonderdeenenzeventig euro en vier cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 85 (vijfentachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij Nationale Politie
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Nationale Politie ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 474.450,34 (vierhonderdvierenzeventigduizend vierhonderdvijftig euro en vierendertig cent) ter zake van materiële schade,waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 7.448,05 (zevenduizend vierhonderdachtenveertig en vijf cent).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Nationale Politie, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 474.450,34 (vierhonderdvierenzeventigduizend vierhonderdvijftig euro en vierendertig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 157 (honderdzevenenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 februari 2024.
Vordering van de benadeelde partij Veiligheidsregio Haaglanden
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Veiligheidsregio Haaglanden ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 250,00 (tweehonderdvijftig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Veiligheidsregio Haaglanden, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 februari 2024.
Dit arrest is gewezen door mr. E.C. van Veen, als voorzitter, en mr. M.C. Bruining en mr. F.W. Pieters, leden, in bijzijn van de griffiers mr. R. Rakić-Dieteren en mr. M.S. Karsters.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 juli 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s dan betreft dit de pagina’s van het procesdossier met onderzoeksnummer [nummer] , TGO Charlie24 (Algemeen Dossier p. 1-62, Aangiften dossier p. 1-761 en Persoonsdossier p. 1-67).
2.Proces-verbaal van bevindingen, p. 33 e.v. Algemeen dossier.
3.Proces-verbaal van bevindingen, p. 51 Algemeen dossier.
4.Proces-verbaal van bevindingen, p. 53 e.v. Algemeen dossier, Proces-verbaal van bevindingen, p. 6 e.v. Algemeen dossier en Proces-verbaal van aangifte [naam benadeelde partij 41] , p. 44 e.v. Aangiften dossier.
5.Proces-verbaal van bevindingen, p. 6 e.v. Algemeen dossier, Proces-verbaal van bevindingen, p. 55 e.v. Algemeen dossier, Proces-verbaal van bevindingen, p. 146-148 Aangiften dossier, Proces-verbaal van bevindingen, p. 99 Aangiften dossier.
6.Proces-verbaal van bevindingen, p. 7 Algemeen dossier.
7.Proces-verbaal van bevindingen, p. 8 Algemeen dossier.
8.Proces-verbaal van bevindingen, p. 7 Algemeen dossier en Proces-verbaal van bevindingen, p. 99 e.v. Aangiften dossier.
9.Proces-verbaal van aangifte van [naam benadeelde partij 34] , p. 178 Aangiften dossier.
10.Proces-verbaal van bevindingen, p. 291 Aangiften dossier.
11.Proces-verbaal van bevindingen, p. 17 e.v. Algemeen dossier.
12.Proces-verbaal van bevindingen, p. 55 e.v. Algemeen dossier en Proces-verbaal van bevindingen, p. 17 e.v. Algemeen dossier.
13.Proces-verbaal van aangifte [aangever 1] namens Gemeente Den Haag, p. 602 Aangiften dossier.
14.Proces-verbaal van bevindingen, p. 56 Algemeen dossier.
15.Proces-verbaal van aangifte [naam benadeelde partij 5] , p. 250 Aangiften dossier.
16.Proces-verbaal van bevindingen, p. 5 e.v. Algemeen dossier.
17.Proces-verbaal van bevindingen, p. 51 Algemeen dossier.
18.Proces-verbaal van bevindingen, p. 56 Algemeen dossier.
19.Proces-verbaal van bevindingen, p. 56 Algemeen dossier, Proces-verbaal van bevindingen, p. 8 Algemeen dossier en Proces-verbaal van bevindingen, p. 18 Algemeen dossier.
20.Proces-verbaal van relaas verbalisant [naam verbalisant 2] , p. 10 van het relaas Algemeen dossier.
21.Proces-verbaal van bevindingen, p. 56 Algemeen dossier.
22.Proces-verbaal van aangifte [aangever 2] , p. 596 Aangiften dossier.
23.Proces-verbaal van bevindingen, p. 8 Algemeen dossier.
24.Proces-verbaal van aangifte [aangever 3] , p. 602 Aangiften dossier en een geschift, zijnde digitale aangifte door de Gemeente Den Haag, Publiekszaken, p. 638 Aangiften dossier.
25.Proces-verbaal van aangifte [aangever 4] namens [bedrijfsnaam 2] , p. 743 Aangiften dossier.
26.Proces-verbaal van aangifte [naam benadeelde partij 42] , p. 653 Aangiften dossier, Proces-verbaal van aangifte [naam benadeelde partij 46] , p. 682 Aangiften dossier, en Proces-verbaal van aangifte [aangever 5] , p. 659 Aangiften dossier.
27.Proces-verbaal van bevindingen, p. 56 Algemeen dossier, Proces-verbaal van aangifte [aangever 8] , p. 44 e.v. Aangiften dossier, en Proces-verbaal van aangifte [aangever 6] , p. 56 e.v. Aangiften dossier.
28.Proces-verbaal van aangifte [aangever 7] , p. 295 Aangiften dossier, Proces-verbaal van bevindingen, p. 203 e.v. Aangiften dossier, Proces-verbaal van bevindingen, p. 171 Aangiften dossier, Proces-verbaal van bevindingen, p. 110 en Proces-verbaal van aangifte [nummer proces-verbaal 2] , p. 482 Aangiften dossier.
29.Proces-verbaal van aangifte [naam benadeelde partij 40] , p. 212 e.v. Aangiften dossier.
30.Proces-verbaal van bevindingen, p. 142 e.v. Aangiften dossier.
31.Proces-verbaal van bevindingen, p. 35a e.v. Persoonsdossier.
32.Proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 17 mei 2024.
33.Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 13 mei 2024.
35.ECLI:NL:HR:2003:AL6209 en de daarin genoemde wetsgeschiedenis.
40.Verklaring verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 13 mei 2026, Proces-verbaal van bevindingen, p. 13 e.v. Persoonsdossier.
41.Vertaling door [naam tolk- en vertaaldienst 1] , p. 1-21.
42.Proces-verbaal [nummer proces-verbaal 1] , met bijlage, bevattende een vertaling op verzoek van de politie door een beëdigd tolk Eritrees, p. 22-24 Persoonsdossier.
43.In opdracht van de verdediging opgestelde vertaling van [naam tolk- en vertaaldienst 2] , gehecht als bijlage bij een brief van de verdediging aan de officier van justitie van 13 mei 2024.
44.De hiernavolgende delen zijn afkomstig uit de vertaling door [naam tolk- en vertaaldienst 1] , p. 1-17.
45.Hoge Raad 2 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:822.