ECLI:NL:GHDHA:2026:25

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
200.296.556/02
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over de uitleg en toepassing van een vaststellingsovereenkomst (VSO) in het kader van een DJ-act

In deze zaak gaat het om een geschil tussen [appellant 1] c.s. en [geïntimeerde 1] c.s. over de uitleg en toepassing van een vaststellingsovereenkomst (VSO) die is gesloten ter beëindiging van een geschil over de voortzetting van een DJ-act. De VSO bevat bepalingen over de betaling van licentievergoedingen en de teruglevering van activa. [appellant 1] c.s. heeft de betaling van de licentievergoedingen opgeschort, omdat hij meent dat [geïntimeerde 1] c.s. zijn verplichtingen uit de VSO niet is nagekomen. [geïntimeerden 1 t/m 4] hebben in kort geding teruglevering van de activa gevorderd en een verbod op inbreuk op intellectuele eigendomsrechten. Het hof heeft geoordeeld dat [appellant 1] c.s. zich terecht op opschorting kan beroepen, omdat [geïntimeerde 1] c.s. tekort is geschoten in zijn verplichtingen. De vorderingen van [geïntimeerden 1 t/m 4] zijn daarom afgewezen. Het hof heeft [geïntimeerde 1] c.s. hoofdelijk veroordeeld tot het afwikkelen van de Amerikaanse belastingverplichtingen met betrekking tot de DJ-act en heeft de proceskosten aan de zijde van [appellant 1] c.s. toegewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.296.556/02
Zaaknummer rechtbank : C/09/601767 / KG ZA 20-1034
Arrest in kort geding van 20 januari 2026
in de zaak van

1.[appellant 1] ,

wonend te [woonplaats] ,
2. World Traveller Holding B.V.,
3. World Traveller Merchandise B.V.,
4. Bouncing Productions B.V.,
5. Playing Global B.V.,
6. Dutchmaster Merch B.V.,
7. WT Investment B.V.,
8. World Traveller B.V.,
alle gevestigd te Den Haag,
appellanten in principaal hoger beroep,
geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M.T.M. Koedooder te Amsterdam,
tegen

1.[geïntimeerde 1] ,

wonend te Den Haag,
2. [geïntimeerde 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
3. [geïntimeerde 3],
wonend te Den Haag,
4. [geïntimeerde 4] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
5. [geïntimeerde 5],
wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
6. [geïntimeerde 6] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] ,
geïntimeerden in principaal hoger beroep,
appellanten in incidenteel hoger beroep,
advocaat: onttrokken.
Het hof noemt partijen hierna als volgt:
- appellanten in principaal hoger beroep, geïntimeerden in incidenteel hoger beroep: [appellant 1] en de [appellant 1] -vennootschappen, gezamenlijk [appellant 1] c.s.;
- geïntimeerden in principaal hoger beroep, appellanten in incidenteel hoger beroep: [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] , [geïntimeerde 5] en [geïntimeerde 6] , gezamenlijk [geïntimeerde 1] c.s., en [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] gezamenlijk: [geïntimeerden 1 t/m 4] .

1.De zaak in het kort

1.1.
Na een eerdere samenwerking in het kader van een DJ-
actis tussen partijen een geschil ontstaan dat zij hebben opgelost door middel van een vaststellingsovereenkomst die kort gezegd voorzag in voortzetting van de
actdoor [appellant 1] c.s. tegen betaling van een licentievergoeding, op straffe van teruglevering van de activa van de
acten beëindiging van een licentie voor het gebruik van de daarmee samenhangende merk- en handelsnaamrechten. [appellant 1] c.s. heeft de betaling van die licentievergoedingen op enig moment gestaakt in afwachting van de nakoming door [geïntimeerde 1] c.s. van een verbintenis die volgens hem op [geïntimeerde 1] c.s. rustte. [geïntimeerden 1 t/m 4] vorderen in kort geding teruglevering van de betrokken activa en een verbod op inbreuk op daarmee samenhangende IE-rechten en [geïntimeerde 1] c.s. vordert betaling van de nog niet betaalde licentievergoeding. Het hof aanvaardt in dit arrest het beroep van [appellant 1] op opschorting en wijst deze vorderingen daarom af. Ook wijst het tegenvorderingen van [appellant 1] c.s. toe.

2.De procedure in hoger beroep in de hoofdzaak

2.1.
Het verloop van de procedure in hoger beroep in de hoofdzaak tot aan de mondelinge behandeling blijkt uit:
- de dagvaarding van 12 april 2021 waarmee [appellant 1] c.s. in hoger beroep is gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 17 maart 2021; [1]
- de memorie van grieven, tevens akte wijziging van eis, van [appellant 1] c.s., met producties;
- de memorie van antwoord, tevens houdende eisvermeerdering en grieven in incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde 1] c.s., met producties;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep van [appellant 1] c.s, met producties;
- de akte uitlating van [geïntimeerde 1] c.s.;
- de akte uitlating producties en overlegging producties SHB45 en SHB46 van [appellant 1] c.s.;
- de akte houdende overlegging producties MHB80 tot en met MHB92 van [geïntimeerde 1] c.s.;
- de akte houdende overlegging producties SHB47 tot en met SHB61 van [appellant 1] c.s.;
- de brief van [geïntimeerde 1] c.s. van 31 maart 2023, met bijlagen 1 en 2;
- de akte houdende overlegging producties SHB62 tot en met SHB66 van [appellant 1] c.s.;
- de brief van [geïntimeerde 1] c.s. van 3 april 2023 met productie MHB93;
- de e-mail van 19 februari 2019 van mr. [advocaat 2] aan de advocaten van [geïntimeerde 1] c.s. waar [appellant 1] c.s. naar verwijst in punt 66 van zijn memorie van grieven en die zijn advocaten op verzoek van het hof in het geding hebben gebracht tijdens de hierna bedoelde mondelinge behandeling.
2.2.
Op 4 april 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden waarbij de advocaten van partijen de zaak hebben toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.
2.3.
[geïntimeerde 1] c.s. heeft tijdens deze mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen de producties SHB62 tot en met SHB66 van [appellant 1] c.s., omdat [appellant 1] c.s. deze volgens hem te laat in het geding heeft gebracht. Het hof verwerpt dat bezwaar. [appellant 1] c.s. heeft die producties weliswaar later in het geding gebracht dan de termijn van tien dagen die daarvoor staat in het Landelijk procesreglement dagvaardingszaken hoven, maar vroeg genoeg om aan [geïntimeerde 1] c.s. en zijn advocaten de gelegenheid te geven voor bestudering en overleg, en die advocaten hebben daar tijdens diezelfde mondelinge behandeling uitvoerig op gereageerd.
2.4.
Het verloop van de na deze mondelinge behandeling volgende procedure blijkt uit:
- de brief van [appellant 1] c.s. van 27 oktober 2023 met productie SHB62 (naar het hof begrijpt:) bis;
- de brief van [geïntimeerde 1] c.s. van 3 november 2023 met producties MHB94 tot en met MHB98;
- het proces-verbaal van de voortgezette mondelinge behandeling van 7 november 2023 waarbij partijen hebben verzocht om doorhaling van de zaak;
- het verzoek van [geïntimeerde 1] c.s. om de behandeling van de zaak te hervatten.
2.5.
[geïntimeerde 5] heeft op 14, 17 en 25 oktober 2025 na onttrekking van de eerder door [geïntimeerde 1] c.s. gestelde advocaat en zonder tussenkomst van een opvolgende advocaat berichten gestuurd aan het hof. Het hof heeft hem bericht dat het deze berichten niet in aanmerking kan nemen bij zijn beoordeling.

3.De feiten

3.1.
[appellant 1] is een DJ en aan hem zijn de [appellant 1] -vennootschappen verbonden. [geïntimeerden 1 t/m 4] zijn muziekmakers en aan hen zijn respectievelijk [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 4] verbonden. [geïntimeerde 5] is een bandmanager en aan hem is [geïntimeerde 6] verbonden.
3.2.
[geïntimeerden 1 t/m 4] hebben de DJ-
actDash Berlin (hierna: Dash Berlin) opgericht. In 2008 hebben zij [appellant 1] aangetrokken als de in het kader van Dash Berlin voor het publiek optredende DJ. [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 3] en [appellant 1] lieten de optredens van Dash Berlin boeken door [geïntimeerde 6] en de boekhouding van de
actvoeren door Crowe Foederer. In 2010 hebben partijen een afspraak gemaakt over de verdeling van de inkomsten van Dash Berlin.
3.3.
Als DJ van Dash Berlin trad [appellant 1] geregeld op in de Verenigde Staten van Amerika (hierna: de VS). Hij werd in dat kader door de Amerikaanse belastingdienst (hierna: de IRS) op persoonlijke titel aangemerkt als inkomstenbelastingplichtige voor de inkomsten van de gehele
actDash Berlin en moest daarvoor persoonlijk belastingaangiftes doen. CWA Management (hierna: CWA) heeft vanaf 2014 geadviseerd over deze Amerikaanse belastingaangelegenheden en heeft namens [appellant 1] de hiervoor benodigde persoonlijke Amerikaanse belastingaangiftes opgesteld en ingediend. Het deel van de inkomsten uit Dash Berlin dat volgens de in de vorige alinea bedoelde afspraak werd toebedeeld aan [geïntimeerden 1 t/m 4] , werd in de aangiftes vanaf 2015 opgevoerd als aftrekbare
management fees.
3.4.
Partijen hebben aan iedere zijde in verschillende landen registraties verkregen voor met Dash Berlin samenhangende merken, waaronder Beneluxmerken (hierna: de Dash Berlin-merken).
3.5.
In het voorjaar van 2018 is de samenwerking tussen partijen verbroken en zijn tussen hen geschillen ontstaan die onder andere hebben geleid tot een kortgedingprocedure voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem (hierna: de Haarlemse kortgedingprocedure).
3.6.
Op 10 december 2018 heeft [appellant 1] [X] (hierna: TSJ) benoemd als belastingadviseur met betrekking tot Amerikaanse belastingaangelegenheden.
3.7.
Eind mei 2019 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst (hierna ook: VSO) gesloten. [2] Die vaststellingsovereenkomst voorziet kort gezegd in het volgende.
- [appellant 1] c.s. mag Dash Berlin alleen voortzetten, tegen een voor een bepaalde periode aan [geïntimeerden 1 t/m 4] te betalen licentievergoeding (artikelen 3 en 4).
- Daartoe dragen [geïntimeerden 1 t/m 4] hun merkrechten (artikelen 1 en 13), eigendomsrechten (artikel 2), domeinnamen (artikel 14), social media accounts (artikel 15) en huisstijl (artikel 13) met betrekking tot Dash Berlin (hierna gezamenlijk: de Dash Berlin-activa) en Aropa over aan [appellant 1] .
- Daartoe verlenen [geïntimeerden 1 t/m 4] aan [appellant 1] c.s. ook een gebruiksrecht met betrekking tot het merk Dash Berlin (artikel 6).
- Om de hoogte van de licentievergoeding te controleren mogen [geïntimeerde 1] c.s. een derde inzage laten nemen in de administratie van [appellant 1] c.s. (artikel 5).
- Indien [appellant 1] c.s. na ingebrekestelling niet (volledig) aan zijn betalings- en inzagerechtverplichtingen voldoet, moet hij de Dash Berlin-activa binnen twee weken aan [geïntimeerden 1 t/m 4] terugleveren (artikel 7).
- Daarnaast hebben partijen afspraken gemaakt met betrekking tot de afwikkeling van bepaalde fiscale aangelegenheden, waaronder die in verband met belastingheffing in de VS (artikel 21).
- Daarbij hebben partijen onder andere afgesproken dat beslagen worden opgeheven en lopende procedures worden beëindigd (artikelen 25 en 26), dat zij elkaar voor het overige finale kwijting verlenen (artikel 31) en dat de VSO niet vatbaar is voor opzegging of ontbinding (artikel 32) en zal prevaleren boven alle eerdere afspraken over beëindiging van de samenwerking (artikel 35).
De tekst van artikel 21 VSO luidt, voor zover hier van belang, als volgt: [3]

21. Partijen komen overeen dat [geïntimeerde 1] c.s. de volledige afwikkeling met de Amerikaanse belastingdienst (inclusief state tax) met betrekking tot Dash Berlin tot mei 2018 zullen organiseren en de kosten daarvan zullen dragen. Hiertoe zullen partijen de volgende afspraken maken c.q. uitwerken:
a.
[appellant 1] c.s. zal alle correspondentie die door hem, of zijn gemachtigden met de IRS is of wordt gewisseld met betrekking tot Dash Berlin tot en met mei 2018, overleggen aan [geïntimeerde 1] c.s. en [appellant 1] c.s. garandeert dat daarin geen fiscaal ongunstige uitlatingen/toezeggingen zijn gedaan jegens alle betrokkenen.
b.
[appellant 1] c.s. zal een volmacht hiertoe verstrekken aan [geïntimeerde 1] c.s., waarbij wordt afgesproken dat [geïntimeerde 1] c.s. alle correspondentie met de IRS aan [appellant 1] c.s. toesturen, dit binnen een termijn van uiterlijk 48 uur voordat deze communicatie aan de IRS wordt gestuurd (waarbij feestdagen en dagen in het weekend niet worden meegerekend). [geïntimeerde 1] c.s. vrijwaren [appellant 1] c.s. voor alle fiscale verplichtingen die [appellant 1] c.s. krijgt ten opzichte van de IRS na ondertekening van deze overeenkomst met betrekking tot Dash Berlin tot en met 2018 en [appellant 1] c.s. aanvaardt deze vrijwaring;
c.
Eventuele nieuwe teruggaven van de IRS (inclusief state tax) tot en met mei 2018 komen toe aan [geïntimeerde 1] c.s. en[tourmanager, hof]
en eventuele nadere naheffingsaanslagen (inclusief state tax) zullen door [geïntimeerde 1] c.s. (en[tourmanager, hof]
) worden betaald. Eventuele teruggaven uit 2018 zullen partijen in goed overleg met elkaar verdelen naar rato van het aandeel Dash Berlin en [appellant 1] , waarbij teruggaven en/of vorderingen die betrekking hebben op het gedeelte van het jaar waarin is opgetreden onder de naam Dash Berlin toekomen aan [geïntimeerde 1] c.s. en[tourmanager, hof]
c.s.(…)
3.8.
Ter uitvoering van die vaststellingsovereenkomst hebben [geïntimeerden 1 t/m 4] de Dash Berlin-activa aan (een of meer van) [appellant 1] c.s. overgedragen. [4] Tevens is de afwikkeling van de Amerikaanse fiscale aangelegenheden met betrekking tot Dash Berlin wederom belegd bij CWA.
3.9.
Tussen partijen is vervolgens een discussie ontstaan over de Amerikaanse belastingaangifte namens [appellant 1] over de omzet van Dash Berlin in 2017 en de betaling van de daaruit voortvloeiende belasting (hierna: de Amerikaanse aangifte en belasting 2017). [appellant 1] c.s. heeft daarbij het standpunt ingenomen dat dit onderwerp op grond van artikel 21 VSO tot de verantwoordelijkheid van [geïntimeerde 1] c.s. hoorde, en [geïntimeerde 1] c.s. heeft dat betwist.
3.10.
Op 28 april 2020 heeft CWA namens [appellant 1] de Amerikaanse aangifte 2017 ingediend, met als grondslag het wereldwijde inkomen van Dash Berlin in 2017, leidend tot een Amerikaanse belasting 2017 van $ 120.912,-, te vermeerderen met vertragingsrente en -boetes.
3.11.
Op 12 mei 2020 heeft [geïntimeerde 6] aan Playing Global B.V. een licentievergoeding van € 81.380,66 in rekening gebracht voor het eerste kwartaal 2020, te betalen uiterlijk op 26 mei 2020.
3.12.
[appellant 1] heeft op 27 mei 2020 als volgt gereageerd op een daarop volgende betalingsherinnering van Crowe Foederer:

Op je vraag van de betaling, die hou ik aan tot dat partijen een oplossing hebben gevonden voor de openstaande belastingschuld 2017 in Amerika die door [geïntimeerde 3][ [geïntimeerde 3] , hof]
, [geïntimeerde 1][ [geïntimeerde 1] , hof]
en [geïntimeerde 5][ [geïntimeerde 5] , hof]
dient te worden betaald en dat is nog steeds niet gebeurd.Ik zet [advocaat 1][destijds belastingrechtelijk advocaat van [geïntimeerde 1] c.s., hof]
en [advocaat 2][ [advocaat 2] , destijds belastingrechtelijk advocaat van [appellant 1] c.s., hof]
in cc omdat zij in gesprek met elkaar zijn en mogelijk een oplossing met elkaar kunnen bedenken voor 2017.
3.13.
[appellant 1] heeft, na op de voet van artikel 7 VSO in gebreke te zijn gesteld, de factuur van 12 mei 2020 onbetaald gelaten.

4.Het geschil voor de voorzieningenrechter

4.1.
[geïntimeerde 1] c.s. heeft [appellant 1] c.s. in kort geding gedagvaard.
4.2.
[geïntimeerden 1 t/m 4] hebben (na wijziging van eis) gevorderd dat de voorzieningenrechter, samengevat en voor zover in hoger beroep van belang, [appellant 1] c.s., bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
veroordeelt tot overdracht, op eigen kosten, van de Dash Berlin-activa;
veroordeelt tot het staken en gestaakt houden van het gebruik zonder toestemming van:
- de Dash Berlin-merken;
- de handelsnamen ‘Dash Berlin’, ‘Dash’ en ‘Aropa’ (hierna: de Dash Berlin-handelsnamen);
- de tekens ‘dashberlin’, ‘dashers’, ‘jeffdash’, ‘formerlyknownasdashberlin’, ‘also known as dash berlin’ en overeenstemmende tekens (hierna: de omstreden tekens);
veroordeelt tot het staken en gestaakt houden van het gebruik van de Dash-Berlin-activa, voor zover deze nog niet onder het gevorderde onder 2. vallen;
4.a. verbiedt zich voor te doen als (voormalig) deelnemer in Dash Berlin;
4.b. verbiedt zich voor te doen als producer van Dash Berlin;
een en ander op straffe van een dwangsom.
4.3.
Zij hebben die vorderingen gegrond op het volgende:
Vordering 1: nakoming van de terugleververbintenis van artikel 7 VSO, die in werking is getreden doordat [appellant 1] c.s., na behoorlijk in gebreke te zijn gesteld, de licentiefactuur van 12 mei 2020 niet heeft betaald en geen inzage heeft gegeven in de voor de daarop volgende facturen relevante gegevens;
Vordering 2: het verval van de merklicentie van artikel 6 VSO nadat [appellant 1] c.s. de licentiefactuur van 12 mei 2020 onbetaald heeft gelaten;
Vorderingen 3 en 4.a: de merk- en handelsnaamrechten waarover [geïntimeerden 1 t/m 4] weer zouden komen te beschikken na teruglevering van de Dash Berlin-activa overeenkomstig vordering;
Vordering 4.b: strijd met de waarheid, aangezien niet [appellant 1] , maar [geïntimeerden 1 t/m 4] de producers waren van Dash Berlin.
4.4.
[geïntimeerde 1] c.s. heeft gevorderd dat de voorzieningenrechter, bij uitvoerbaar te verklaren vonnis, [appellant 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van, samengevat:
5. een geldbedrag met rente op grond van nakoming van de artikelen 3 en 4 VSO;
6. een geldbedrag met rente ten titel van buitengerechtelijke incassokosten.
4.5.
[appellant 1] c.s. heeft als verweer gevoerd dat hij een met de factuur van mei 2020 verrekenbare vordering had op [geïntimeerde 1] c.s. uit hoofde van de fiscale afwikkelingsverbintenis van artikel 21 VSO, althans dat hij zijn betalingsprestatie mocht opschorten wegens het door [geïntimeerde 1] c.s. niet nakomen van deze afwikkelingsverbintenis: op grond van die verbintenis moest [geïntimeerde 1] c.s. volgens hem de Amerikaanse aangifte 2017 verzorgen en de daaruit voortvloeiende Amerikaanse belasting 2017 betalen.
4.6.
Onder de voorwaarde dat zijn beroep op verrekening of opschorting niet zou slagen of dat er na dat beroep nog een restvordering op [geïntimeerde 1] c.s. zou overblijven heeft [appellant 1] c.s. in reconventie gevorderd dat de voorzieningenrechter [geïntimeerde 1] c.s. op straffe van een dwangsom hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan de IRS van de Amerikaanse belasting 2017. Hij heeft die vordering gegrond op nakoming van de afwikkelverbintenis van artikel 21 VSO.
4.7.
De voorzieningenrechter heeft in conventie geoordeeld dat het bestaan onvoldoende aannemelijk is geworden van een vordering van [appellant 1] c.s. op [geïntimeerde 1] c.s. uit hoofde van de verplichting tot betaling van de Amerikaanse belasting 2017. De voorzieningenrechter heeft het verrekenings- dan wel opschortingsverweer van [appellant 1] c.s. daarom verworpen.
4.8.
Mede op grond van dat oordeel heeft de voorzieningenrechter in conventie de vorderingen van [geïntimeerden 1 t/m 4] en [geïntimeerde 1] c.s. voor het merendeel toegewezen en in reconventie de vorderingen van [appellant 1] c.s. afgewezen, met veroordeling van deze laatste in de kosten in conventie en reconventie, voor 10% op de voet van artikel 1019h Rv in het geval van de kosten in conventie.

5.De vorderingen in hoger beroep

5.1.
[appellant 1] c.s. vordert in hoger beroep met wijziging van eis dat het hof, samengevat, het bestreden vonnis vernietigt en, op straffe van dwangsommen:
A. [geïntimeerde 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot nakoming (op eigen kosten) van de verplichting tot volledige afwikkeling met de IRS (inclusief
state tax) met betrekking tot Dash Berlin tot mei 2018, waaronder de betaling van USD 177.291,- vermeerderd met eventuele aan de IRS verschuldigde (fiscale) boetes en rentes tot aan de algehele voldoening;
B. [geïntimeerde 1] c.s. beveelt te gehengen en te gedogen dat [appellant 1] gebruik maakt van de in de beslissing onder 7.3 van het bestreden vonnis genoemde tekens en
hashtagstotdat in de bodemzaak onherroepelijk is beslist;
C. [geïntimeerde 1] c.s. hoofdelijk beveelt tot terugbetaling van al hetgeen [appellant 1] c.s. onverschuldigd heeft betaald ter uitvoering van het bestreden vonnis.
5.2.
De bezwaren van [appellant 1] tegen het bestreden vonnis hebben betrekking op de volgende onderwerpen:
Grief 1: de feitenvaststelling;
Grief 2: de toewijzing in kort geding van de vorderingen van [geïntimeerde 1] c.s., die een ingewikkelde beoordeling vergen;
Grieven 3 tot en met 5: het beroep van [appellant 1] c.s. op verrekening dan wel opschorting in verhouding tot de afwikkelingsverbintenis van artikel 21 VSO;
Grief 6:
- de r.o. 5.30, 5.35, 5.36, 5.49 en 5.51 van het bestreden vonnis;
- de inwerkingtreding onmiddellijk na betekening van het bestreden vonnis van de beslissing onder 7.3 (verbod tot gebruiken van de Dash Berlin-merken, de Dash Berlin-handelsnamen en de omstreden tekens);
Ongenummerde Grief: de toepassing van artikel 1019h Rv.
Daarnaast doet [appellant 1] c.s. in hoger beroep (naast verrekening en opschorting) een beroep op:
- schuldeisersverzuim aan de zijde van [geïntimeerde 1] c.s.;
- de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid; en
- misbruik van bevoegdheid aan de zijde van [geïntimeerde 1] c.s.
5.3.
[geïntimeerde 1] c.s. vordert in hoger beroep, met wijziging van eis, dat het hof, samengevat, onder vernietiging van de betrokken beslissingsonderdelen:
A. het dwangsommenplafond in conventie (beslissing onder 7.9 van het bestreden vonnis) verhoogt naar € 5 miljoen;
B. de proceskostenveroordeling in conventie (beslissing onder 7.12 van het betreden vonnis) in beide instanties op de voet van 1019h Rv geheel begroot op grond van de werkelijke proceskosten van [geïntimeerde 1] c.s., met nakosten en rente.

6.De beoordeling in hoger beroep

Inleiding
6.1.
Dit hof is op grond van artikel 4.6 lid 1 Beneluxverdrag inzake intellectuele eigendom bevoegd om kennis te nemen van de vordering van [geïntimeerde 1] c.s. onder 2, die verband houdt met Beneluxmerken, omdat [appellant 1] in Den Haag woont en de aan hem gelieerde vennootschappen daar zijn gevestigd.
6.2.
Het spoedeisend belang van partijen bij hun vorderingen over en weer vloeit onbetwist voort uit de aard daarvan.
6.3.
[geïntimeerden 1 t/m 4] hebben hun vorderingen in eerste aanleg alle (rechtstreeks of middellijk) gegrond op nakoming van de terugleverplicht van artikel 7 VSO dan wel het verval van de licentie van artikel 6 VSO. Volgens hen is die terugleverplicht in werking getreden en is die licentie vervallen doordat [appellant 1] c.s., ook na daartoe naar behoren te zijn aangemaand, de licentiefactuur van 12 mei 2020 onbetaald heeft gelaten (artikelen 3 en 4 VSO) en heeft nagelaten inzage te geven in de gegevens die nodig waren voor het opstellen van de daarop volgende facturen (artikel 5 VSO). [geïntimeerde 1] c.s. heeft zijn vorderingen gegrond op nakoming van de licentiebetalingsplicht van de artikelen 3 en 4 VSO. [appellant 1] c.s. betwist die betalings- en inzageplicht en het onbetaald laten van de factuur van 12 mei 2020 niet, maar doet bij wijze van verweer een beroep op onder andere opschorting. Volgens hem was hij bevoegd om die betaling en die inzage op te schorten omdat [geïntimeerde 1] c.s. daarvóór was tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenissen uit artikel 21 VSO om de Amerikaanse belasting 2017 te betalen die in mei 2020 voorzienbaar voortvloeide uit de Amerikaanse aangifte 2017 van 28 april 2020, namelijk een belastingbedrag van $ 120.912,-, te vermeerderen met vertragingsrente en -boetes tot een totaalbedrag van $ 177.291,- indien voor 30 maart 2020 zou zijn betaald.
6.4.
Artikel 6:262 lid 1 BW bepaalt met betrekking tot een overeenkomst dat wanneer een der partijen haar verbintenis niet nakomt, de wederpartij bevoegd is de nakoming van haar daartegenover staande verplichtingen op te schorten. In geval van gedeeltelijke of niet behoorlijke nakoming is opschorting op grond van artikel 6:262 lid 2 BW slechts toegelaten, voor zover de tekortkoming haar rechtvaardigt.
6.5.
[geïntimeerde 1] c.s. heeft in eerste aanleg op meerdere punten betwist dat in deze zaak is voldaan aan deze voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat voor hem uit artikel 21 VSO de door [appellant 1] c.s. gestelde verbintenis voortvloeide. De voorzieningenrechter heeft [geïntimeerde 1] c.s. in deze betwisting gevolgd, en daartegen richt zich een aantal van de grieven van [appellant 1] c.s. Het hof zal hierna eerst deze grieven beoordelen en daarna, op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep, de overige betwistingen van [appellant 1] , aan de beoordeling waarvan de voorzieningenrechter niet is toegekomen.
6.6.
Bij een en ander geldt dat dit hof zijn beslissing in dit kort geding moet gronden op het waarschijnlijke oordeel van de rechter in een hypothetische bodemprocedure. Omdat [appellant 1] c.s. zich beroept op de rechtsgevolgen van de feiten die volgens hem maken dat hij zijn betalings- en prestatieverbintenissen mocht opschorten, zou het volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv aan hem zijn om in die bodemzaak die feiten te stellen en te onderbouwen, zo nodig, te bewijzen.
6.7.
De klacht van [appellant 1] c.s. over de vaststelling van de feiten door de voorzieningenrechter leidt op zichzelf niet tot vernietiging van het bestreden vonnis. Het hof stelt in hoger beroep zelfstandig de feiten vast die over en weer zijn gesteld en niet zijn betwist. Dat heeft het hof hiervoor onder 3. gedaan. Het hoeft daarvoor niet elk door partijen onbetwist gestelde feit te vermelden, maar alleen die feiten, die het voor zijn beslissing van belang acht. Een aantal relevante feiten heeft het hof niet hiervoor onder 3. vermeld: deze zullen hierna aan de orde komen, bij de inhoudelijke beoordeling van de zaak.
6.8.
Hetzelfde geldt voor de klacht van [appellant 1] c.s. dat de onderhavige zaak zich niet leent voor een kort geding. De kortgedingrechter heeft grote ruimte bij de beoordeling van de vraag of, gelet op alle omstandigheden van het geval, een voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Hij heeft, ook in hoger beroep, de vrijheid om de gevraagde voorziening te weigeren indien hij van oordeel is dat hij binnen het kader van de behandeling in kort geding niet in staat is om zich het inzicht in de zaak te verschaffen dat vereist is voor het geven van een verantwoorde beslissing of de gevolgen van een door hem te geven beslissing niet voldoende kan overzien, maar moet daar terughoudend van gebruik maken. [5] Hij moet daarbij rekening houden met de belangen van partijen, met name het mogelijke klemmende belang van de aanlegger bij het verkrijgen van een voorziening met het oog op een effectieve bescherming van zijn rechten. [6]
6.9.
Partijen hebben in hoger beroep alle gelegenheid gehad om over en weer de volgens hen van belang zijnde feiten en omstandigheden te stellen en te betwisten, en om die stellingen en betwistingen waar nodig nader te onderbouwen. Het hof acht zich op basis daarvan in staat om de vorderingen over en weer naar behoren te beoordelen. Anders dan [appellant 1] c.s. aanvoert, is het voor die beoordeling niet nodig dat het hof de rechtsverhouding tussen partijen definitief vaststelt. Het hof zal hierna oordelen over de vorderingen op grond van zijn verwachting van het waarschijnlijke oordeel van een bodemrechter die voor dezelfde vragen zou worden gesteld.
Vloeit uit artikel 21 VSO voor [geïntimeerde 1] de verplichting voort om de uit de Amerikaanse aangifte 2017 voortvloeiende belasting te betalen?
6.10.
[appellant 1] c.s. stelt dat uit artikel 21 VSO voor [geïntimeerde 1] c.s. de verbintenis voortvloeide om op eigen kosten (onder andere) de Amerikaanse aangifte 2017 te laten opstellen en om de daaruit voortvloeiende belasting te betalen. [geïntimeerde 1] c.s. betwist dat: volgens hem vloeit uit die bepaling geen van die verbintenissen voort, tenzij sprake is van naheffingsaanslagen in de zin van die bepaling onder c. Het hof geeft [appellant 1] c.s. om de volgende redenen gelijk.
(i) Maatstaf
6.11.
Bij de uitleg van een schriftelijke overeenkomst zijn telkens van beslissende betekenis alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Daarbij is altijd bepalend de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en dat wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Naast de taalkundig meest voor de hand liggende betekenis van de tekst van de overeenkomst kunnen daarbij relevante gezichtspunten zijn de hoedanigheid van partijen, de aard van de overeenkomst, de omvang daarvan, de manier waarop zij tot stand is gekomen, de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de ene of de andere uitleg. Wanneer de overeenkomst gedetailleerd is en de partijen bij die overeenkomst professionele partijen zijn die met juridische bijstand over de tekst van de bepaling hebben onderhandeld is er eerder aanleiding om bij de taalkundig meest voor de hand liggende betekenis van de bepaling aan te sluiten.
(ii) Taalkundig meest voor de hand liggende betekenis
6.12.
[appellant 1] c.s. wijst er terecht op dat partijen aan beide zijden professionele actoren zijn die meerdere maanden met bijstand van advocaten en belastingadviseurs [7] hebben onderhandeld over de uitgebreide tekst van de VSO en dat het bij deze laatste gaat om een vaststellingsovereenkomst gericht op finale beslechting van het destijds tussen partijen bestaande geschil, met een finale kwijting (artikel 31), een gebod om alle lopende gerechtelijke procedures in te trekken (artikel 26), een verbod om nieuwe procedures aanhangig te maken (idem), afstand van het recht op opzegging dan wel ontbinding (artikel 32) en de bepaling dat de VSO zal prevaleren boven alle eerdere afspraken tussen partijen met betrekking tot beëindiging van hun samenwerking (artikel 35).
6.13.
Daardoor komt doorslaggevend gewicht toe aan de taalkundig meest voor de hand liggende betekenis van artikel 21 VSO. Deze bepaling voorziet er in haar aanhef in dat [geïntimeerde 1] cs. “de volledige afwikkeling met de Amerikaanse belastingdienst (inclusief state tax) met betrekking tot Dash Berlin tot mei 2018 zullen organiseren en de kosten daarvan zullen dragen”. Volgens de taalkundig meest voor de hand liggende betekenis van deze aanhef hebben partijen daarmee eenduidig en zonder voorbehoud afgesproken dat [geïntimeerde 1] c.s. op eigen kosten álle ten tijde van het sluiten van de VSO uitstaande Amerikaanse fiscale aangelegenheden met betrekking tot Dash Berlin tot en met mei 2018 zal laten afwikkelen, en dat dit op eigen kosten “organiseren” van de “afwikkeling” niet alleen inhoudt dat [geïntimeerde 1] c.s. voor zover nodig op eigen kosten de op die periode betrekking hebbende belastingaangiftes laat opstellen, maar ook dat hij alle op de periode tot mei 2018 betrekking hebbende Amerikaanse belastingen betaalt.
6.14.
Deze uitleg wordt bevestigd door de tekst van de uitvoeringsbepaling onder b., waarin [appellant 1] c.s. “hiertoe”, dat wil zeggen ter uitvoering van het “organiseren” van de “afwikkeling”, een volmacht verleent aan [geïntimeerde 1] c.s. en [geïntimeerde 1] c.s. aan [appellant 1] c.s. een vrijwaring verleent voor alle IRS-verplichtingen die deze krijgt na ondertekening van de VSO met betrekking tot Dash Berlin tot mei 2018.
- Daar waar tussen partijen vaststaat dat [appellant 1] door de IRS in persoon werd aangemerkt als de (enige) belastingplichtige voor de Amerikaanse belastingen over het gehele inkomen van Dash Berlin en dat daarom in het verleden namens hem op persoonlijke titel bij de IRS aangifte werd gedaan over dat gehele inkomen, kan die volmacht alleen betrekking hebben op de voortzetting van die praktijk.
- De vrijwaring voor de daarin bedoelde IRS-verplichtingen kan niet iets anders inhouden dan dat [geïntimeerde 1] c.s. instaat voor die verplichtingen, waaronder het doen van aangiftes en het betalen van belastingen.
6.15.
Uit de uitvoeringsbepaling onder a. volgt dat [geïntimeerde 1] c.s. daarbij voor lief heeft genomen dat hij die verplichtingen op zich heeft genomen zonder de inhoud te kennen van de correspondentie tussen [appellant 1] c.s. en de IRS tot aan het sluiten van de VSO, met als enig voorbehoud dat [appellant 1] c.s. garandeert dat hij daarin geen voor alle betrokkenen fiscaal ongunstige uitlatingen of toezeggingen heeft gedaan.
6.16.
Anders dan [geïntimeerde 1] c.s. aanvoert, kan de verwijzing naar “eventuele nadere naheffingsaanslagen” in de uitvoeringsbepaling onder c. niet tot een andere uitleg leiden. Tussen partijen staat namelijk vast dat de praktijk in het verleden was geweest dat namens [appellant 1] in persoon in de Verenigde Staten aangifte werd gedaan over de gehele omzet van Dash Berlin, dat bij het doen van die aangifte meteen de daaruit voortvloeiende Amerikaanse belasting werd betaald, en dat de IRS die aangifte vervolgens ging beoordelen, hetgeen in voorkomend geval tot een naheffing kon leiden. Uit deze verwijzing kan niet worden afgeleid dat [geïntimeerde 1] c.s. alléén naheffingsaanslagen zal betalen, en niet tevens, in afwijking van de strekking van de aanhef van artikel 21 VSO, de reguliere heffing die betaalbaar is bij het doen van aangifte.
6.17.
Met betrekking tot de verwijzing, in eerdere versies van de VSO, naar “de aangifte(n)(s)” en “de aangiften zoals ingediend bij de IRS”, geldt ten eerste dat die niet zijn opgenomen in de definitieve tekst zoals overeengekomen en ten tweede dat die verwijzingen voorkomen in passages waarin bepaalde regelingen worden getroffen voor inmiddels ingediende aangiften, maar daarmee niet wordt gezegd dat er geen nog niet ingediende aangiftes zijn die alsnog moeten worden ingediend.
6.18.
[geïntimeerde 1] c.s. stelt dat de bij de totstandkoming van de VSO betrokken advocaten van partijen tijdens die totstandkoming steeds hebben gesproken over een “intentieovereenkomst” en dat het wegens de verwevenheid met de aangiftes die [appellant 1] in verband met de
actop persoonlijke titel moest doen in de Verenigde Staten onmogelijk was om tot een oplossing te komen waarin partijen niets meer met elkaar te maken zouden hebben. Ook dit kan [geïntimeerde 1] c.s. niet baten, omdat noch in de overwegingen of algemene bepalingen van de VSO, noch in haar artikel 21 aanknopingspunten zijn te vinden voor de stelling dat de in die bepaling beschreven verplichtingen slechts als intentie zijn bedoeld, en niet als afdwingbare verbintenissen. Dat de uitvoering van die verplichtingen door [geïntimeerde 1] c.s. enige medewerking van [appellant 1] vergde, kan ook niet leiden tot een ander oordeel. Artikel 21 VSO legt vast welke medewerking van [appellant 1] kon worden verwacht, te weten onder meer het verstrekken van een volmacht (sub b).
(ii) De zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op dat wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten
[a] Standpunten van partijen
6.19.
[appellant 1] c.s. voert aan dat hij tot aan de beëindiging van de samenwerking tussen partijen onkundig werd gehouden van de inhoud van de Amerikaanse aangiftes die CWA namens hem indiende en dat hem na die beëindiging was gebleken dat:
(i) de IRS in april 2018 moeilijke vragen had gesteld over het feit dat CWA de inkomsten uit de
actDash Berlin die volgens de verdelingsafspraken tussen partijen aan [geïntimeerden 1 t/m 4] werden uitbetaald, in de Amerikaanse aangiftes opvoerde als aftrekbare
management fees, met als resultaat dat die aftrekbare
management feesabnormaal hoog waren; en
(ii) hij in 2017 de 183-dagengrens had overschreden, met als mogelijk gevolg dat hij in de VS aangifte zou moeten doen over zijn wereldwijde inkomen.
Het opvoeren van de betalingen aan [geïntimeerden 1 t/m 4] als abnormaal hoge aftrekbare
management feeshad volgens [appellant 1] c.s. plaatsgevonden onder de verantwoordelijkheid van [geïntimeerde 1] c.s. als aanstuurder van CWA en het overschrijden van de 183-dagengrens had plaatsgevonden onder verantwoordelijkheid van [geïntimeerde 5] als boeker. Tegelijk werd [appellant 1] in persoon door de IRS beschouwd als belastingplichtige voor het gehele inkomen van de
actDash Berlin, terwijl hij als gevolg van de verdelingsafspraken tussen partijen uiteindelijk maar een betrekkelijk gering deel van die inkomsten had ontvangen. [8] [geïntimeerde 1] c.s. was met een en ander bekend en heeft daarom bij het sluiten van de VSO begrepen dat en waarom [appellant 1] c.s wilde dat [geïntimeerde 1] c.s. met artikel 21 VSO het volledige risico op zich zou nemen van de afwikkeling van alle Amerikaanse fiscale aangelegenheden met betrekking tot de periode tot aan mei 2018, het moment waarop de samenwerking tussen partijen was beëindigd en [appellant 1] c.s. zelf de controle kreeg over zijn optredens, zijn Amerikaanse aangiftes en zijn correspondentie met de IRS, zo betoogt nog steeds [appellant 1] c.s. Daarbij wijst [appellant 1] c.s. er ook op dat [geïntimeerde 1] c.s. in ruil voor de aanvaarding van dit risico een bedrag van circa 1,4 miljoen euro aan teruggaven van de IRS mocht behouden (artikel 20 VSO) en ook aanspraak mocht maken op eventuele nieuwe teruggaven over de periode tot en met mei 2018 (artikel 21 sub c VSO).
6.20.
[geïntimeerde 1] c.s. voert het volgende aan ten betoge dat hij ondanks de taalkundig meest voor de hand liggende uitleg van artikel 21 VSO niet verantwoordelijk was voor het opstellen van de Amerikaanse aangifte 2017 en het betalen van de daaruit voortvloeiende Amerikaanse belasting 2017. [appellant 1] c.s. heeft volgens hem na het verbreken van de samenwerking in mei 2018 het fiscale werk met betrekking tot Dash Berlin naar zich toegetrokken, waardoor voor [geïntimeerde 1] c.s. niet meer zichtbaar was hoe hij aan zijn Amerikaanse fiscale verplichtingen voldeed. Normaal gesproken zou de te betalen belasting over 2017 USD 6.315,- hebben moeten bedragen, maar door de te late indiening bedroeg het totale bedrag aan belasting over het wereldwijde inkomen, vertragingsrente en vertragingsboetes per 30 maart 2022 USD 177.291,-. Dit komt omdat (i) [appellant 1] door de IRS voor 2017 over zijn wereldwijde vermogen wordt belast omdat hij de 183-dagengrens heeft overschreden en daarom als Amerikaanse
tax residentwordt beschouwd en (ii) er vervolgens te laat aangifte is gedaan, waardoor [appellant 1] geen beroep meer kon doen op woonplaatsbehandeling op grond van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de VS met betrekking tot belastingen naar het inkomen. [appellant 1] heeft in de aanloop naar het sluiten van de VSO niet gemeld dat zijn Amerikaanse aangifte 2017 nog niet was ingediend, ook niet toen Crowe Foederer hem had gevraagd naar de stand van zaken met betrekking tot de Amerikaanse belastingen. Bovendien heeft een advocaat van [geïntimeerde 1] c.s. in haar actielijst van 16 mei 2019 aan de advocaten van [appellant 1] c.s. onder andere vermeld “Afrekening 2018” en “Door fiscaal adviseurs gezamenlijk opstellen aangifte IRS in de VS over 2018”, zonder dat de advocaten van [appellant 1] c.s. hebben gereageerd dat die actielijst moest worden aangevuld met het (gezamenlijk) opstellen van de Amerikaanse aangifte 2017. [geïntimeerde 1] c.s. wist bij het aangaan van de VSO daarom niet dat (i) [appellant 1] bij de IRS geen beroep meer zou kunnen doen op woonplaatsbehandeling en dat (ii) er vertragingsrente en -boetes zouden moeten worden betaald, zo betoogt nog steeds [geïntimeerde 1] c.s.
6.21.
[appellant 1] c.s. heeft in reactie daarop aangevoerd dat [geïntimeerde 1] c.s. voor het sluiten van de VSO wist dat de 183-dagengrens was overschreden en dat de aanslag 2017 nog niet was ingediend.
[b] Het relevante Amerikaanse belastingrechtelijke kader
6.22.
Met betrekking tot de hier aan de orde zijnde Amerikaanse belastingrechtelijke vraagstukken hebben partijen over en weer het volgende gesteld.
- Organisatoren van artiestevenementen moeten in de Verenigde Staten een bedrag aan belasting (
withholding tax) inhouden op de gage die zij aan de betrokken artiest betalen en aan de IRS afdragen.
- In de VS moet elk jaar uiterlijk op 15 april bij de IRS een aangifte inkomstenbelasting (
income tax return) worden gedaan over de inkomsten van het voorgaande jaar. Daarvan kan twee keer uitstel worden aangevraagd: een eerste keer automatisch tot 15 oktober en een tweede keer om persoonlijke redenen tot 15 december. Bij de late indiening brengt de IRS vertragingsrente en -boetes in rekening.
- Evenementorganisatoren houden bij het door hen in te houden belastingbedrag geen rekening met de door de artiest gemaakte kosten, maar de artiest kan deze kosten in zijn aangifte wel in aftrek brengen van zijn inkomen. Dit kan ertoe leiden dat het volgens de aangifte te betalen belastingbedrag lager is dan het ingehouden bedrag aan
withholding taxen dat de artiest geld terugkrijgt van de IRS, of, andersom, dat de artiest iets moet bijbetalen.
- Na het indienen van een aangifte inkomstenbelasting moet de belastingplichtige meteen het volgens die aangifte verschuldigde belastingbedrag betalen. Daarna volgt controle van de IRS en, voor zover daartoe noodzaak wordt gezien, onderzoek, in voorkomend geval gevolgd door een naheffingsaanslag.
- Tussen Nederland en de VS bestaat een Overeenkomst met betrekking tot belastingen naar het inkomen.
- De Nederlander die minder dan 183 dagen in de Verenigde Staten is verbleven, wordt door de IRS beschouwd als
non tax residenten moet daarom bij de IRS door middel van een formulier 1040 NR alleen aangifte doen over zijn Amerikaanse inkomen en over dat bedrag Amerikaanse belasting betalen.
- Boven die grens wordt hij door de IRS aangemerkt als
tax residenten moet hij daarom bij de IRS door middel van een formulier 1040 aangifte doen over zijn wereldwijde inkomen en over dat bedrag Amerikaanse belasting betalen, tenzij hij een beroep kan doen op woonplaatsbehandeling op grond van de hiervoor bedoelde Overeenkomst. Voor dat laatste is noodzakelijk dat hij dat beroep tijdig indient door middel van een ingevuld formulier 8833 (“Treaty-Based Return Position Disclosure”), uiterlijk op de datum waarop hij aangifte had moeten doen, zoals daarvoor in voorkomend geval uitstel is verleend. Als hij dat verzoek niet uiterlijk op die datum indient, moet hij aangifte doen over zijn wereldwijde inkomen.
6.23.
[appellant 1] c.s. klaagt in hoger beroep dat het niet zeker is of de weergave van dit belastingrechtelijk kader in r.o. 2.8 van het bestreden vonnis klopt, maar legt niet uit waar zijn twijfel precies ligt en waarom. Daarom acht het hof het hiervoor weergegeven kader voldoende aannemelijk.
[c] De door [appellant 1] c.s. aangevoerde omstandigheden
6.24.
Het hof is van oordeel dat partijen op grond van de hiervoor onder 6.19 beschreven, door [appellant 1] c.s. aangevoerde omstandigheden redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten dat uit artikel 21 VSO de door [appellant 1] c.s. gestelde verbintenissen voortvloeiden, zoals die ook volgen uit de hiervoor onder 6.12 e.v. beoordeelde taalkundig meest voor de hand liggende betekenis.
[d] Het beroep van [geïntimeerde 1] c.s. op verzwijging door [appellant 1] c.s.
6.25.
De hiervoor onder 6.20 weergegeven feiten die [geïntimeerde 1] c.s. aanvoert ter betwisting van de door [appellant 1] c.s. bepleite uitleg van artikel 21 VSO stemmen materieel overeen met de feiten die hij zou moeten stellen ter onderbouwing van een beroep op nietigheid op grond van dwaling wegens het schenden van een mededelingsplicht (artikel 6:228 aanhef en onder b BW). Hoewel [geïntimeerde 1] c.s die feiten hier dus in een ander kader aanvoert, zal het hof die daarom beoordelen in het licht van de voor een beroep op dwaling geldende maatstaf.
6.26.
Die maatstaf is dat [geïntimeerde 1] c.s. artikel 21 VSO is overeengekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn overeengekomen, waarbij [appellant 1] c.s. in verband met datgene wat hij met betrekking tot die dwaling wist of behoorde te weten, [geïntimeerde 1] c.s. had behoren in te lichten. Het antwoord op de vraag of de wederpartij de dwalende had behoren in te lichten is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. [9] In het algemeen zal geen mededelingsplicht bestaan wanneer de wederpartij er redelijkerwijs van uit mocht gaan dat de betrokken feiten al bij de dwalende bekend zullen zijn voor het sluiten van de overeenkomst. De betrokken mededelingsplicht gaat boven de onderzoeksplicht van de dwalende en strekt ter bescherming van een onvoorzichtige contractuele wederpartij tegen de nadelige gevolgen van dwaling. Dit brengt mee dat niet te spoedig voorrang aan de onderzoeks-/informatieplicht van die wederpartij boven de mededelingsplicht van de andere partij dient te worden gegeven en dat bij een daartoe strekkend oordeel op alle bijzondere omstandigheden van het geval moet worden gelet en deze ook zo volledig en zo nauwkeurig mogelijk moeten worden vastgesteld. [10] De wederpartij van de dwalende kan zich in het licht van hetgeen zij aan de dwalende heeft medegedeeld en hetgeen bij deze al bekend was omtrent de betrokken omstandigheden erop beroepen dat de dwalende ook zelf enig verder onderzoek had behoren te doen. Indien de dwalende ermee bekend was dat op dat punt onzekerheid bestond, had hij zelf onderzoek moeten doen, waardoor die onzekerheid in de betrokken overeenkomst is verdisconteerd. [11]
6.27.
Het hof stelt in dat verband voorop dat partijen bij de onderhandelingen over de VSO en in de daaraan voorafgaande periode aan beide zijden werden bijgestaan door de hiervoor in voetnoot 7 genoemde adviseurs en, in het geval van [geïntimeerde 1] c.s., door Crowe Foederer (de heer [naam 1] ). Voor de doeleinden van de uitleg van de VSO en van het hierna te beoordelen beroep van [geïntimeerde 1] c.s. op dwaling moet de blijkens de stukken bij deze adviseurs aanwezige kennis worden toegeschreven aan hun respectieve cliënten [appellant 1] c.s. en [geïntimeerde 1] c.s.
6.28.
Op grond van de hierna volgende beoordeling volgt het hof [appellant 1] c.s. in zijn hiervoor onder 6.19 en 6.21 weergegeven standpunten en weersprekingen. Met betrekking tot die laatste weerspreking is het hof meer in het bijzonder van oordeel dat [appellant 1] c.s. er bij het sluiten van de VSO op mocht vertrouwen dat [geïntimeerde 1] c.s. wist dat:
(i) de Amerikaanse aangifte 2017 nog niet was ingediend, waardoor geen sprake kon zijn van een mededelingsplicht aan de zijde van [appellant 1] c.s.; dan wel
(ii) daar onzekerheid over bestond, waardoor [geïntimeerde 1] c.s. daar nader onderzoek naar had moeten verrichten en de gevolgen van het niet ingediend zijn van die aangifte dus moeten worden geacht te zijn verdisconteerd in de VSO.
[appellant 1] c.s. stelt dat hij [geïntimeerde 1] c.s. er in de aanloop naar de VSO meermaals tijdens besprekingen op heeft gewezen dat de Amerikaanse aangifte 2017 nog niet was ingediend. [geïntimeerde 1] c.s. betwist dat en voert op zijn beurt aan dat hij tijdens diezelfde besprekingen meermaals aan [appellant 1] c.s. heeft gevraagd of alles op tafel lag en of er geen losse eindjes waren met betrekking tot fiscale aangelegenheden in de VS, en dat [appellant 1] c.s. en zijn adviseurs daar altijd negatief op hebben geantwoord. Het hof kan uit deze elkaar tegensprekende standpunten geen conclusies trekken en dit kort geding leent zich niet voor het horen van getuigen, waardoor het hof zal afgaan op de beschikbare stukken.
Tussen partijen staat vast dat CWA
in de periode tot aan de beëindiging van de samenwerking tussen partijensteeds namens [appellant 1] de Amerikaanse belastingaangiftes heeft opgesteld en ingediend die deze volgens de IRS op persoonlijke titel moest doen over het inkomen van de gehele
actDash Berlin. Vast staat ook dat CWA dat deed in samenspraak met [geïntimeerde 6] en Crowe Foederer, en dat [geïntimeerde 1] c.s. daarom tot aan die beëindiging volledig op de hoogte was of kon zijn van de aangiftes aan en correspondentie met de IRS met betrekking tot het gehele inkomen van Dash Berlin.
- Het hof gaat voorbij aan de stelling van [appellant 1] c.s. dat [geïntimeerde 6] niet was opgedragen om zijn fiscale aangelegenheden te regelen en dat [geïntimeerde 6] voor Dash Berlin alleen als boeker werkte, omdat die niet afdoet aan het voorgaande.
- Het hof leidt uit het voorgaande af dat [geïntimeerde 1] c.s. tot aan de beëindiging van de samenwerking tussen partijen volledig op de hoogte was van de status van de Amerikaanse belastingrechtelijke aangelegenheden van Dash Berlin.
- [appellant 1] c.s. stelt dat CWA tot aan de beëindiging van de samenwerking uitsluitend werd aangestuurd door [geïntimeerde 5] en Crowe Foederer en dat hij door CWA en [geïntimeerde 1] c.s. niet werd geïnformeerd over de inhoud van de Amerikaanse aangiftes die CWA in die periode namens hem deed en over de overige correspondentie uit die periode met de IRS. [geïntimeerde 1] c.s. heeft dat betwist, maar heeft die betwisting niet onderbouwd met stukken waaruit bijvoorbeeld zou blijken dat CWA in die periode Amerikaanse aangiftes en overige correspondentie in concept aan [appellant 1] heeft voorgelegd alvorens die in te dienen respectievelijk te versturen. Daarom acht het hof aannemelijk dat [appellant 1] tot aan de beëindiging van de samenwerking tussen partijen niet op de hoogte was van de inhoud van de Amerikaanse aangiftes die CWA namens hem had ingediend en van de correspondentie die CWA namens hem met de IRS had gevoerd.
Tussen partijen staat eveneens vast dat CWA
tot aan de beëindiging van de samenwerking tussen partijenhet deel van de inkomsten uit de
actDash Berlin dat volgens de verdelingsafspraken tussen partijen aan [geïntimeerden 1 t/m 4] werd uitbetaald als aftrekbare
management feesopvoerde in de Amerikaanse aangiftes die het namens [appellant 1] deed.
- [appellant 1] c.s. stelt onbetwist dat deze aldus opgevoerde
management feesongebruikelijk hoog waren.
[appellant 1] c.s. heeft onder overlegging van de betrokken
Account transcriptsvan de IRS aangevoerd dat de Amerikaanse aangiftes
2011 tot en met 2016alle (veel) later zijn ingediend dan 15 december van het op het belastingjaar volgend jaar, de indieningsdatum na tweede uitstel. [12] - [geïntimeerde 1] c.s. heeft dat betwist, maar heeft niet toegelicht waarom de betrokken
Account transcriptsop dat punt onjuist zijn:
Belastingjaar 15 december J+1 Aangifte2011 15 december 2012 20 mei 2013
2012 15 december 2013 21 maart 2015
2013 15 december 2014 12 september 2016
2014 15 december 2015 16 mei 2016
2015 15 december 2016 20 februari 2017
2016 15 december 2017 5 maart 2018
- [appellant 1] c.s. voert daarom terecht aan dat partijen er in de betrokken periode niet vanuit konden gaan dat de Amerikaanse aangiftes op tijd werden ingediend, en er rekening mee moesten houden dat die deels zelfs veel te laat werden ingediend.
Op
25 april 2018heeft de IRS (via CWA) aan [appellant 1] een
Information Document Request(hierna: IDR 1) gestuurd met vragen over de Amerikaanse aangifte 2015. [13] - [geïntimeerde 1] c.s stelt dat het daarbij om standaardvragen ging, maar [appellant 1] c.s. heeft onder verwijzing naar onder andere het e-mailbericht van 18 februari 2019 van TSJ aan [appellant 1] en zijn advocaten met betrekking tot die vragen (zie hierna onder x.) [14] toegelicht dat het daarbij ging om vragen met betrekking tot het feit dat het deel van de inkomsten van de
actdat in 2015 op grond van de verdelingsafspraak tussen partijen aan [geïntimeerden 1 t/m 4] was uitbetaald, in de Amerikaanse aangifte 2015 (namens [appellant 1] ) was opgevoerd als aftrekbare
management fees. Anders dan [geïntimeerde 1] c.s. aanvoert, sluit het feit dat de IRS achteraf genoegen heeft genomen met een uitleg van CWA op dat punt en een voornemen tot correctie heeft aangekondigd van ongeveer $ 200.000,- niet uit dat de in het IDR 1 gestelde vragen in de periode tussen april 2018 en het sluiten van de VSO in mei 2019 reden tot zorg waren, niet alleen met betrekking tot de Amerikaanse aangifte 2015, maar ook voor de daarop volgende aangiftes, voor zover daarin dezelfde aftrekbenadering zou worden gevolgd.
- Het hof heeft hiervoor onder c. geoordeeld dat tussen partijen vaststaat dat deze aftrekpost ongebruikelijk hoog was.
- [appellant 1] c.s. voert daarom terecht aan dat [geïntimeerde 1] c.s., aan wie CWA toen nog rapporteerde (zie hierna onder h.) vanaf dat moment wist of moest weten dat:
(i) de afwikkeling van de Amerikaanse aangifte en belasting 2015 tot problemen kon leiden; en
(ii) datzelfde onderwerp naar zijn aard ook relevant was voor de aangiftes over de daarop volgende jaren, waaronder het jaar 2017.
Op
17 mei 2018heeft [appellant 1] in een mail aan [geïntimeerden 1 t/m 4] bericht dat hij na september 2018 niet meer beschikbaar zou zijn voor boekingen door [geïntimeerde 6] voor Dash Berlin. [15] Op
24 mei 2018hebben [geïntimeerden 1 t/m 4] daarop gereageerd dat de keuze voor de boeker bij hen lag en dat de keuze om boekingen wel of niet te aanvaarden bij [appellant 1] lag.
- Daarmee is tussen partijen niet in geschil dat de samenwerking tussen hen in het kader van Dash Berlin daarmee op 24 mei 2018 feitelijk tot een einde is gekomen. Dat [appellant 1] , zoals [appellant 1] c.s. stelt, met zijn bericht van 17 mei 2018 niet de samenwerking met [geïntimeerden 1 t/m 4] heeft willen opzeggen, is daarbij niet van belang.
- Tussen partijen is evenmin in geschil dat de Amerikaanse aangifte 2017 op dat moment nog niet was gedaan en dat [geïntimeerde 1] c.s. dat wist of moest weten.
[appellant 1] c.s. heeft onweersproken gesteld dat hij
op dat momentniet beschikte over de gegevens om de Amerikaanse aangifte 2017 te kunnen indienen, omdat alleen [geïntimeerde 5] en Crowe Foederer daarover beschikten.
Volgens [geïntimeerde 1] c.s. heeft [appellant 1] c.s.
eind mei 2018ook het opdrachtgeverschap over CWA met betrekking tot de Amerikaanse fiscale aangelegenheden van Dash Berlin naar zich toegetrokken, waardoor [geïntimeerde 1] c.s. vanaf dat moment niet meer op de hoogte was van de inhoud van de contacten met de IRS.
- [appellant 1] c.s. heeft dat betwist, maar heeft die betwisting onvoldoende onderbouwd. Dat hij, zoals hij aanvoert, CWA pas op 10 december 2018 heeft ontslagen en vervangen door TSJ bevestigt dat hij zich tot aan die datum heeft beschouwd als opdrachtgever van CWA. Bovendien volgt uit mailcorrespondentie tussen een advocaat van [appellant 1] en CWA van 24 oktober 2018 [16] dat [appellant 1] c.s. op enig moment daarvoor het opdrachtgeverschap van CWA heeft overgenomen van [geïntimeerde 1] c.s. en CWA heeft verboden om zonder toestemming informatie te delen met [geïntimeerde 1] c.s. In die correspondentie klaagt de advocaat van [appellant 1] er namelijk over dat CWA zonder overleg informatie heeft gedeeld met een advocaat van [geïntimeerde 5] , waarop CWA bevestigt dat niet meer te zullen doen.
- Daarmee is aannemelijk geworden dat [geïntimeerde 1] c.s. vanaf enig moment in of na mei 2018 niet meer op de hoogte werd gehouden van de status van de Amerikaanse belastingaangelegenheden van Dash Berlin.
i. De IRS heeft op
9 juni 2018op verzoek van CWA aan [appellant 1] een eerste uitstel verleend voor het indienen van de Amerikaanse aangifte 2017, tot 15 oktober 2018. [17] - Niet is gesteld of gebleken dat [geïntimeerde 1] c.s. hiervan op de hoogte is gebracht.
Op
5 oktober 2018heeft de IRS aan CWA een tweede
Information Document Request(hierna: IDR 2) gestuurd, met vervolgvragen over de aangifte 2015. [18]
Op of voor
15 oktober 2018is geen Amerikaanse aangifte 2017 ingediend.
- [geïntimeerde 1] c.s. voert aan dat de betrokken indieningstermijn niet op 15 oktober 2018 eindigde, maar op 15 december 2018. [appellant 1] c.s. heeft dat echter gemotiveerd weersproken, onder overlegging van
Account transcriptsvan de IRS voor het belastingjaar 2017 van 5 april 2019 en 30 maart 2023 [19] waaruit blijkt dat op 9 juni 2018 het hiervoor bedoelde eerste automatische uitstel is verleend tot 15 oktober 2018 en dat daarna geen tweede uitstel om persoonlijke redenen is verzocht tot 15 december 2018.
- Dat CWA op 28 juli 2020 aan onder anderen [geïntimeerde 5] en [appellant 1] heeft geschreven dat zij “filed an extension for the filing of the 2017 federal income tax return for [appellant 1] [ [appellant 1] , hof] allowing a filing date of December 15, 2018” [20] , moet daarom op een vergissing berusten.
- In haar overzicht van 11 januari 2021 schrijft TSJ weliswaar dat “
the ultimate US tax filing deadline of 15 December 2020 (for non-US residents and after filing two requests for extension and approval of delayed filing) will be missed” omdat zij op 14 december 2019 kennis heeft genomen van het IDR 2 en de daarin bevraagde aftrek, maar verderop in datzelfde overzicht, bij de maand februari 2019, schrijft zij dat zij toen mogelijkheden zag om voor [appellant 1] Nederlandse of tenminste dubbele woonplaatsbehandeling te vragen, maar dat zij toen de Amerikaanse aangifte 2017 niet heeft ingediend omdat de IDR 1 en 2 met betrekking tot het belastingjaar 2015 nog invloed konden hebben op die aangifte en omdat “
the return was overdue at October 15, 2018 already as no second extension was requested”. [21] In haar e-mailbericht van 16 augustus 2021 aan mr. Koedooder [22] licht TSJ ook toe dat zij er ten tijde van haar informatieverzoek van 10 december 2018 aan [geïntimeerde 5] (met verwijzing naar een indieningstermijn van diezelfde week, zie hierna onder m.) van uitging dat namens [appellant 1] was verzocht om het additionele uitstel tot 15 december 2019.
- [geïntimeerde 1] c.s. voert ook aan dat het Amerikaanse belastingstelsel voorziet in afwijkende aangiftetermijnen voor buitenlandse belastingplichtigen, met een eerste termijn op uiterlijk 15 juni, automatisch verlengbaar met zes maanden tot 15 december. Het hof volgt [geïntimeerde 1] c.s. niet in dat standpunt, omdat uit de
Account transcripts2017 van de IRS van 5 april 2019 en 30 maart 2023 volgt dat de IRS, bij gebreke van een tweede verzoek om uitstel, 15 oktober 2019 heeft gehanteerd als aangiftetermijn na het verlengingsverzoek van 9 juni 2018 en [geïntimeerde 1] c.s. op dat punt verder geen onderbouwing heeft gegeven.
- Daarmee is de Amerikaanse aangifte 2017 niet tijdig ingediend.
- [appellant 1] c.s. voert aan dat dat de schuld van [geïntimeerde 1] c.s. is, omdat hij toen nog CWA aanstuurde, maar uit het voorgaande volgt dat toen niet [geïntimeerde 1] c,s., maar [appellant 1] c.s. CWA aanstuurde, waardoor dit niet aanvragen van een tweede uitstel in de risicosfeer van [appellant 1] c.s lag.
Op
10 december 2018heeft [appellant 1] c.s. CWA ontslagen als fiscaal adviseur voor de Verenigde Staten en in plaats daarvan TSJ benoemd. [23]
TSJ heeft op
dezelfde daghet volgende geschreven aan [geïntimeerde 5] :

Op verzoek van de heer [appellant 1] gaan wij aan de slag met zijn US aangifte 2017.
Hiervoor wil ik u vragen de volgende documenten met mij te delen:
[overzicht van benodigde stukken, hof].
De deadline voor het indienen is deze week, dus u zou ons enorm helpen deze informatie zo spoedig mogelijk met ons te delen.” [24]
- Zoals hiervoor onder k. beschreven heeft TSJ in een later chronologisch overzicht toegelicht dat zij daarbij heeft verwezen naar een indieningstermijn diezelfde week omdat zij ervan uitging dat tijdig het tweede verzoek tot uitstel was gedaan, voor indiening tot 15 december 2018.
- Het hof leidt uit dit informatieverzoek van TSJ af dat [geïntimeerde 1] c.s. op 10 december 2018 begreep of moest begrijpen dat:
(i) de Amerikaanse aangifte 2017 nog niet was gedaan;
(ii) de indieningstermijn volgens TSJ 15 december 2018 was;
(iii) TSJ zich ging inspannen om die termijn te halen; en
(iv) daarvoor noodzakelijk was dat [geïntimeerde 1] c.s. tijdig gegevens moest aanleveren.
CWA heeft in een later chronologisch overzicht beschreven dat zij op diezelfde dag,
10 december 2018, “a tremendous amount of information” heeft verstrekt aan TSJ [25] en TSJ beschrijft in een eveneens later chronologisch overzicht dat zij op die datum “2017 information from CWA requested from [medewerker CWA, hof” heeft ontvangen [26] .
- [geïntimeerde 1] c.s. stelt dat hij eerder, ter uitvoering van een eerder kortgedingvonnis, een grote hoeveelheid fiscale informatie had verstrekt aan [appellant 1] c.s., dat CWA met de hier bedoelde informatieoverdracht van 10 december 2018 heeft voldaan aan het informatieverzoek van eerder die dag van TSJ aan [geïntimeerde 5] , en dat TSJ daarmee over alle gegevens beschikte om voor 15 december 2018 de Amerikaanse aangifte 2017 te doen, op een moment waarop zij nog namens [appellant 1] had kunnen vragen om Nederlandse woonplaatsbehandeling en in die aangifte dus had kunnen volstaan met het aangeven van diens Amerikaanse inkomen.
- Het hof volgt [geïntimeerde 1] c.s. niet in deze betwisting. Het gaat hier niet om de vraag of TSJ op 10 december 2018 voldoende gegevens heeft ontvangen van CWA om aangifte te kunnen doen – al dan niet alleen gebaseerd op het Amerikaanse inkomen van [appellant 1] – maar om de vraag of [geïntimeerde 1] c.s., mede op grond van de uitlatingen en gedragingen van partijen op dat moment, later, bij het sluiten van de VSO, mocht denken dat de Amerikaanse aangifte 2017 was ingediend. Dat is volgens het hof niet het geval. [geïntimeerde 1] c.s. heeft niet gesteld en evenmin is gebleken dat CWA op die dag de door haar bedoelde “tremendous amount” aan gegevens aan TSJ heeft verstrekt in reactie op een verzoek daartoe van [geïntimeerde 1] c.s. In haar chronologisch overzicht van 5 augustus 2020 verwijst CWA ook niet naar een dergelijk verzoek, maar naar een eigen afweging om die gegevens met TSJ te delen teneinde de overdracht te vereenvoudigen. [27] Bovendien is het onwaarschijnlijk dat [geïntimeerde 1] c.s. al op 10 december 2018 aan CWA opdracht heeft gegeven om bepaalde gegevens aan TSJ te verstrekken als Crowe Foederer een dag later als enige inhoudelijke reactie op het verzoek van TSJ geeft dat zij een schriftelijke machtiging van [appellant 1] wenst te ontvangen (zie de volgende alinea). Zonder bericht van TSJ dat indiening op uiterlijk 15 december 2018 was gelukt, mocht [geïntimeerde 1] c.s. er daarom op dat moment niet van uitgaan dat dat TSJ was gelukt.
Op
11 december 2018heeft Crowe Foederer op het informatieverzoek van TSJ aan [geïntimeerde 5] van 10 december 2018 geantwoord dat zij namens [geïntimeerde 5] op dat verzoek zou reageren en TSJ verzocht om een schriftelijke machtiging van [appellant 1] over te leggen. [28] - Zolang hij de gevraagde gegevens niet had verstrekt kon [geïntimeerde 1] c.s. er niet vanuit gaan dat TSJ de Amerikaanse aangifte 2017 zonder tegenbericht tijdig zou hebben ingediend uiterlijk op 15 december 2018
Op
14 december 2018heeft CWA aan TSJ het IDR 2 van 5 oktober 2018 (zie hiervoor onder e.) verstrekt. [29]
Op
15 december 2018is de hypothetische tweede uitsteltermijn verstreken.
- TSJ heeft later toegelicht dat zij toen geen Amerikaanse aangifte 2017 heeft ingediend omdat zij ondertussen kennis had genomen van het IDR 2 en het daarin aan de orde gestelde onderwerp van het als aftrekbare
management feesopvoeren van de betalingen aan [geïntimeerden 1 t/m 4] uit de inkomsten van de
act. Zij heeft ook toegelicht dat zij die aangifte in de periode daarna evenmin heeft kunnen indienen, wegens datzelfde probleem en het daarna gebleken probleem van de overschrijding van de 183-dagengrens (zie hierna). [30] - Niet is gesteld of gebleken dat deze informatie destijds met [geïntimeerde 1] c.s. is gedeeld.
Op
19 december 2018heeft TSJ het volgende geschreven aan [appellant 1] :

Mijn collega’s bevestigen het volgende:
“In 2017 however, he
[ [appellant 1] , hof]far exceeded the 183 days and is therefore considered a Resident. Since he is a dual resident and treaty tieing to NL, we are still required to file FBARs and modified Form 5471. (…)
We will file Form [8833, hof] along with 1040NR.
Does he have a NL or other countries business entity(ies)? If so, please provide us the Financial Statements. (…)”
Voor 2017 ben je dus wel over de threshold van de substantial presence test, en het lijkt voor het eerst.
Om de aangifte 2017 volledig in te kunnen dienen hebben we dus nodig:
[overzicht van benodigde stukken, hof].
Hoe sneller we deze documenten op tafel hebben, hoe meer we het aantal dagen dat we te laat zijn met indienen kunnen beperken.
Vanavond spreek ik onze tax director, ik zal vragen of we de reguliere aangifte (1040 NR) alvast zouden kunnen indienen en dan de FBAR (8833) daarna.” [31]
- TSJ verwijst in deze mail naar het formulier 8833 waarmee een beroep kan worden gedaan op woonplaatsbehandeling in geval van overschrijding van de 183 dagen-grens en naar het daarmee samenhangende formulier 1040 NR voor
non tax residents, maar vermeldt niet dat dat formulier 8833 op 19 december 2018 niet meer kon worden ingediend omdat het uiterlijk tijdig met de aangifte voor (in dit geval) 15 oktober had moeten worden ingediend.
- Niet is gesteld of gebleken dat deze informatie meteen met [geïntimeerde 1] c.s. is gedeeld.
Op
21 december 2018heeft TSJ aan [appellant 1] gemeld dat de dagen waarvan CWA namens [appellant 1] in de Amerikaanse aangifte 2016 heeft aangegeven dat [appellant 1] in 2015 en 2016 in de VS is verbleven, niet klopten. [32]
Op
24 december 2018heeft [appellant 1] c.s. in de Haarlemse kortgedingprocedure een akte genomen waarin hij onder andere de volgende standpunten heeft ingenomen: [33]

39. TSJ heeft uitgezocht dat [appellant 1][ [appellant 1] , hof]
in 2017 die drempel[van 183 dagen, hof]
overschreden heeft (Productie 37). Dat hebben CWA en gedaagden[ [geïntimeerde 1] c.s., hof]
echter niet opgemerkt. Het is de vraag welk aantal dagen [geïntimeerde 5] aan CWA heeft opgegeven, en waarom zij niet hebben opgemerkt dat de drempel overschreden werd. (…)
40. Immers, aangemerkt worden als U.S. tax resident heeft voor [appellant 1] (en mogelijk ook voor gedaagden zelf) verregaande consequenties. Met name geldt dat [appellant 1] voor 2017 in Amerika aangifte had moeten doen (of nog moet doen, dat wordt thans onderzocht). Het is ook mogelijk dat [appellant 1] voor de rest van zijn leven als U.S. tax resident aangemerkt wordt, zodat hij voortaan in de U.S. aangifte moet doen van zijn wereldinkomen. (…).
In punt 39 van deze akte heeft [appellant 1] c.s. verwezen naar zijn bij deze akte gevoegde productie 37, namelijk het hiervoor onder r. bedoelde bericht van TSJ aan [appellant 1] van 19 december 2018. Met diezelfde akte heeft [appellant 1] in de Haarlemse kortgedingprocedure ook in het geding gebracht, als productie 38, het hiervoor onder s. bedoelde bericht van TSJ aan [appellant 1] van 21 december 2018.
- [geïntimeerde 1] c.s. moest op grond van de volzin “
Met name geldt dat [appellant 1] voor 2017 in Amerika aangifte had moeten doen (of nog moet doen, dat wordt thans onderzocht)” in punt 40 betwijfelen of de Amerikaanse aangifte 2017 inmiddels was ingediend.
- Daarnaast lag het op grond van de mededeling in punt 39 van de pleitaantekeningen namens [appellant 1] c.s. dat de 183-dagengrens in 2017 was overschreden en van de beschrijving van de fiscale gevolgen daarvan in punt 40 van diezelfde aantekeningen op de weg van [geïntimeerde 1] c.s. om het bij die akte als productie 37 gevoegde bericht van TSJ aan [appellant 1] van 19 december 2018 (zie hiervoor onder r.) nader te bekijken en te beoordelen.
- Uit dat bericht volgde duidelijk dat in 2017 de 183-dagengrens was overschreven, dat dit in beginsel als gevolg had dat [appellant 1] door de IRS als
US tax residentwordt aangemerkt, dat TSJ ging proberen om door middel van het formulier 8833 een verzoek om woonplaatsbehandeling in te dienen, en dat voor zowel dat 8833-verzoek als de Amerikaanse aangifte 2017 nadere gegevens nodig waren.
- Vanaf dat moment was [geïntimeerde 1] c.s. daarom van een en ander op de hoogte of had hij daarvan op de hoogte moeten zijn, en had hij er toen al vanuit moeten gaan dat die Amerikaanse aangifte 2017 nog niet was ingediend, en dus dat deze in ieder geval niet tijdig was ingediend voor de destijds door partijen veronderstelde termijn van uiterlijk 15 december 2018.
Op
9 januari 2019heeft de mondelinge behandeling van de Haarlemse kortgedingprocedure plaatsgevonden. Tijdens die mondelinge behandeling heeft de belastingrechtelijk adviserende advocaat van [geïntimeerde 1] c.s. de volgende passage uit haar pleitaantekeningen voorgedragen, in reactie op de punten 37 tot en met 42 van de akte van [appellant 1] c.s. van 24 december 2018: [34]
Los van de vraag wat [geïntimeerde 5] van doen heeft met het aantal dagen dat [appellant 1] al dan niet in de VS verbleef, geven ook deze passages geen blijk van een goed begrip van het fiscale recht. Namens [appellant 1] wordt gesteld dat hij in 2017 op basis van het 183 dagen criterium mogelijk belastingplichtig is in de VS. Zelfs als de 183 dagen zouden zijn overschreden (…) leidt dat – naar alle waarschijnlijkheid – niet tot heffing in de VS. [appellant 1] woont immers in Nederland en het belastingverdrag tussen Nederland en de VS kent in dat geval heffingsrecht toe aan het land waarin men een woning aanhoudt.
- [appellant 1] c.s. voert op grond van deze passage terecht aan dat [geïntimeerde 1] c.s. op 9 januari 2019 het bestaan van het 183 dagen-probleem en de gevolgen daarvan heeft onderkend en goed heeft begrepen.
Op
14 februari 2019heeft TSJ in een mailbericht aan Crowe Foederer, met een
forwardvan haar eerdere verzoek om informatie van 10 december 2018 aan [geïntimeerde 5] (zie hiervoor onder m.), gemeld dat zij uitstel zou aanvragen voor indiening van de Amerikaanse aangifte 2018 en gevraagd of Crowe Foederer bepaalde daarvoor benodigde gegevens kon verstrekken. TSJ besloot dat bericht met het verzoek aan Crowe Foederer of deze daarom:

naast de onderstaande informatie, de informatie van de 2018 shows van [appellant 1] c.s.[kon, hof]
doen toekomen”,
waarbij zij met “onderstaande informatie” verwees naar de informatie waar zij op 10 december 2018 om had gevraagd. [35] - [geïntimeerde 1] c.s. voert aan dat dit bericht betrekking had op gegevens die TSJ nodig had om uitstel te vragen voor de Amerikaanse aangifte 2018 en dat daaruit geen gevolgen kunnen worden getrokken voor de Amerikaanse aangifte 2017, maar ziet daarbij over het hoofd dat TSJ haar verzoek aan Crowe Foederer heeft gedaan in de vorm van een
forwardvan haar eigen verzoek van 10 december 2018 en de reactie van Crowe Foederer daarop van 11 december 2018, met de vraag of Crowe Foederer “naast de onderstaande informatie” (ook) de nieuwe door haar gevraagde gegevens over 2018 zou kunnen verstrekken.
- [appellant 1] c.s. betoogt terecht dat [geïntimeerde 1] c.s. uit deze herinnering al helemaal had moeten opmaken dat het TSJ niet was gelukt om de Amerikaanse aangifte 2017 voor 15 december 2018 in te dienen en die ook niet zou kúnnen indienen zolang [geïntimeerde 1] c.s. haar niet de door haar gevraagde gegevens zou hebben verstrekt.
Op
15 februari 2019heeft Crowe Foederer een brief gericht aan [geïntimeerde 6] die later als Bijlage 3 is opgenomen bij de VSO. Die brief bevat een financiële berekening met betrekking tot Dash Berlin over de jaren 2011 tot en met 2018 en bevat onder andere de volgende uitleg bij die berekening:

De IRS aangiften zijn in de Verenigde Staten door professionele belastingadviseurs ingediend (…), wij hebben deze derhalve als gegeven genomen.”
- Anders dan [geïntimeerde 1] c.s. aanvoert, bieden de woorden “De IRS aangiften zijn (…) ingediend” geen steun voor de door haar bepleite uitleg van artikel 21 VSO waarin de Amerikaanse aangifte 2017, die nog niet was ingediend, van het toepassingsbereik van die bepaling wordt uitgesloten. De betrokken volzin is niet bedoeld als signaal voor de inhoud van de te sluiten VSO, maar als toelichting op hoe Crowe Foederer haar berekening heeft verricht, en verwijst met een bepaald lidwoord naar ingediende aangiftes, zonder dat daaruit volgt dat álle voor de relevante periode relevante aangiftes zijn ingediend.
Op
18 februari 2019heeft TSJ een bericht met de volgende inhoud gestuurd aan [appellant 1] en zijn belastingrechtelijk adviserende advocaten:

Ik kom hierbij bij jullie terug op de status van de beantwoording van de 2015 vragenbrief van de IRS.
(…)[E]
r ontbreken (…) nog een aantal punten van informatie.
(…)
De voornaamste punten waarvoor wij jullie om verdere input / medewerking willen vragen betreffen:
- De gedetailleerde beschrijving van de samenwerking met de heer [geïntimeerde 1] en de heer [geïntimeerde 3] . Wat waren de precieze werkzaamheden, welke rol hadden zij in de samenwerking, waar voerden ze deze uit en hoe waren de afspraken? (…)
(…)
(…)[M]
et name het eerste punt[is]
belangrijk omdat dit ook betrekking heeft op de invulling van de 2017 US aangifte.” [36]
Op
dezelfde daghebben de advocaten van [geïntimeerde 1] c.s. aan de advocaten van [appellant 1] c.s. een concept gestuurd voor de VSO met daarin een artikel 14 dat er kort gezegd in voorzag dat iedere partij haar eigen fiscale zaken behartigt.
Op
19 februari 2019heeft TSJ aan Crowe Foederer een herinnering gestuurd aan haar eerdere verzoek van 14 februari 2019 (dat zelf een herinnering was aan haar informatieverzoek van 10 december 2018, zie hiervoor onder m. en v.), met een verzoek om “onderstaande informatie omtrent de US shows in 2017 en 2018”. [37] Daar heeft Crowe Foederer later op die dag op gereageerd met een hernieuwd verzoek om een schriftelijke machtiging van [appellant 1] met een kopie van diens identiteitsbewijs en met de mededeling dat zij na ontvangst daarvan met haar cliënten zou overleggen of en op welke termijn zij die stukken zou kunnen overleggen. Zij voegde daaraan toe dat zij die stukken niet zelf had, maar deze uit de administratie van haar cliënten moesten komen. [38]
- Het hof leidt uit deze reactie af dat Crowe Foederer het verzoek van TSJ heeft gelezen en begrepen. Deze kennis moet als hiervoor geoordeeld worden toegerekend aan haar cliënt [geïntimeerde 1] c.s. Op grond van deze correspondentie moest wederom voor [geïntimeerde 1] c.s. duidelijk zijn dat de Amerikaanse aangifte 2017 op dat moment nog niet was ingediend en dat die aangifte pas zou kunnen worden ingediend als hij TSJ de daarvoor benodigde gegevens zou hebben verstrekt.
a. Bij mail van
later op 19 februari 2019heeft de belastingrechtelijk adviserende advocaat van [appellant 1] c.s. afwijzend gereageerd op het hiervoor onder y. bedoelde concept VSO van [geïntimeerde 1] c.s. van een dag eerder, en een alternatief schikkingsvoorstel gedaan. [39] Hij heeft bij zijn mailbericht het hiervoor onder x. bedoelde mailbericht van TSJ aan [appellant 1] en hemzelf gevoegd en daar in zijn mailbericht de volgende toelichting bij gegeven:

Bijgaand doe ik u een mail van[TSJ, hof]
toekomen, waaruit duidelijk blijkt dat [appellant 1][ [appellant 1] , hof]
rap open kaart moet gaan spelen met de IRS.”
- Deze mail van de belastingrechtelijk adviserende advocaat van [appellant 1] c.s. nodigt uit tot het raadplegen van de daarbij gevoegde mail van een dag eerder van TSJ. [geïntimeerde 1] c.s. kan wegens zijn betrokkenheid bij de werkzaamheden van CWA tot aan in ieder geval mei 2018 bekend worden verondersteld met de vragen die de IRS in het IDR 1 heeft gesteld met betrekking tot het als aftrekbare
management feeopvoeren van het deel van de inkomsten van Dash Berlin dat volgens de verdelingsafspraken tussen partijen aan [geïntimeerden 1 t/m 4] was uitbetaald. [geïntimeerde 1] c.s. kan daarom worden geacht te hebben begrepen wat TSJ in haar mail van 18 februari 2019 bedoelde met “de 2015 vragenbrief van de IRS” en met de daarop volgende beschrijving van de voor beantwoording van die brief benodigde gegevens. Zoals hiervoor geoordeeld had hij in die eerdere periode tot aan mei 2018 ook moeten begrijpen dat die vragen relevant waren voor de aangiftes over de op 2015 volgende jaren.
- TSJ wijst er in de laatste hiervoor onder x. aangehaalde volzin van haar mail van 18 februari 2019 uitdrukkelijk op dat bepaalde punten met betrekking tot de vragen over de Amerikaanse aangifte 2015 ook van belang zijn voor de “invulling” van de Amerikaanse aangifte 2017. Het hof volgt [geïntimeerde 1] c.s. niet in zijn betoog dat Amerikaanse aangiftes gaandeweg kunnen worden aangevuld en dat hij dat “invullen” daarom had kunnen opvatten als het aanvullen van een reeds over 2017 gedane aangifte. Dat strookt niet met de normale betekenis van “een aangifte invullen”, en het had in dat geval voor de hand gelegen dat TSJ woorden zou hebben gebruikt als “omdat de 2017 US aangifte op dat punt moet worden aangevuld”.
- Dit was dus opnieuw een moment waarop [geïntimeerde 1] c.s., indien hij nog dacht dat de Amerikaanse aangifte 2017 al was ingediend, had moeten begrijpen dat dat nog niet was gebeurd.
Op
20 februari 2019heeft [appellant 1] aan Crowe Foederer in reactie op haar verzoek van een dag eerder een mail gestuurd waarin hij TSJ machtigt, met een kopie van zijn identiteitsbewijs. [40] - Niet is gesteld of gebleken dat Crowe Foederer vervolgens alsnog aan TSJ de gegevens heeft verstrekt waar deze naar had gevraagd om namens [appellant 1] de Amerikaanse aangifte 2017 te kunnen indienen.
Op 29 maart 2019 heeft de belastingrechtelijk adviserende advocaat van [appellant 1] , voor zover hier van belang, de volgende wijzigingen aangebracht in artikel 21 van een concept voor de VSO, dat betrekking had op “Fiscale kwesties IRS”:

21. Partijen committeren zich aan het gezamenlijk optreden richting de IRS (…).(…)d.Voor zover de afwikkelingvan de aangiften 2012-2015in de VS leidt tot (na)heffing zal daartoe (primair) het bedrag dat thans geparkeerd staat op de rekening van[ [geïntimeerde 6] , hof]
worden aangewend. (…) Voor zover daarvan een gedeelte resteert zal worden gehandeld in lijn met hetgeen is vermeldonder c. Voor zover het geparkeerde bedrag niet volstaat (bijvoorbeeld vanwege heffingsrente of aanvullende beschikkingen e.d.) zal het bedrag dat het geparkeerde bedrag overstijgt doorde groep gezamenlijk[geïntimeerde 1] c.s.worden gedragenop basis van de percentages zoals die volgen uit de in 2010 overeengekomen verdeelsleutel(…)omdat [geïntimeerde 1] c.s. er voor kiezen om geen correctie aangiftes in de VS te doen en het risico nemen van boetes en oplopende heffingsrenten. (…)(…)”,
met de volgende toelichting in de kantlijn:

Let op, dat die aanslagen alleen maar het bedrag van 1.4 mio kunnen overstijgen omdat heffingsrente en boete dient te worden betaald. Het is hun keuze om geen correctie aangiften te betalen. Het is derhalve aan hun om die boeten en heffingsrente te betalen”. [41] - [appellant 1] c.s. voert op grond hiervan terecht aan dat voor [geïntimeerde 1] c.s. kenbaar was dat de belastingrechtelijk adviserende advocaat van [appellant 1] c.s. vond dat het niet correct was om de betalingen aan [geïntimeerden 1 t/m 4] uit de inkomsten van de
actals
management feesop te voeren, en dat [appellant 1] c.s. niet wilde opdraaien voor de gevolgen van die niet met hem besproken keuze.
Op
24 april 2019hebben de advocaten van [geïntimeerde 1] c.s. aan de advocaten van [appellant 1] c.s. na meerdere tussenversies een concept voor de VSO gestuurd met daarin een artikel 23 dat in grote lijnen lijkt op het uiteindelijk overeengekomen artikel 21, zij het voor een periode niet beperkt tot mei 2018. [42]
- Het hof leidt hieruit af dat [geïntimeerde 1] c.s. er vanaf dat moment mee rekening moest houden dat hij (volgens de taalkundig meest voor de hand liggende betekenis van deze bepaling) na het sluiten van de VSO verantwoordelijk zou worden voor de gehele fiscale afwikkeling met de IRS met betrekking tot Dash Berlin over het verleden.
- Het hof leidt hieruit ook af dat [appellant 1] c.s. er vanaf dat moment mee rekening moest houden dat hij aan [geïntimeerde 1] c.s. feiten en omstandigheden moest melden waarvan hij wist of behoorde te weten dat die voor [geïntimeerde 1] c.s. relevant zouden zijn voor het aangaan van deze verplichting, tenzij hij ervan mocht uitgaan dat [geïntimeerde 1] c.s. daar al mee bekend was.
Op
8 mei 2019heeft Crowe Foederer onder andere de volgende vraag aan CWA gesteld:

1. Questions still need to be answered for the open years 2015, 2016 and 2017. This seems to be mainly about the fact that the IRS wants to get a management agreement between [appellant 1] and [geïntimeerde 4] BV and [geïntimeerde 2] BV.” [43]
- Anders dan partijen aanvoeren, kan uit de woorden “open years” niet iets anders worden afgeleid dan dat Crowe Foederer op dat moment wist dat de IRS nog niet definitief over die jaren had beslist.
- Op grond van de berichten van TSJ aan Crowe Foederer van 14 en 19 februari 2019 en de door (de advocaten van) [appellant 1] c.s. aan (de advocaten van) [geïntimeerde 1] c.s. doorgestuurde of in de Haarlemse kortgedingprocedure geproduceerde berichten van TSJ aan [appellant 1] van 19 en 21 december 2018 en 18 februari 2019 moest [geïntimeerde 1] c.s. op dat moment al lang en breed weten dat de Amerikaanse aangifte 2017 nog niet was ingediend.
Op
9 mei 2019heeft Crowe Foederer de (in de tussentijd ontvangen) antwoorden van CWA op haar vragen aan een advocaat van [appellant 1] doorgestuurd en aan die advocaat de volgende vervolgvraag gesteld met betrekking tot zijn in de vorige alinea aangehaalde vraag:

Om punt 1 goed te kunnen inschatten is het van belang dat wij alle correspondentie die beschikbaar is tussen IRS en (adviseurs van) [appellant 1][ [appellant 1] , hof]
krijgen.
Zou jij ervoor kunnen zorgen dat wij deze uiterlijk morgen krijgen, zodat wij in het weekend een beoordeling op die stukken kunnen doen? [44]
- [geïntimeerde 1] c.s. heeft onbestreden gesteld dat [appellant 1] c.s. noch zijn adviseurs die stukken hebben gestuurd en dat [appellant 1] c.s. heeft gereageerd dat hij die stukken pas zou verstrekken na het sluiten van de VSO, op grond van de bepaling in het concept voor de VSO die na vernummering in de definitieve tekst is terechtgekomen als artikel 21 onder a VSO.
- Uit het feit dat [geïntimeerde 1] c.s. vervolgens de VSO heeft ondertekend, met daarin de in artikel 21 onder a geregelde gegevensvertrekking, volgt dat [geïntimeerde 1] c.s. daar genoegen mee heeft genomen.
Op
15 mei 2019hebben de advocaten van [geïntimeerde 1] c.s. aan de advocaten van [appellant 1] c.s. een concept VSO gestuurd met daarin de tekst van artikel 21 zoals uiteindelijk overeengekomen. [45] In haar begeleidende e-mail heeft de belastingrechtelijk adviserende advocaat van [geïntimeerde 1] het volgende toegelicht:

Ik vergat (…) dat cliënten de factuur over de state tax zullen betalen (…), in het kader van dat zij alle naheffingsaanslagen onder de IRS zullen betalen. Dat wensen zij voor de goede orde dan wel ook in de VSO over te nemen. Ik heb dus opgenomen: “IRS (inclusief state tax)”.” [46] - Het in artikel 21 aanhef VSO opnemen van de woorden “(inclusief state tax)” werpt op zichzelf geen licht op de hier aan de orde zijnde vraag van uitleg van die bepaling. Het hof heeft hiervoor onder 6.16 al geoordeeld dat het gebruik van het woord “naheffingsaanslag” niet tot een andere uitleg leidt dan die [appellant 1] c.s. heeft bepleit.
Op
16 mei 2019heeft een civielrechtelijk adviserende advocaat van [geïntimeerde 1] c.s. aan de advocaten van [appellant 1] c.s. een mail gestuurd met de volgende tekst, met daaraan gehecht de eindversie van de VSO:
“[Inhoudelijke toelichting bij laatste versies]
Wat mij betreft is dit dus nu de finale versie. (…)
Het lijstje met actiepunten wordt dan als volgt:
(…)
5. Opstellen volmacht ten behoeve van IRS(…)8. Afrekening 2018
(…)
13. Uitwisseling informatie in verband met fiscaliteit[Deze regel in een afwijkende kleur, hof]
14. Door fiscaal adviseurs gezamenlijk opstellen aangifte IRS in de VS over 2018
Als [appellant 1] hiermee ook akkoord is, zou hij en alle bestuurders van de genoemde vennootschappen (…) tien exemplaren kunnen tekenen en die terugsturen. (…)”. [47]
- [geïntimeerde 1] c.s. wijst erop dat [appellant 1] c.s. niet op deze actielijst heeft gereageerd door erop te wijzen dat naast de Amerikaanse aangifte 2018 ook de Amerikaanse aangifte 2017 moest worden opgesteld. Daar stelt [appellant 1] c.s. echter tegenover dat uit artikel 21 VSO volgt dat het belastingjaar 2018 in zoverre een gebroken jaar was, dat de periode tot en met mei voor rekening en en risico van [geïntimeerde 1] c.s. kwam en de periode daarna voor rekening en risico van [appellant 1] c.s., waardoor partijen noodzakelijkerwijs met elkaar zouden moeten samenwerken om de betrokken aangifte op te stellen. [appellant 1] c.s. voert daarom terecht aan dat in dit verband geen betekenis toekomt aan het ontbreken, op deze lijst, van het opstellen van de aangifte 2017, net zoals op deze lijst ontbreekt dat de op dat moment nog uitstaande vragen met betrekking tot het belastingjaar 2015 nog moeten worden beantwoord.
Niet is gesteld of gebleken dat partijen daarna nog voor het sluiten van de VSO uitlatingen hebben gedaan die tot een andere uitleg zouden leiden.
Aan de VSO is gehecht een stuk gedateerd op 18 september 2010, met een inkomstenverdelingsafspraak tussen [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 3] , [appellant 1] , [geïntimeerde 5] en de tourmanager.
- Tussen partijen is niet in geschil dat dit stuk een weergave is van de verdelingsafspraak uit 2010 die pas ten tijde van het sluiten van de VSO op schrift is gesteld en is geantidateerd naar september 2010.
- Tussen partijen is evenmin in geschil dat dit stuk destijds pas is opgesteld om te kunnen dienen als verantwoording voor het opvoeren van de betalingen aan [geïntimeerden 1 t/m 4] als aftrekbare
management feesin de belastingaangiften van [appellant 1] , en dat alle partijen destijds baat hadden bij dit stuk ter onderbouwing van die aftrek, met het oog op de beantwoording van de vragen van de IRS met betrekking tot de Amerikaanse aangifte 2015.
- Omdat het voor de hand ligt dat voor de Amerikaanse aangifte 2017 dezelfde benadering gevolgd zou worden als die zou worden verantwoord voor de aangifte 2015, is ook dat een indicatie dat [geïntimeerde 1] c.s. bij het sluiten van de VSO wist of behoorde te weten dat de Amerikaanse aangifte 2017 nog niet was ingediend.
6.29.
Datgene wat [geïntimeerde 1] c.s. heeft aangevoerd over klachten van CWA over het mailgedrag van [appellant 1] (punt 110 van de memorie van antwoord), de juistheid van de vastlegging van de verdelingsafspraken uit 2010 in de bij de VSO gevoegde
managementovereenkomst (punt 111), de noodzaak van die vastlegging voor het kunnen indienen van de Amerikaanse aangifte 2017 (punt 112) en bepaalde andere standpunten van [appellant 1] c.s. (punten 113 en 114) is voor de hiervoor verrichte beoordeling niet ter zake doende.
6.30.
Voor zover [geïntimeerde 1] c.s. heeft willen betogen dat [appellant 1] c.s. hem er voorafgaand aan het sluiten van de VSO niet alleen op had moeten wijzen dat de Amerikaanse aangifte 2017 nog niet was gedaan, maar ook dat [appellant 1] daardoor voor het belastingjaar 2017 geen beroep meer zou kunnen doen op woonplaatsbehandeling op grond van de Overeenkomst met betrekking tot belastingen naar het inkomen, treft dat betoog geen doel. [geïntimeerde 1] c.s. heeft namelijk niet gesteld dat [appellant 1] c.s. daar destijds van op de hoogte was of had moeten zijn.
6.31.
Voor zover [geïntimeerde 1] c.s. heeft willen betogen dat [appellant 1] c.s. hem er voorafgaand aan het sluiten van de VSO ook op had moeten wijzen dat de te late indiening van de Amerikaanse aangifte 2017 zou leiden tot een hoger bedrag aan boetes en rente, kan hem dat evenmin baten, aangezien [appellant 1] c.s. [geïntimeerde 1] c.s. daarmee bekend mocht veronderstellen op grond van het feit dat CWA de Amerikaanse aangiftes in het verleden structureel te laat had ingediend namens [appellant 1] .
Komt aan [geïntimeerde 1] c.s. een beroep toe op vernietiging van de VSO?
6.32.
[geïntimeerde 1] c.s. heeft subsidiair, voor het geval de door [appellant 1] c.s. bepleite uitleg van artikel 21 VSO zou worden gevolgd, een beroep gedaan op (partiële) vernietiging van de VSO wegens dwaling, bedrog, of misbruik van omstandigheden. [48]
6.33.
Dit beroep faalt. Uit de hiervoor gaande beoordeling volgt dat niet is voldaan aan de vereisten voor vernietiging op grond van dwaling. Wat het gestelde bedrog en misbruik van omstandigheden betreft heeft [geïntimeerde 1] c.s. volstaan met een verkorte herhaling van de stellingen die hij ten grondslag heeft gelegd aan zijn betwisting van de door [appellant 1] c.s. bepleite uitleg van artikel 21 VSO, waardoor ook die grondslagen niet tot vernietiging kunnen leiden.
Mocht [appellant 1] c.s. zich op opschorting beroepen?
6.34.
[appellant 1] c.s. heeft gesteld dat [geïntimeerde 1] c.s. als eerste de op hem rustende verplichtingen uit artikel 21 VSO niet is nagekomen, waardoor hij gerechtigd was om de nakoming van zijn eigen licentiebetalingsverplichtingen uit de artikelen 3 en 4 VSO op te schorten. [49]
6.35.
[geïntimeerde 1] c.s. voert aan dat dit beroep op opschorting moet worden afgewezen omdat [appellant 1] c.s. dat pas bij pleidooi in eerste aanleg heeft gedaan, en niet eerder. Dat verweer faalt omdat het opschortingsrecht een verweermiddel is dat zowel in als buiten rechte kan worden ingeroepen. Bovendien blijkt uit de overgelegde stukken dat [appellant 1] c.s. evident een beroep op opschorting heeft gedaan in zijn reactie van 27 mei 2020 op de betalingsherinnering van Crowe Foederer met betrekking tot de factuur 12 mei 2020:

Op je vraag van de betaling, die hou ik aan tot dat partijen een oplossing hebben gevonden voor de openstaande belastingschuld 2017 in Amerika die door[ [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 5] , hof]
dient te worden betaald en dat is nog steeds niet gebeurd”. [50]
6.36.
[geïntimeerde 1] c.s. heeft ook aangevoerd dat [appellant 1] c.s. niet zowel kan verrekenen als opschorten. Ook dit verweer faalt: uit de processtukken van [appellant 1] c.s. volgt duidelijk dat hij verrekening en opschorting heeft aangevoerd als alternatieve verweren tegen het beroep van [geïntimeerde 1] c.s. op de gevolgen van het niet betalen van de factuur van 12 mei 2020. [51]
6.37.
[geïntimeerde 1] c.s. heeft ook betwist dat [appellant 1] c.s. op grond van artikel 21 VSO een opeisbare vordering had op hem. Ook deze betwisting faalt. Uit de hiervoor gaande beoordeling volgt dat [geïntimeerde 1] c.s. op grond van die bepaling op 27 mei 2020 verplicht was om op eigen kosten de Amerikaanse aangifte 2017 te laten opstellen en de daaruit voortvloeiende belasting te betalen.
6.38.
[appellant 1] c.s. had op 27 mei 2020 op grond van deze verbintenis een opeisbare vordering op [geïntimeerde 1] c.s. ten belope van tenminste $ 177.291,-. Tussen partijen is namelijk niet in geschil dat op grond van het Amerikaanse belastingrecht de aangever bij aangifte verplicht is onmiddellijk het daarin aangegeven belastingbedrag te betalen. Tussen partijen staat ook het volgende vast:
- na het sluiten van de VSO is de samenwerking tussen [appellant 1] c.s. en TSJ in juni 2019 beëindigd en hebben partijen het Amerikaanse belastingadvieswerk opnieuw belegd bij CWA;
- deze heeft op 7 maart 2020 aan [appellant 1] , Crowe Foederer en [geïntimeerde 5] een concept Amerikaanse aangifte 2017 gestuurd, opgesteld op basis van het wereldwijde inkomen, onder verwijzing naar het feit dat Crowe Foederer en [geïntimeerde 5] daarvoor gegevens hadden aangeleverd; [52] - op 17 maart 2020 heeft CWA op verzoek van [appellant 1] verduidelijkt dat die aangifte resulteert in een te betalen belasting van $ 120.912,- te vermeerderen met vertragingsrente- en boetes voor in totaal $ 177.291,- indien voor 30 maart 2020 zou worden betaald; [53] - CWA heeft die aangifte op 28 april 2020 ingediend, met daarin opgenomen een te betalen belastingbedrag van $ 120.912,-. [54]
6.39.
Daarnaast stond op 27 mei 2020 vast dat [geïntimeerde 1] c.s. zou tekortschieten in de nakoming van die verbintenis. Tussen partijen staat namelijk ook het volgende vast:
- Namens [geïntimeerde 1] c.s. is al op 29 juli 2019 en op 7 augustus 2019, toen het tussen partijen ging over het niet ingediend zijn van de Amerikaanse aangifte 2017, het standpunt ingenomen dat die kwestie niet viel onder de verplichtingen van [geïntimeerde 1] c.s. uit hoofde van artikel 21 VSO. [55] - [appellant 1] heeft in een e-mailbericht van 10 maart 2020 aan CWA, met kopie aan Crowe Foederer en [geïntimeerde 5] , aan Crowe Foederer gevraagd om aan [geïntimeerde 5] te vragen om zorg te dragen voor de betaling van $ 120.912,- aan verschuldigde belasting; [56] - de belastingrechtelijk adviserende advocaat van [geïntimeerde 1] c.s. heeft daar op 12 maart 2020 op gereageerd met het bericht dat de kwestie van de Amerikaanse aangifte 2017 [geïntimeerde 1] c.s. niet aangaat; [57] en
- na protest van de zijde van [appellant 1] c.s. heeft die advocaat dat standpunt op 6 mei 2020 herhaald. [58]
6.40.
[geïntimeerde 1] c.s. voert aan dat de artikelen 3, 4 en 7 VSO in die zin moeten worden uitgelegd dat de terugleverplicht van artikel 7 VSO uitdrukkelijk is gerelateerd aan niet-nakoming van de licentiebetalingsverplichting van [appellant 1] c.s. uit de artikelen 3 en 4 VSO, terwijl de VSO niet voorziet in een sanctie op de (eventuele) niet-nakoming van de afwikkelingsverplichting van [geïntimeerde 1] c.s. uit artikel 21 VSO, althans in ieder geval niet de sanctie dat [appellant 1] c.s. zich zou kunnen beroepen op verrekening dan wel opschorting.
6.41.
[appellant 1] c.s. heeft die uitleg terecht betwist. Het betoog van [geïntimeerde 1] c.s. komt er namelijk op neer dat uit de VSO voor [appellant 1] c.s. een verbod voortvloeide om de nakoming van zijn licentiebetalingsverbintenis op te schorten, althans dat [appellant 1] c.s. de inwerkingtreding van de terugleverplicht van artikel 7 VSO en het verval van de licentie van artikel 6 VSO niet kan blokkeren met een geldig beroep op verrekening dan wel opschorting. De tekst van de VSO biedt hiervoor geen enkel aanknopingspunt, en het is niet aannemelijk dat de VSO, die ter oplossing van het voorgaande geschil voorzag in een samenstel van wederkerige verbintenissen, er tevens in zou voorzien dat specifiek twee daarvan, namelijk die tot het betalen van een licentievergoeding en tot het inzage geven in de daarvoor noodzakelijke gegevens, niet opschortbaar zouden zijn, althans dat geldige opschorting daarop geen effect zou hebben.
6.42.
[geïntimeerde 1] c.s. heeft ook aangevoerd dat het eerst [appellant 1] c.s. is geweest die de VSO niet is nagekomen, namelijk door in strijd met artikel 21 onder a VSO niet alle correspondentie met de IRS te overleggen met betrekking tot Dash Berlin tot en met mei 2018 en doordat de Amerikaanse aangifte 2017 ten tijde van het sluiten van de VSO nog niet was ingediend, terwijl [appellant 1] c.s. in diezelfde bepaling had gegarandeerd dat in die correspondentie geen fiscaal ongunstige uitlatingen of toezeggingen waren gedaan jegens alle betrokkenen. Het hof vat dit op als een beroep op opschorting aan de zijde van [geïntimeerde 1] c.s., aldus dat zij haar betalingsverbintenis uit artikel 21 VSO mocht opschorten.
6.43.
Dit beroep slaagt niet.
- Voor zover [geïntimeerde 1] c.s. heeft willen betogen dat [appellant 1] c.s. vóór het sluiten van de VSO niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen op grond van artikel 21 onder a VSO, heeft hij niet toegelicht dat en waarom uit die bepaling voor [appellant 1] c.s. al in die periode verbintenissen kunnen zijn voortgevloeid.
- Voor zover [geïntimeerde 1] c.s. heeft willen betogen dat [appellant 1] c.s. daar na het sluiten van de VSO niet aan heeft voldaan, kan hem dat evenmin baten. [appellant 1] c.s. heeft namelijk onweersproken aangevoerd dat Crowe Foederer en daarmee [geïntimeerde 1] c.s. over de voor de Amerikaanse aangifte 2017 benodigde administratie beschikte, en in het licht lag het op de weg van [geïntimeerde 1] c.s. om nader te specificeren welke stukken hij nog nodig had, wanneer hij die heeft opgevraagd en wanneer deze al dan niet zijn verstrekt.
- [geïntimeerde 1] c.s. heeft evenmin toegelicht waarom de in die bepaling afgegeven garantie in die zin moet worden uitgelegd dat de daar bedoelde “fiscaal ongunstige uitlatingen of toezeggingen”, zoals [geïntimeerde 1] c.s. stelt, mede omvat het niet ingediend zijn van de Amerikaanse aangifte 2017. Naar het oordeel van het hof is dat niet het geval.
- Anders dan [geïntimeerde 1] c.s. aanvoert, heeft [appellant 1] c.s. [geïntimeerde 1] c.s. na het sluiten van de VSO niet in het ongewisse gelaten over de status van de Amerikaanse aangifte 2017. Uit mailcorrespondentie tussen CWA en Crowe Foederer van 23 juli 2019 [59] en tussen CWA en de echtgenote van [appellant 1] van dezelfde dag [60] volgt namelijk dat op dat moment bij beide partijen bekend was dat de Amerikaanse aangiftes 2017 en 2018 nog niet waren ingediend, dat [appellant 1] wachtte op een
letter of engagementvan CWA en dat [geïntimeerde 5] volgens [appellant 1] nog gegevens zou moeten aanleveren voor de Amerikaanse aangiftes 2017 en 2018.
- [geïntimeerde 1] c.s. voert ten onrechte aan dat [appellant 1] c.s. voor hem heeft verzwegen dat hij CWA in april 2020 zijn Amerikaanse aangifte 2017 heeft laten indienen. Op 7 maart 2020 heeft CWA namelijk aan [appellant 1] , Crowe Foederer en [geïntimeerde 5] een concept voor die aangifte gestuurd dat zij had opgesteld op basis van gegevens die Crowe Foederer en [geïntimeerde 5] hadden aangeleverd. [61] Op 10 maart 2020 heeft [appellant 1] met kopie aan Crowe Foederer en [geïntimeerde 5] daarop geantwoord met een vraag over het belastingbedrag van $ 120.912,- en de wens dat die aangifte zo snel mogelijk zou worden wordt ingediend. [62]
6.44.
[geïntimeerde 1] c.s. heeft niet afzonderlijk betwist dat het beroep van [appellant 1] c.s. op opschorting evenredig was, gelet op de verhouding tussen de opeisbare vordering van [appellant 1] c.s. op [geïntimeerde 1] c.s. ad (tenminste) $ 177.291,- en de door [geïntimeerde 1] c.s. aan [appellant 1] c.s. in rekening gebrachte licentievergoeding ad € 81.380,66. Hetzelfde geldt voor de verbintenis van [appellant 1] c.s. tot het geven van inzage in zijn administratie. Gelet op het slagen van het beroep van [appellant 1] c.s. op opschorting gaat het hof voorbij aan de verweren die [geïntimeerde 1] c.s. heeft gericht tegen het beroep van [appellant 1] c.s. op verrekening.
De gevolgen van de voorgaande beoordeling voor de vorderingen en de proceskosten
6.45.
Het hof gaat voorbij aan de aanbiedingen van partijen in eerste aanleg en in hoger beroep om getuigenbewijs aan te bieden, omdat daar in kort geding geen ruimte voor is.
De vorderingen van [geïntimeerde 1] c.s.
6.46.
De grieven 3 tot en met 5 van [appellant 1] c.s. slagen. Hij mocht op 27 mei 2019 zijn verbintenissen tot het betalen van een licentie en het geven van inzage in zijn administratie uit de artikelen 3 tot en met 5 VSO opschorten totdat [geïntimeerde 1] c.s. het op dat moment verschuldigde Amerikaanse belastingbedrag van tenminste $ 177.291,- zou hebben voldaan aan de IRS.
- De vorderingen 1 tot en met 4.a van [geïntimeerden 1 t/m 4] , die alle (rechtstreeks of in het geval van vordering 3 middellijk) gegrond zijn op de inwerkingtreding van de terugleverplicht van artikel 7 VSO of het verval van de licentie van artikel 6 VSO zijn daarom niet toewijsbaar.
- De vordering 4.b van [geïntimeerden 1 t/m 4] is evenmin toewijsbaar. Daarbij geldt naast het geslaagde beroep van [appellant 1] c.s. op opschorting, met betrekking tot het gebruik van de term “producer”, dat [appellant 1] c.s., voorafgaand aan de teruglevering van de activa van de onderneming Dash Berlin ter uitvoering van het bestreden vonnis, eigenaar was van die activa en daarom de
actDash Berlin controleerde. Zonder toelichting, die [geïntimeerde 1] c.s. niet heeft gegeven, valt niet te begrijpen waarom [appellant 1] het dan niet in zijn macht zou hebben om zichzelf aan te wijzen als organisator en daarmee als producer van de
act. Voor zover [geïntimeerden 1 t/m 4] hadden bedoeld te betogen dat [appellant 1] zichzelf met betrekking tot de muziek die hij als DJ van Dash Berlin heeft gespeeld in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als fonogrammenproducent in de zin van artikel 1 aanhef en onder d Wet op de naburige rechten, hebben zij daartoe onvoldoende gesteld.
- Gelet op het voorgaande zijn de vordering van [geïntimeerden 1 t/m 4] in eerste aanleg om aan de veroordelingen 1 tot en met 4.b een dwangsomveroordeling te verbinden, en hun vordering in hoger beroep A. om het door de rechtbank vastgestelde dwangsomplafond te verhogen, evenmin toewijsbaar.
- De vorderingen 5 en 6 van [geïntimeerde 1] c.s. zijn evenmin toewijsbaar, omdat het hiervoor bedoelde opschortingsrecht voortduurt totdat [geïntimeerde 1] c.s. heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 21 VSO en [geïntimeerde 1] c.s. niet heeft gesteld dat hij dat heeft gedaan.
Het hof zal daarom het bestreden vonnis, voor zover gewezen in conventie, vernietigen en de betrokken vorderingen van [geïntimeerde 1] c.s. afwijzen. Bij deze stand van zaken hoeft het hof niet te beoordelen Grief 6 en het beroep van [appellant 1] c.s. op schuldeisersverzuim aan de zijde van [geïntimeerde 1] c.s., de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid en misbruik van bevoegdheid aan de zijde van [geïntimeerde 1] c.s.
De vorderingen van [appellant 1] c.s.
6.47.
Uit de hiervoor gaande beoordeling volgt dat [appellant 1] c.s. ten aanzien van [geïntimeerde 1] c.s. een opeisbare vordering heeft tot nakoming van de verbintenis die hij heeft beschreven in zijn vordering in hoger beroep onder A. Uit de producties 62 en 63 van [appellant 1] c.s. in hoger beroep volgt weliswaar dat ten tijde van de mondelinge behandeling in hoger beroep niet duidelijk was of nog een bedrag openstaat van de Amerikaanse belasting 2017, en, indien de betrokken belasting al (geheel of ten dele) is betaald, wie die heeft betaald, maar [geïntimeerde 1] c.s. heeft niet als bevrijdend verweer gevoerd dat die belasting inderdaad helemaal is voldaan en dat híj dat heeft gedaan. [geïntimeerde 1] c.s. heeft ook geen verweer gevoerd tegen de gevorderde hoofdelijkheid. Het hof zal de vordering in hoger beroep A. van [appellant 1] c.s. daarom toewijzen zoals hierna bepaald. Het hof zal aan deze veroordeling geen dwangsomveroordeling verbinden, omdat die veroordeling hoofdzakelijk betrekking heeft op het betalen van een geldsom, tussen partijen vaststaat dat de Amerikaanse aangifte 2017 inmiddels is gedaan en [appellant 1] c.s. niets heeft gesteld over het nog niet ingediend zijn van de overige door artikel 21 VSO bestreken aangiftes. Het hof zal daarom het bestreden vonnis, voor zover gewezen in reconventie, eveneens vernietigen en de vordering A. van [appellant 1] c.s. toewijzen zoals hierna bepaald.
6.48.
Uit de hiervoor gaande beoordeling volgt ook dat het (gegronde) beroep van [appellant 1] c.s. van 27 mei 2019 op opschorting geen invloed heeft gehad op de krachtens artikel 6 VSO aan hem verleende licentie. De vordering van [appellant 1] c.s. in hoger beroep onder C. is daarom in beginsel toewijsbaar, met dien verstande dat zij niet kan worden toegewezen totdat in de bodemzaak onherroepelijk is beslist. De in dit kort geding uitgesproken veroordelingen verliezen namelijk hun werking op het moment dat een bodemrechter op diezelfde vorderingen beslist, en het is vervolgens aan die bodemrechter dan wel een executierechter is om die beslissing, indien gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren dan wel om de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beslissing te schorsen. [geïntimeerde 1] c.s. heeft daarnaast onbestreden gesteld dat de licentie van artikel 6 VSO komt te vervallen wanneer [appellant 1] c.s. niet aan zijn verplichtingen uit de artikelen 3 tot en met 5 zou voldoen en, voegt het hof toe, geen beroep zou kunnen doen op verrekening dan wel opschorting. Het hof zal de vordering van [appellant 1] c.s. in hoger beroep onder B. daarom toewijzen zoals hierna bepaald.
6.49.
Het hof zal hier een dwangsomveroordeling aan koppelen, met matiging zoals hierna bepaald. Anders dan [geïntimeerde 1] c.s. aanvoert, is de veroordeling om te gehengen en te gedogen dat [appellant 1] c.s. bepaalde
hashtagsen tekens gebruikt vatbaar voor een verzwaring met dwangsommen, als prikkel om te voorkomen dat [geïntimeerde 1] c.s. naar derden toe aanvoert dat [appellant 1] c.s. daar niet toe is gerechtigd.
6.50.
[geïntimeerde 1] c.s. voert aan dat de vordering van [appellant 1] c.s. in hoger beroep onder C. uitsluitend betrekking heeft op de betaling van geldsommen, en dus niet op teruglevering van de activa van Dash Berlin. [appellant 1] c.s. heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat hij inderdaad niet heeft gevorderd dat die activa worden teruggeleverd, maar dat dat volgens hem wel een logisch gevolg zou zijn van vernietiging van het bestreden vonnis. Het hof legt deze vordering daarom in die zin uit, dat zij alleen betrekking heeft op betaling van geldsommen.
6.51.
Uit de hiervoor verrichte beoordeling volgt dat de rechtbank [appellant 1] c.s. ten onrechte heeft veroordeeld tot betaling van dwangsommen, de geldsommen bedoeld in de beslissingsonderdelen 7.10 en 7.11 van het bestreden vonnis en de proceskosten in conventie en in reconventie. Deze vordering is daarom toewijsbaar zoals hierna bepaald, zonder dwangsomveroordeling, omdat het gaat om een veroordeling tot betaling van geldsommen.
De proceskosten
6.52.
Uit het voorgaande volgt dat de voorzieningenrechter [geïntimeerde 1] c.s. als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk had moeten veroordelen in de kosten van de conventie en de reconventie in eerste aanleg. Het hof zal daarom ook vordering B. in hoger beroep van [geïntimeerde 1] c.s. afwijzen. Het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde 1] c.s. faalt daarom in zijn geheel en [geïntimeerde 1] c.s. moet daarom als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van zowel het principale als het incidentele hoger beroep.
6.53.
[appellant 1] c.s. heeft in eerste aanleg en in hoger beroep aangevoerd dat deze zaak geen betrekking heeft op een IE-handhavingsgeschil, maar op de vraag aan wie op grond van de VSO de onderneming Dash Berlin toekomt. Hij heeft ook geen kosten gevorderd op de voet van artikel 1019h Rv. Het hof zal de proceskosten aan zijn zijde daarom als volgt begroten, op grond van de liquidatietarieven.
- Het hof zal voor de eerste aanleg in conventie uitgaan van het liquidatietarief voor normale kort gedingen van (destijds) € 1.016,-.
- Het hof zal de kosten van de eerste aanleg in reconventie op nihil stellen, omdat de stellingen van [appellant 1] c.s. in reconventie volledig samenvallen met die van zijn verweer in conventie.
- Het hof heeft in zijn arrest van 1 maart 2022 in de diverse door [appellant 1] c.s. opgeworpen incidenten al beslist over de proceskosten in die incidenten, namelijk dat die moeten worden gecompenseerd.
- Partijen hebben zich niet uitgelaten over de waarde van de onderneming Dash Berlin, die voorwerp is van de vorderingen van [geïntimeerde 1] c.s. De vordering van [appellant 1] c.s. onder A. houdt volgens hem onder andere betaling in van tenminste $ 177.291,-, hetgeen na aftrek van de door hem niet betwiste vordering van [geïntimeerde 1] c.s. ad € 81.380,66 een bedrag oplevert dat valt binnen liquidatietarief IV (€ 40.000 tot € 98.000). Het hof zal daarom voor de hoger beroepen dat tarief toepassen.
Eerste aanleg
griffierecht € 2.076,-
salaris advocaat € 1.016,- (Conventie)
€ 0,- (Reconventie)
nakosten € 163,-
Totaal € 3.255,-
Hoger beroep
griffierecht € 2.106,-
salaris advocaat € 6.639,- (Principaal hoger beroep: 3 punten x Tarief IV)
€ 3.319,50 (Incidenteel hoger beroep: gedeeld door twee)
nakosten € 178,-
Totaal € 12.242,50
Dat is in totaal € 15.497,50. Het hof zal deze kosten vermeerderen met rente, zoals gevorderd.

7.Beslissing

Het hof:
- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 17 maart 2021 en, opnieuw recht doende:
- veroordeelt [geïntimeerde 1] c.s. hoofdelijk om de Amerikaanse belastingen (inclusief
state tax) met betrekking tot Dash Berlin tot en met mei 2018 volledig af te wikkelen en te betalen, waaronder:
- indien na onderzoek op kosten van [geïntimeerde 1] c.s. blijkt dat nog een bedrag openstaat aan Amerikaanse belasting over het jaar 2017: het volledig aan de Amerikaanse
Internal Revenue Servicebetalen van het nog openstaande bedrag; en
- indien na dat onderzoek blijkt dat [appellant 1] c.s. een deel van die belasting aan de
Internal Revenue Serviceheeft betaald: het volledig vergoeden van dat bedrag aan [appellant 1] c.s., in euro’s tegen de dagkoers van de datum waarop [appellant 1] c.s. die betaling(en) heeft gedaan;
een en ander te vermeerderen met eventueel aan de
Internal Revenue Serviceverschuldigde (fiscale) boetes en rentes totdat de betrokken belastingen geheel zijn voldaan;
- veroordeelt [geïntimeerde 1] c.s. te gehengen en te gedogen dat [appellant 1] c.s. gebruik zal maken van de in het beslissingsonderdeel 7.3 van het bestreden vonnis bedoelde tekens en
hashtagszo lang als [appellant 1] c.s. voldoet aan zijn verplichtingen uit hoofde van de artikelen 3 tot en met 5 VSO of ten opzichte van [geïntimeerde 1] c.s. een geldig beroep kan doen op opschorting van die verplichtingen;
- veroordeelt [geïntimeerde 1] c.s. ieder afzonderlijk tot betaling van een dwangsom van € 10.000,- (in totaal voor [geïntimeerde 1] c.s. als geheel) met een maximum van € 500.000,- aan [appellant 1] c.s. voor elke dag of deel daarvan dat [geïntimeerde 1] c.s. niet voldoet aan de in het vorige streepje uitgesproken veroordeling;
- veroordeelt [geïntimeerde 1] c.s. hoofdelijk tot terugbetaling aan [appellant 1] c.s. van al hetgeen [appellant 1] c.s. aan [geïntimeerde 1] c.s. heeft betaald ter uitvoering van de beslissingsonderdelen 7.2, 7.4, 7.6, 7.8, 7.10, 7.11, 7.12 en 7.17 van het bestreden vonnis, binnen veertien dagen na betekening van dit arrest;
  • veroordeelt [geïntimeerde 1] c.s. hoofdelijk in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep, aan de zijde van [appellant 1] c.s. begroot op € 15.497,50, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [geïntimeerde 1] c.s. deze niet binnen veertien dagen na vandaag heeft betaald;
  • bepaalt dat als [geïntimeerde 1] c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en [appellant 1] c.s. hem vervolgens dit arrest betekent, hij hoofdelijk de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als hij deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het in eerste aanleg en in hoger beroep meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.M.H. Speyart van Woerden, P.H. Blok en R.S. Le Poole en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

2.Aan de zijde van [appellant 1] c.s. is deze VSO tevens gesloten door twee World Traveller-vennootschappen die niet bij dit geschil zijn betrokken en die hierna buiten beschouwing worden gelaten.
3.“ [geïntimeerde 1] c.s.” omvat in deze VSO dezelfde entiteiten als die in dit arrest zijn gedefinieerd als [geïntimeerde 1] c.s. “ [appellant 1] c.s.” omvat in deze VSO dezelfde entiteiten als die in dit arrest zijn gedefinieerd als [appellant 1] c.s., vermeerderd met de twee in de vorige voetnoot bedoelde vennootschappen.
4.Of dat is gelukt voor de website was nog in discussie tijdens de procedure voor de voorzieningenrechter in de rechtbank.
5.HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986 (
6.HR 24 februari 2006. ECLI:NL:HR:2006:AU7508 (
7.Aan de zijde van [appellant 1] c.s. in ieder geval een civielrechtelijk adviserende advocaat (mr. [advocaat 3] ), een belastingrechtelijk adviserende advocaat (mr. [advocaat 2] ) en TSJ (de heer [naam 2] en mevrouw [naam 3] ) en aan de zijde van [geïntimeerde 1] c.s. in ieder geval een civielrechtelijk adviserende advocaat (mr. [advocaat 4] ) en een belastingrechtelijk adviserende advocaat (mr. [advocaat 1] ).
8.Volgens [appellant 1] c.s. ging het om 17,5% van de netto ontvangsten na aftrek van kosten zoals vliegtickets en hotels en volgens [geïntimeerde 1] c.s. was dat 18,5%.
9.HR 27 november 2015, ECLI:NL:HR:2014:3424 (
10.HR 30 november 1973, ECLI:NL:HR:1973:AC5383 (
11.HR 14 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0407 (
12.Productie 26 [appellant 1] c.s. in hoger beroep.
13.Productie 31 [appellant 1] c.s. in hoger beroep, notitie van [naam 2] van 11 januari 2021, p. 2 bovenaan.
14.Productie 34 [appellant 1] c.s. in hoger beroep.
15.Productie 29 [appellant 1] c.s. in hoger beroep.
16.Productie 69 van [geïntimeerde 1] c.s. in hoger beroep.
17.Producties 30 en 62 [appellant 1] c.s. in hoger beroep; alle data op de overgelegde
18.Productie 31 [appellant 1] c.s. in hoger beroep, notitie van [naam 2] van 11 januari 2021, p. 1, zevende aandachtspunt.
19.Producties 30 en 62 [appellant 1] c.s. in hoger beroep.
20.Productie 18 [appellant 1] c.s. in eerste aanleg.
21.Productie 31 [appellant 1] c.s. in hoger beroep.
22.Idem.
23.Productie 31 [geïntimeerde 1] c.s. in eerste aanleg.
24.Productie 32 [geïntimeerde 1] c.s. in eerste aanleg.
25.Productie 31 [geïntimeerde 1] c.s. in eerste aanleg.
26.Productie 31 [appellant 1] c.s. in hoger beroep, notitie van [naam 2] van 11 januari 2021, p. 1, vierde aandachtspunt.
27.Idem.
28.Productie 10b [appellant 1] c.s. in eerste aanleg.
29.Productie 31 [appellant 1] c.s. in hoger beroep.
30.Productie 31 [appellant 1] c.s. in hoger beroep.
31.Productie 8 [appellant 1] c.s. in eerste aanleg.
32.Productie 9 [appellant 1] c.s. in eerste aanleg.
33.Punt 63 van de memorie van grieven, niet bestreden.
34.Punt 64 van de memorie van grieven, niet bestreden.
35.Productie 10b [appellant 1] in eerste aanleg.
36.Productie 23 [appellant 1] c.s. in hoger beroep.
37.Productie 10b [appellant 1] c.s. in eerste aanleg.
38.Idem.
39.Ongenummerde productie die [appellant 1] c.s. op verzoek van het hof in het geding heeft gebracht tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep.
40.Productie 10b van [appellant 1] c.s. in eerste aanleg.
41.Productie 4 [appellant 1] c.s. in eerste aanleg.
42.Productie 5 [appellant 1] c.s. in eerste aanleg.
43.Productie 10a van [appellant 1] c.s. in eerste aanleg.
44.Idem.
45.Productie 7 [appellant 1] c.s. in eerste aanleg.
46.Productie 37 [appellant 1] c.s. in hoger beroep.
47.Productie 70 [geïntimeerde 1] c.s. in hoger beroep.
48.Punt 42 van de pleitaantekeningen van [geïntimeerde 1] c.s. voor de voorzieningenrechter.
49.Punt 30 van de pleitaantekeningen van [appellant 1] c.s. voor de voorzieningenrechter.
50.Productie 10 [geïntimeerde 1] c.s. in eerste aanleg.
51.Zie bijvoorbeeld het kopje “VIII. Sprake van verrekening dan wel opschorting van betaling” in de pleitnota van [appellant 1] c.s. in eerste aanleg.
52.Productie 13 [appellant 1] c.s. in eerste aanleg.
53.Productie 12 [appellant 1] c.s. in eerste aanleg.
54.Productie 34 [geïntimeerde 1] c.s. in eerste aanleg.
55.Producties 35 en 37 [geïntimeerde 1] c.s. in eerste aanleg.
56.Productie 41 [geïntimeerde 1] c.s. in eerste aanleg.
57.Productie 41 [geïntimeerde 1] c.s. in eerste aanleg.
58.Productie 36 [geïntimeerde 1] c.s. in eerste aanleg.
59.Productie 72 [geïntimeerde 1] c.s. in hoger beroep.
60.Productie 44 [geïntimeerde 1] c.s. in eerste aanleg.
61.Productie 13 [appellant 1] c.s. in eerste aanleg.
62.Productie 41 [geïntimeerde 1] c.s. in eerste aanleg.