Uitspraak
Onderzoek van de zaak
Procesgang
Tenlastelegging
hij in of omstreeks de periode van 11 maart 2009 tot en met 25 maart 2009 te Leerdam en/of Hoek van Holland en/of Schiedam en/of Tiel, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd door die [slachtoffer] (meermalen) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de nek en/of in de hals en/of in het gezicht, in ieder geval in het lichaam, te steken en/of te snijden.
hij in of omstreeks de periode van 11 maart 2009 tot en met 25 maart 2009 te Hoek van Holland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een lijk, te weten het stoffelijk overschot van [slachtoffer], heeft begraven, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) in de duinen een kuil gegraven en/of het lichaam van [slachtoffer] in die kuil gelegd en/of (vervolgens) deze kuil afgedekt met zand en/of aarde.
Vordering van de advocaten-generaal
Het vonnis waarvan beroep
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
voorafgaandetoestemming was van een Nederlandse rechter-commissaris voor de hack door de Franse autoriteiten, en er tevens geen individuele verdenking jegens een individuele verdachte bestond, waardoor er geen wettelijke basis was deze bulkinterceptie, die bovendien verder ging dan live-interceptie, als opsporingsmiddel in te zetten. Daarmee is sprake van een ernstige inbreuk op artikel 8 EVRM Pro. De inbreuk op het privéleven van Enchrochat gebruikers is groot.
"the proceedings as a whole were not fair".
Vrijspraak
Nadere overwegingen
Feitenvaststelling
Tussenconclusie: [slachtoffer] is door geweld om het leven gekomen. Aan hem is gefaseerd pijn en letsel toegebracht.
Tussenconclusie: de dader(s) van het om het leven brengen van [slachtoffer] moet(en) worden gezocht in de criminele kringen waarin [slachtoffer] zich bewoog.
- [adres 1] . Deze woning was eigendom van de zus en zwager van [medeverdachte 1] en kan worden aangemerkt als de toenmalige verblijfplaats van [medeverdachte 1];
- [adres 2]. [getuige 1], die hoofdbewoner was van deze woning, heeft verklaard dat [slachtoffer] en de overige verdachten dit adres gebruikten als ‘safehouse’;
- [adres 3]. Deze woning werd gehuurd op naam van een derde maar was in gebruik bij [medeverdachte 3] en [verdachte] toen zij daar op 5 februari 2009 werden aangehouden in een ander opsporingsonderzoek.
Tussenconclusie: ook de verdachten verkeerden in kringen van zware criminaliteit en stonden in nauw contact met [slachtoffer] tot kort voor zijn dood.
Tussenconclusie:
[slachtoffer] is kort voor zijn dood ondergedoken. Zijn laatste levensteken dateert van de avond van 16 maart 2009, tussen 21.32 en 21.36 uur. Het is aannemelijk dat hij binnen enkele uren hierna is overleden.
Audi A4 ([kenteken 3])
Opel Astra ([kenteken 2])
vastegebruiker was van de Opel Astra met kenteken [kenteken 2].
Tussenconclusie: [verdachte] was de vaste gebruiker van de Audi A4 ([kenteken 3]). Gelet op het voorgaande en bij gebreke aan duidelijke aanwijzingen voor het tegendeel gaat het hof ervan uit dat [verdachte] in de periode van 9 tot en met 18 maart 2009 steeds de gebruiker van deze auto is geweest.
Mede in aanmerking genomen a. het ontbreken van adressen die specifiek zouden kunnen wijzen in de richting van [medeverdachte 3], en b. de omstandigheid dat het niet voor de hand ligt dat [medeverdachte 3] tegelijkertijd met [verdachte] heeft overnacht op het adres van de vriendin van [verdachte], kan niet worden vastgesteld dat [medeverdachte 3] zich als inzittende gelijktijdig met [verdachte] in de Audi A4 heeft bevonden.
)gedurende 1 uur en 10 minuten stilgestaan in een parkeervak aan de Strandboulevard tegenover de trap naar het looppad.
Tussenconclusie: de huurauto in gebruik bij [verdachte](Audi A4 met kenteken [kenteken 3]) is meerdere malen nabij de plek geweest waar het lichaam van [slachtoffer] is aangetroffen, vlak voor, op en na de dag dat [slachtoffer] voor het laatst is gezien. Ditzelfde geldt voor de Opel Astra met kenteken [kenteken 2].
- [getuige 5], die boven [slachtoffer] woonde, heeft een aangetroffen rugzak, een Boeddhabeeldje en een dekbedovertrek herkend.
- [getuige 7], een jeugdvriend van [slachtoffer] die deel uitmaakte van de groep Oosten, heeft het Boeddhabeeldje herkend.
- [getuige 8], die [slachtoffer] in de laatste maand van zijn leven nog heeft bezocht toen hij op zoek was naar een onderduikadres, heeft de rugzak herkend.
Tussenconclusie: [verdachte] heeft op 17 maart 2009, acht uur nadat [slachtoffer] voor het laatst in leven is gezien, goederen van [slachtoffer] weggegooid in de Noordvest te Schiedam teneinde het latere opsporingsonderzoek naar de verdwijning van dan wel de moord op [slachtoffer] te bemoeilijken.
De getuigenverklaringen
medeplegenhouden de voorwaarden voor aansprakelijkstelling vooral in dat naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad sprake moet zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. In de praktijk is een belangrijke en moeilijke vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. Die vraag laat zich volgens de Hoge Raad niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Algemene regels kunnen daarom dienaangaande niet worden gegeven. Wel kan de Hoge Raad met betrekking tot dit thema, mede gelet op zijn eerdere rechtspraak, enige aandachtspunten formuleren. De kwalificatie medeplegen is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Het hof voegt hieraan toe dat dit dan wel uit de wettige en betrouwbare bewijsmiddelen dient te blijken.
medeplegen dan wel medeplichtigheidaan een strafbaar feit. Waar het verwijt bij
medeplegenzich concentreert op het gewicht van de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte, is het kernverwijt bij
medeplichtigheid"het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf". Voor
medeplegenis vereist dat de verdachte "een voldoende significante of wezenlijke bijdrage” aan het feit heeft geleverd. Een en ander brengt mee dat wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met
medeplichtigheidin verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor
medeplegenvereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient tot slot opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Het gaat er immers om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict.
het daderschapvan een of meer van de verdachten. Het gaat dan dus om de verklaringen die [getuige 7], [getuige 9] en [getuige 10] door de jaren heen in dit onderzoek tegenover de politie en de rechter-commissaris hebben afgelegd. De verklaringen van [getuige 7] en [getuige 9] hebben met elkaar gemeen dat zij naar het oordeel van het hof vrij algemeen van inhoud zijn en zeer weinig details kennen. Belangrijker is voorts dat zij alle drie volledig spruiten uit een en dezelfde bron, te weten de getuige/verdachte [getuige 13]. De drie getuigenverklaringen laten zich daarmee in juridische zin kenmerken als zogenoemde verklaringen ‘
de auditu’ (van horen zeggen).
de auditunog het volgende verklaard. [getuige 13] heeft tegen deze getuige gezegd dat hij, [getuige 13], had gehoord van [medeverdachte 3] en [verdachte], dat [slachtoffer] naar die plek was gelokt. Toen [slachtoffer] daar was aangekomen pakte [verdachte] hem op de nek en probeerde deze [slachtoffer] te wurgen. Dood wurgen. Maar dat lukte hem niet. De Chinees wou niet doodgaan. Vervolgens stak [verdachte] met een mes in zijn been en toen hebben ze hem opengesneden, in het gat gedumpt en dichtgemaakt.
de auditugetuigen geen inhoudelijke verklaringen af willen leggen tegenover de politie. Ook bij de rechter-commissaris kon hij op dit specifieke punt niet worden gehoord nu hij zich daar telkens heeft beroepen op zijn verschoningsrecht. De getuige heeft desgevraagd nog wel het volgende naar voren gebracht: “[getuige 10] brengt het alsof [getuige 7] eerder wist dan de politie van het overlijden van [slachtoffer]. Dat klopt niet. Nadat [slachtoffer] was gevonden, heeft [getuige 7] diezelfde dag nog een gesprek gehad met [getuige 10] en daarin heeft [getuige 7] gezegd dat [slachtoffer] was gevonden. [getuige 7] was ook een vriend van [slachtoffer] en hij was er ook van geschrokken. [getuige 10] was niet dichtbij ons. (…) U vraagt mij wat ik ermee bedoel als ik zeg: “[getuige 10] was niet dichtbij ons”. Ik bedoel daarmee dat hij geen directe vriend was van ons, we zagen hem niet dagelijks en hij ging niet mee sporten. Ik was wel directe vrienden met [getuige 7] en [getuige 9]”.
de audituverklaringen van [getuige 10] betreft, dat [getuige 10] “een betrouwbare getuige is wiens verklaringen ondersteuning bieden aan de andere bewijsmiddelen”. Het openbaar ministerie heeft voor het dragende bewijs in onderhavige zaak, als gezegd, in hoofdzaak op de eerste plaats gewezen op de verklaringen afgelegd door [getuige 10], waarvoor het openbaar ministerie mede acht heeft geslagen op de inhoud van de overige
de audituverklaringen van [getuige 7] en [getuige 9], bezien tegen het licht van de overige bewijsmiddelen in het dossier.
de audituverklaringen van alle getuigen, en in het bijzonder die van [getuige 10], wegens onbetrouwbaarheid moeten worden uitgesloten van het bewijs. In dat verband is er onder meer op gewezen dat de verklaringen niet op eigen waarneming zijn gebaseerd en op de onbetrouwbaarheid van de bron van de informatie waarover de getuigen spreken, te weten [getuige 13].
de audituverklaringen in potentie doorslaggevend bewijs kunnen vormen. Zo ook in deze zaak op het punt van het eventuele daderschap van de verdachte(n). Voorwaarde daarvoor is evenwel dat getoetst en vastgesteld moet kunnen worden dat sprake is van betrouwbaar bewijsmateriaal.
daderschapvan de verdachte en/of zijn medeverdachte(n) achtereenvolgens dat naar het oordeel van het hof:
- het merendeel van de
- deze verklaringen onderling in de kern op detailniveau weinig overeenkomsten vertonen - terwijl de bron daarvan steeds dezelfde [getuige 13] betreft;
- de bron van de
- de verschillende getuigenverklaringen van [getuige 10] op verschillende punten - evident - innerlijk tegenstrijdig zijn, bijvoorbeeld en daarmee rakend aan de kern van de zaak: wie [slachtoffer] heeft gestoken met een mes;
- de bron van de
- de
- de
de audituverklaringen van de genoemde getuigen niet kunnen worden gebezigd tot het bewijs nu deze verklaringen in de kern beschouwd wat betreft de betrouwbaarheid daarvan niet voldoende kunnen worden getoetst, de verklaringen van [getuige 10] op zichzelf onvoldoende innerlijk consistent zijn en deze voorts deels in strijd zijn met overige onderzoeksbevindingen. Dit geldt temeer nu de verdediging ter zitting ernstige aanwijzingen en concrete aanknopingspunten heeft benoemd waardoor aan de betrouwbaarheid van de bron van de
de audituverklaringen – het gaat dan om de intrinsieke betrouwbaarheid van [getuige 13] als bron getuige – kan worden getwijfeld met het oog op diens eigen mogelijke betrokkenheid bij onderhavige strafzaak en zijn getroebleerde relatie met [slachtoffer]. [getuige 13] zou een belang kunnen hebben om anderen ten onrechte te belasten. De door het openbaar ministerie bij requisitoir naar voren gebrachte omstandigheid dat [getuige 7] en [getuige 9] kennelijk op een dodenlijst zijn geplaatst door [medeverdachte 3], acht het hof, anders dan het openbaar ministerie, niet ondersteunend aan de betrouwbaarheid van hun verklaringen, maar veeleer een omstandigheid waardoor met extra behoedzaamheid met de bewijswaardering van deze getuigenverklaringen dient te worden omgegaan.
de audituverklaringen van [getuige 7], [getuige 9] en [getuige 10] uitsluiten van het bewijs.
de audituverklaringen als getuige bij de politie en rechter-commissaris voorts verklaard dat hij, via door hem en [medeverdachte 3] uitgewisselde PGP-berichten, door [medeverdachte 3]
zelfis geïnformeerd over het daderschap van [medeverdachte 3] en [verdachte]. [medeverdachte 3] zou namelijk tegenover [getuige 10] hebben “gezegd” dat hij, [medeverdachte 3], [slachtoffer] heeft vermoord. [getuige 10] heeft hierover tegenover de rechter-commissaris op 28 oktober 2019 het volgende verklaard:
daderschapvan de verdachte(n), en in het bijzonder ten aanzien van [medeverdachte 3] en [verdachte]- geldt dat deze verklaringen - alleen al bij eerste lezing - allerhande vragen (blijven) oproepen, aan meerdere innerlijke tegenstrijdigheden lijden, en ook overigens vaag en niet of nauwelijks gedetailleerd van inhoud zijn. De verklaring van [getuige 10] over het voeren van de zogeheten encrypted gesprekken en de inhoud daarvan vindt overigens ook geen steun in ander bewijs.
Wat ik wist wat ie allemaal had gedaan, dan euh..kijk je er ook wel anders naar.
Engerd was dat hoor.
Die hebben natuurlijk euh.. die vent euh…z’n hoofd eraf gesneden. Gemarteld..euh..
Ja, hij zat me alles te vertellen. Hij zegt, ze hadden hem in het zand begraven. Zeg maar omdat het ging regenen was het omhoog gekomen. Hij zegt anders hadden ze hem nooit gevonden. Hoe die dat allemaal zat te vertellen gewoon en hij was gewoon aan het eten.. en ik zat daar… Wat the fuck is dit..
[slachtoffer]
:[slachtoffer]
exactwelke groep personen dit ziet.
zehadden hem in het zand begraven”. Het hof stelt hier enerzijds met de verdediging vast dat “ze” in dit verband ook kan zien op anderen dan [verdachte] en zijn medeverdachte(n). Het hof stelt anderzijds met het openbaar ministerie vast dat “ze” ook kan zien op [verdachte] en een (of meer van zijn) medeverdachte(n). Echter, zelfs uitgaande van deze laatste interpretatie van de bewoordingen van [getuige 11], rijst de vraag of met de bewoordingen “ze hadden hem in het zand begraven”, buiten redelijke twijfel en zonder meer voorts kan worden vastgesteld, mede gelet op de context van het gesprek, dat hieruit volgt dat [verdachte] en een of meer van zijn medeverdachte(n) voorafgaande aan het begraven van [slachtoffer] (feit 2) tezamen en in vereniging ook de moord/doodslag op [slachtoffer] hebben gepleegd (feit 1). Of kan hiermee “slechts” worden vastgesteld dat zij tezamen en in vereniging het lijk van [slachtoffer] hebben begraven overeenkomstig de exacte bewoordingen van [getuige 11] (feit 2)?
alleszat te vertellen” maakt dit – anders dan het openbaar ministerie stelt – naar het oordeel van het hof ook niet zonder meer anders nu dit een invulling van de bewoordingen vergt van [getuige 11] die zij niet zelf heeft uitgesproken. Eveneens anders dan het openbaar ministerie, ziet het hof geen uiting van “daderkennis” van feit 1 in de opmerking dat – zakelijk weergegeven – ‘het omhoog was gekomen omdat het ging regenen en dat ze hem anders nooit hadden gevonden’. Weliswaar staat voldoende vast dat het heeft geregend in de dagen tussen het begraven van het lichaam van [slachtoffer] en het aantreffen daarvan en dat er water aanwezig was in de grafkuil vanwege de hoge grondwaterstand, maar daarmee is niet gezegd dat de regen (of de grondwaterstand) iets te maken heeft gehad met het ontdekken van dit specifieke graf. Dit lijkt in casu ook geenszins het geval. Het graf van [slachtoffer] is gevonden omdat vrijwilligers in het duingebied hadden opgemerkt dat het beeld van de grond er op deze plek afwijkend uitzag en leek te zijn verstoord, hetgeen opmerkelijk was voor deze locatie. Dat laat weliswaar onverlet de mogelijkheid dat [verdachte] in de genoemde veronderstelling kan hebben verkeerd, maar ook die redenering zegt niets, althans niets doorslaggevends, over het door het openbaar ministerie veronderstelde daderschap van [verdachte] bij de moord althans doodslag op [slachtoffer] (feit 1), nu ook iets anders, en zelfs het eventuele daderschap van feit 2 die veronderstelling bij [verdachte] kan hebben gevoed.
Slotbeoordeling
Op het eerste gezicht lijkt de zaak Duin een zaak met een problematische bewijsvraag. Vaststaat dat [slachtoffer] door een misdrijf om het leven gekomen is. Verder lijkt veel onduidelijk. Hoewel er zeer veel tijd en energie is gestoken in het onderzoek, blijven er vragen over het tijdstip waarop [slachtoffer] moet zijn overleden, de plaats waar hij om het leven is gebracht, het moordwapen, het motief en de betrokken personen.‘ Sindsdien is er niet veel veranderd. Nader onderzoek in hoger beroep heeft weinig of niets opgeleverd dat kan worden aangemerkt als belastend, laat staan dat gezegd kan worden dat de uitkomsten daarvan noemenswaardig licht werpen op het antwoord op de vraag waar deze strafzaak om draait, te weten wie [slachtoffer] om het leven heeft gebracht.
medeplichtigheidin verband plegen te worden gebracht. Te weten in concreto: het in de Audi A4 op de uitkijk staan in de nacht van 17 maart 2009 bij het begraven van het lijk van [slachtoffer] op diezelfde datum, en het nog iets later op diezelfde dag ’s ochtends vroeg wegmaken van bewijsmateriaal dat met [slachtoffer] in verband kan worden gebracht.