Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.HP Nederland B.V. ,
Dell B.V.,
Stichting FIAR CE,
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de memorie van grieven van HP c.s. , met wijziging van eis;
- de memorie van antwoord van de Staat.
3.Auteursrechtelijk kader
de reproductie, op welke drager dan ook, door een natuurlijke persoon voor privé-gebruik gemaakt, en zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk, mits de rechthebbenden een billijke compensatie ontvangen (…);”.
De in de leden 1, 2, 3 en 4 bedoelde beperkingen en restricties mogen slechts in bepaalde bijzondere gevallen worden toegepast mits daarbij geen afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van werken of ander materiaal en de wettige belangen van de rechthebbenden niet onredelijk worden geschaad.”
downloadenvan auteursrechtelijk beschermd materiaal kan worden ingeroepen ongeacht de vraag of dat
downloadenuit legale of illegale bron plaatsvindt. Deze AMvB 2012 is op 1 januari 2013 in werking getreden.
ACI Adam/ De Thuiskopievoor recht verklaard dat artikel 5 lid 2 aanhef Pro en onder b) en lid 5 ARl in die zin moet worden uitgelegd dat het, samengevat, in de weg staat aan een nationale thuiskopieregeling die geen onderscheid maakt tussen een thuiskopie uit geoorloofde dan wel ongeoorloofde bron. [6]
4.Feitelijke achtergrond
(i) De Kroon heeft in deze AMvB’s de hoogte van de thuiskopievergoedingen vastgesteld op basis van het licentiemodel in plaats van op basis van het substitutiemodel, waarbij in dat licentiemodel ten onrechte is uitgegaan van de volle primaire licentiewaarde.
(ii) Deze AMvB’s voorzien in een vergoedingsstelsel waarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen reproductiedragers voor privégebruik en voor zakelijk gebruik, zonder dat daarbij is voorzien in een vrijstelling voor leveringen aan andere dan natuurlijke personen die deze duidelijk voor andere doelen aanschaffen dan het kopiëren voor privégebruik.
(iii) Deze AMvB’s leiden tot overcompensatie omdat de totale vergoedingen wezenlijk hoger waren dan de schade die auteursrechthebbenden daadwerkelijk hebben geleden als gevolg van het maken van thuiskopieën.
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.”
5.Procedure bij de rechtbank
- in strijd met de rechtspraak van het HvJ EU heeft geoordeeld op de klachten (i) tot en met (iii) van Imation c.s. ; en
- in strijd met artikel 267 derde Pro alinea van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU):
[a] heeft besloten om geen prejudiciële vraag over deze klachten te verwijzen naar het HvJ EU en;
[b] heeft verzuimd om dat besluit naar behoren te motiveren.
6.Vorderingen in hoger beroep
- de billijke vergoeding ex artikel 16c Aw, zoals richtlijnconform uitgelegd, moet worden berekend op basis van het substitutiemodel en niet op basis van het licentiemodel;
- een thuiskopiestelsel met ongedifferentieerde heffing dat naast een restitutieregeling niet tevens een vrijstellingsregeling heeft in strijd is met artikel 16c Aw zoals richtlijnconform uitgelegd;
- een vrijstellings- en restitutieregeling bij een stelsel van ongedifferentieerde heffing niet voldoen aan de vereisten die het HvJ EU aan dergelijke regelingen stelt indien deze regelingen niet zijn vastgesteld op basis van objectieve criteria en een beoordelingsmarge laten aan de rechtspersoon die de daartoe ingediende aanvragen moet onderzoeken;
- bij het ex post onderbouwen van het nadeel - ter rechtvaardiging van een eerdere richtlijnschending - er weliswaar vrijheid bestaat voor de Lidstaat om binnen de grenzen van de Richtlijn het nadeel te begroten, maar dat de Lidstaat in een dergelijk geval is gebonden is aan de uitkomst van het door hem vastgestelde nadeel en er mitsdien een verplichting bestaat tot restitutie van het bedrag dat teveel werd ontvangen.
- de door de rechtbank gehanteerde maatstaf voor aansprakelijkheid van een lidstaat voor schending van het Unierecht door een beslissing van een in laatste aanleg oordelende nationale rechter (Grief 1); en
- het op die maatstaf gegronde oordeel van de rechtbank met betrekking tot de hiervoor onder 4.1 beschreven verwijten van HP c.s. aan de Hoge Raad (Grief 2 als het gaat om het ongemotiveerd niet verwijzen en Grieven 3 tot en met 5 met betrekking tot de materieelrechtelijke klachten).
Zij grondt haar nieuwe vorderingen tot het uitspreken van aanvullende verklaringen voor recht op dezelfde standpunten als die zij heeft ingenomen in de procedure die leidde tot het omstreden arrest van de Hoge Raad.
7.Beoordeling in hoger beroep
De nieuwe vorderingen in hoger beroep
Cilfit [13] , geldt die verplichting niet wanneer die rechter heeft vastgesteld dat:
(i) de opgeworpen vraag niet relevant is;
(ii) de betrokken bepaling van Unierecht al door het HvJ EU is uitgelegd (in Unierechtjargon:
acte éclairé); of
(iii) de juiste uitlegging van het Unierecht zo evident is dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan (in Unierechtjargon:
acte clair).
Het HvJ EU heeft de toepassing van deze gevallen toegelicht in zijn arresten
Consorzio Italian Management [14] en
KUBERA [15] . In punt 62 van dat laatste arrest heeft het onder andere geoordeeld dat, kort gezegd, uit het bij artikel 267 VWEU Pro ingevoerde stelsel, gezien in het licht van artikel 47 tweede Pro alinea EU Grondrechtenhandvest (Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht), volgt dat wanneer een in laatste instanatie oordelende rechter van oordeel is dat hij een voor hem opgeworpen vraag van uitleg van Unierecht niet hoeft te verwijzen omdat zich een van de
Cilfit-situaties voordoet, uit de motivering van zijn beslissing moet blijken hetzij dat die vraag niet relevant is voor de beslechting van het geschil, hetzij dat sprake is van een
acte éclairé, hetzij, bij gebreke van rechtspraak dienaangaande, dat sprake is van een
acte clair. Eerder had het EHRM op grond van artikel 6 EVRM Pro een – van de omstandigheden van het geval afhankelijke – motiveringsplicht aangenomen met betrekking tot het besluit van een in laatste instantie oordelende rechter om een voor hem opgeworpen vraag van Unierecht niet te verwijzen. [16]
Francovich [17] volgt dat een lidstaat van de EU op grond van het Unierecht aansprakelijk is voor schade die particulieren lijden als gevolg van schendingen van het Unierecht die hem kunnen worden toegerekend. Daarvoor is vereist dat:
- het geschonden voorschrift van Unierecht ertoe strekt om particulieren rechten toe te kennen;
- sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van dat voorschrift; en
- er een rechtstreeks causaal verband bestaat tussen deze schending en de door de particulieren geleden schade.
Uit vaste rechtspraak van datzelfde Hof sinds zijn arrest
Köbler [18] volgt dat deze aansprakelijkheid en voorwaarden ook gelden met betrekking tot de beslissing van een in laatste aanleg oordelende nationale rechter, zij het dat de betrokken lidstaat daarvoor slechts aansprakelijk kan worden gehouden in het uitzonderlijke geval waarin die rechter het toepasselijke recht kennelijk heeft geschonden. Om te bepalen of aan die voorwaarde is voldaan, moet de rechter die over de aansprakelijkheid moet oordelen alle relevante omstandigheden van het geval in aanmerking nemen, waaronder de mate van duidelijkheid en nauwkeurigheid van de geschonden regel, de vraag of de schending opzettelijk is begaan, de al dan niet verschoonbaarheid van de rechtsdwaling, het eventueel door een Unie-instelling ingenomen standpunt en de schending door de betrokken rechter van zijn verplichting om op grond van artikel 267 derde Pro alinea VWEU een prejudiciële vraag te stellen. De gestelde schending van het Unierecht is in ieder geval voldoende gekwalificeerd wanneer de in laatste aanleg oordelende nationale rechter de rechtspraak van het HvJ EU met betrekking tot het toepasselijke Unierecht kennelijk heeft miskend bij het nemen van zijn beslissing.
Köbleren de daarop volgende rechtspraak heeft het HvJ EU namelijk, wat dat vereiste betreft, geen onderscheid gemaakt tussen gestelde schendingen van het relevante materiële Unierecht enerzijds en van artikel 267 derde Pro alinea VWEU en artikel 47 EU Pro Grondrechtenhandvest anderzijds. In punt 55 van datzelfde arrest heeft het HvJ EG ook uitdrukkelijk geoordeeld dat het wel of niet verwijzen van een prejudiciële vraag slechts één van meerdere relevante omstandigheden is bij het beoordelen van de vraag of de schending kennelijk is. In datzelfde arrest heeft het ten slotte ook geoordeeld dat de hoogste Oostenrijkse bestuursrechter met zijn in die zaak omstreden beslissing (toen nog) het Gemeenschapsrecht had geschonden door (naast een onjuiste toepassing van het betrokken materiële Gemeenschapsrecht ook) een door hem verwezen prejudiciële vraag in strijd met zijn verwijzingsplicht in te trekken (punt 118), maar dat die schending niet kennelijk was (punt 124).
Franse roerende voorheffing [19] volgde op een door de Europese Commissie tegen Frankrijk ingeleide inbreukprocedure op de voet van artikel 258 VWEU Pro. In een dergelijke procedure geldt niet de eis van een gekwalificeerde inbreuk. Bovendien was al sinds op zijn laatst het arrest
Cilfitbekend dat een in laatste aanleg oordelende rechter artikel 267 derde Pro alinea VWEU schendt als hij geen vraag verwijst in een situatie waarin de uitleg van een bepaling van Unierecht niet dermate evident is, dat er redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel bestond (en zich geen van de andere
Cilfit-situaties voordoet). Met dat oordeel uit het arrest
Franse roerende voorheffingheeft het HvJ EU geen afstand genomen van het criterium van de kennelijke schending als het gaat om de beslissing van een in laatste aanleg oordelende rechter.
Ferreira I [20] geoordeeld dat artikel 267 derde Pro alinea VWEU inhoudt dat een in hoogste aanleg oordelende rechter verplicht is om een prejudiciële vraag aan het HvJ EU te verwijzen als lagere rechters in de betrokken lidstaat uiteenlopende beslissingen geven over de uitleg van de toe te passen bepaling van Unierecht en die uitleg tevens herhaaldelijk moeilijkheden oplevert in andere lidstaten. Dat oordeel houdt niet meer in dan dat in de beschreven situatie geen sprake kan zijn van een
acte clair, hetgeen het HvJ EU na
Ferreira Iheeft bevestigd in
Consorzio Italian Management. Ook met dat oordeel heeft het HvJ EU geen afstand genomen van het criterium van de kennelijke schending als het gaat om de beslissing van een in laatste aanleg oordelende rechter.
Köblermoest het HvJ EU onder andere de vraag beantwoorden of een lidstaat in het licht van de rechterlijke onafhankelijkheid überhaupt aansprakelijk kan worden gehouden voor een beslissing van een in laatste instantie oordelende rechter. Het HvJ EU heeft in dat kader uitdrukkelijk onderkend dat die in laatste instantie oordelende rechter per definitie de laatste instantie is bij wie particulieren de hun door het Unierecht toegekende rechten geldend kunnen maken en dat een schending van deze rechten door een beslissing van deze rechter die definitief is geworden, gewoonlijk niet meer kan worden hersteld, waardoor aan particulieren niet de mogelijkheid mag worden ontzegd om de staat aansprakelijk te stellen en zo een rechtsbescherming van hun rechten te krijgen (punt 34). Het HvJ EU heeft daar dus het door HP c.s. aangevoerde belang van een effectieve rechtsbescherming ten volle erkend. Daarna heeft het HvJ EU echter in datzelfde arrest geoordeeld dat voor het bepalen van de maatstaf voor die aansprakelijkheid rekening moet worden gehouden met de specifieke aard van de rechterlijke functie en met de gerechtvaardigde eisen van rechtszekerheid, en in dat kader de eis geformuleerd dat sprake moet zijn van het uitzonderlijke geval van een kennelijke schending (punt 53).
Het besluit om niet te verwijzen
Consorzio Italian Managementheeft het HvJ EU namelijk in verband met de
acte éclairé-situatie als vaste rechtspraak herhaald dat, kort gezegd, een verwijzing zinloos is wanneer de opgeworpen vraag zakelijk gelijk is aan een vraag die reeds in een gelijksoortig geval voorwerp van een prejudiciële beslissing is geweest of wanneer het aan de orde zijnde punt met betrekking tot het recht is beslecht door vaste rechtspraak van het Hof, zelfs indien de aan de orde zijnde vraagstukken niet volledig gelijk zijn.
Het gebruik van een verkorte motivering
Consorzio Italian Management, punt 62 van het arrest
KUBERA, de conclusies van de A-G bij het HvJ EU Ćapeta in de zaken
Remling [21] en
Ferreira II [22] , en het arrest van het EHRM
Georgiou/Griekenland [23] .
Een uitspraak waarbij het cassatieberoep met toepassing van en onder verwijzing naar (…) art. 81 RO Pro (…) wordt verworpen, bevat een beknopte motivering van die beslissing. Zo een uitspraak bevat tevens de vaststelling dat geen vragen aan de orde zijn die behandeling in cassatie rechtvaardigen dan wel in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming beantwoording behoeven. Aangezien prejudiciële vragen op de voet van art. 267 VWEU Pro de uitleg van het Unierecht betreffen en daarmee rechtsvragen zijn, ligt in een dergelijke uitspraak besloten dat geen aanleiding bestaat tot het stellen van een prejudiciële vraag. De uitspraak impliceert daarmee dat zich in desbetreffende zaak één van de situaties voordoet waarin van het stellen van prejudiciële vragen kan worden afgezien, te weten dat de opgeworpen prejudiciële vragen niet relevant zijn voor de oplossing van het geschil dan wel dat deze kunnen worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie of dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de wijze waarop deze vragen over de betrokken Unierechtelijke rechtsregel moet worden opgelost.”
Cilfit-situaties voordeed en dat hij de door Imation c.s. in haar cassatiemiddel opgeworpen vragen van uitleg van de ARl daarom niet hoefde te verwijzen naar het HvJ EU.
Cilfit-situaties zich hier voordeed, en waarom.
Gondert/Duitsland. [25] Die zaak heeft betrekking op een procedure voor de Duitse burgerlijke rechter waarin het
Bundesgerichtshofverlof tot het instellen van beroep heeft geweigerd nadat procespartij Gondert in zijn verzoek tot verlof had opgeworpen dat het
Bundesgerichtshofprejudiciële vragen moest stellen aan het HvJ EU. Het
Bundesgerichtshofheeft daarbij op grond van een bepaling uit het Duitse Wetboek van Burgerlijke Procedure volstaan met een verkorte motivering, met de toevoeging dat het de vraag had beoordeeld naar de verwijzingsplicht op grond van artikel 267 derde Pro alinea VWEU. Volgens vaste rechtspraak van het
Bundesgerichtshofhoudt een dergelijke weigering impliciet in dat het van oordeel is dat het niet verplicht is vragen te stellen op grond van die bepaling. In deze zaak heeft het EHRM beslist:
“[T]
he Federal Court of Justice did not give reasons for its refusal to refer questions to the CJEU for a preliminary ruling, despite the applicant’s precise request and detailed submissions in this regard. As a consequence the applicant was not enabled to understand why his request for a referral was refused, which undermined the fairness of the proceedings. There has accordingly been a violation of Article 6 § 1 of the Convention.” [26]
Gondert/Duislandde gevorderde vermogensschadevergoeding afgewezen wegens het ontbreken van causaal verband met de geconstateerde schending van artikel 6 lid 1 EVRM Pro. [27] Gelet op het voorgaande heeft het hof geen aanleiding gezien om partijen de gelegenheid te geven om zich uit te laten over de gevolgen van dit arrest voor dit hoger beroep.
Algemeen
Padawan, [28] De Thuiskopie, [29] Amazon.com, [30] Copydan Båndkopi, [31] HP /Reprobel, [32] EGEDA [33] en
Microsoft, [34] die het heeft gewezen voordat de Hoge Raad op 7 december 2018 zijn omstreden arrest wees:
- Het begrip “billijke compensatie” is een autonoom unierechtelijk begrip dat eenvormig moet worden uitgelegd in alle lidstaten die een uitzondering voor het kopiëren voor privégebruik hebben ingevoerd. [35] - De betrokken uitzondering is slechts facultatief en bepaalt evenmin de verschillende aspecten en parameters van het stelsel van billijke compensatie waarvan zij de invoering verplicht. De lidstaten hebben daarom binnen de grenzen van de ARl en van het Unierecht in het algemeen een ruime beoordelingsmarge om die aspecten en parameters in hun nationale recht te omschrijven, waaronder wie deze billijke compensatie moet afdragen en de vorm, de modaliteiten en het niveau ervan. [36] Het stelsel dat zij daarvoor inrichten moet wel in beginsel verenigbaar zijn met de voornaamste doelstellingen van de ARl, die er zoals blijkt uit de overwegingen 4 en 9 van de considerans van die richtlijn in bestaat om een hoog niveau van bescherming van de intellectuele eigendom en auteursrechten te waarborgen, [37] en met het in overweging 31 van diezelfde considerans gestelde vereiste van een rechtvaardig evenwicht tussen de rechthebbenden en de gebruikers van beschermd materiaal [38] . Het stelsel moet daarom verzekeren dat aan de rechthebbenden een billijke compensatie wordt betaald en dat de modaliteiten ervan de daadwerkelijke inning van die compensatie waarborgen. [39] Het moet ook bepaalde mechanismen omvatten, zoals met name terugbetalingsmechanismen, om situaties te corrigeren waarin overcompensatie plaatsvindt ten nadele van gebruikers. [40] - Uit de overwegingen 35 en 38 van de considerans van de ARl volgt dat als nuttig criterium voor het vaststellen van het niveau van de billijke compensatie rekening moet worden gehouden met het “mogelijke nadeel” dat de rechthebbende als gevolg van de reproductiehandeling ondervindt. Die compensatie en dus het stelsel waarop zij berust moeten daarom verband houden met de schade die de rechthebbenden lijden als gevolg van het zonder toestemming kopiëren voor privégebruik. Vanuit die invalshoek bezien, moet de billijke compensatie worden beschouwd als de vergoeding van de door de auteur geleden schade. [41] Bovendien vertolkt het woord “compenseren” in die bepalingen de wil van de Uniewetgever om te voorzien in een specifieke compensatieregeling die wordt toegepast wanneer rechthebbenden nadeel wordt berokkend dat in beginsel de verplichting doet ontstaan om hen te “compenseren”. [42] Hieruit volgt dat de billijke compensatie noodzakelijkerwijs moet worden berekend op basis van het criterium van de schade geleden door de auteurs van beschermde werken als gevolg van de invoering van de uitzondering voor het kopiëren voor privégebruik. [43] Die billijke compensatie is in beginsel bestemd ter vergoeding van de schade die door daadwerkelijk gemaakte reproducties is berokkend. [44] - Degene die een thuiskopie maakt is de persoon die de rechthebbende benadeelt, zodat die persoon in beginsel verplicht is het met die thuiskopie gepaard gaande nadeel te vergoeden door het bekostigen van de compensatie die aan die houder zal worden betaald. [45] Gelet op de praktische moeilijkheden bij het heffen van de thuiskopiecompensatie van particulieren, mogen de lidstaten die compensatie echter financieren door middel van een heffing die – voordat de kopieën voor privégebruik worden gemaakt – wordt opgelegd aan personen die over installaties, apparaten en dragers voor digitale reproductie (hierna: dragers) beschikken en deze ter beschikking stellen aan natuurlijke personen, gebruikers. Die leveranciers kunnen deze heffing dan aan die gebruikers doorberekenen, waardoor deze gebruikers uiteindelijk de last van de compensatie zullen dragen. [46] Deze heffing mag in elk geval niet worden toegepast op de leveringen van dragers aan andere dan natuurlijke personen die deze duidelijk voor andere doelen aanschaffen dan het kopiëren voor privégebruik (hierna: zakelijke gebruikers). [47] - De lidstaten kunnen die heffing onder bepaalde omstandigheden zonder onderscheid opleggen ter zake van alle dragers die geschikt zijn voor reproductie, waaronder in het geval waarin deze dragers uiteindelijk worden gebruikt op een manier die niet onder de thuiskopie -uitzondering valt. [48] Een dergelijk stelsel is alleen geoorloofd als de invoering ervan wordt gerechtvaardigd door praktische moeilijkheden en de betalingsplichtigen de mogelijkheid hebben te verzoeken om vrijstelling van de heffing of tenminste beschikken over een recht op terugbetaling van deze compensatie wanneer zij niet verschuldigd is. [49] Voorts moet het recht op terugbetaling doeltreffend zijn en de teruggave van de betaalde compensatie niet uiterst moeilijk maken, hetgeen inhoudt dat de reikwijdte, de doeltreffendheid, de beschikbaarheid, de bekendheid en de eenvoud van toepassing van het recht op terugbetaling een compensatie moeten vormen voor eventuele onevenwichtigheden die door het stelsel voor compensatie voor het kopiëren voor privégebruik zijn veroorzaakt om tegemoet te komen aan de geconstateerde praktische moeilijkheden. [50] In een geval waarin het betrokken stelsel geen afdoende garanties biedt voor vrijstelling van de compensatie voor producenten en importeurs die aantonen dat de dragers zijn aangeschaft voor duidelijk andere doeleinden dan het kopiëren voor privégebruik, moet het in elk geval een dergelijk recht op terugbetaling van de compensatie behelzen. [51] Als het betrokken heffingstelsel de betalingsplichtigen de mogelijkheid biedt de heffing af te wentelen op de eindgebruiker van de drager, die aldus de lasten draagt, is het in beginsel in overeenstemming met het rechtvaardige evenwicht van overweging 31 van de considerans van de ARl dat enkel die eindverwerver terugbetaling van deze vergoeding kan krijgen, met als voorwaarde dat hij een verzoek daartoe indient bij de organisatie die de compensatie beheert. [52] - In een stelsel waarin de thuiskopieheffing wordt betaald door personen die installaties, apparaten en dragers ter beschikking stellen aan gebruikers of aan hen reproductiediensten verlenen, kan de heffing niet anders dan forfaitair zijn, omdat het bedrag daarvan wordt vastgesteld voordat effectief reproducties worden gemaakt en daarom niet kan worden bepaald op basis van het criterium van de daadwerkelijke schade. [53]
Keuze tussen licentiemodel en substitutiemodel en berekening van de compensatie op de grondslag van de primaire exploitatievergoeding
Zoals door het HvJEU andermaal is benadrukt in zijn arrest van 1 maart 2017 in zaak C-275/15‘ITV/TV Catchup’
heeft de ARl als ‘voornaamste doelstelling een hoog beschermingsniveau voor de auteurs te verwezenlijken, zodat deze een passende beloning voor het gebruik van hun werk kunnen ontvangen’ (punt 22). Kenmerkend voor het substitutiemodel is dat in het geval dat een consument een kopie maakt omdat dat nu eenmaal mogelijk is, maar niet een origineel zou hebben aangeschaft wanneer hij geen kopie had kunnen maken, er geen sprake is van schade. Deze situatie zal zich tamelijk vaak voordoen, met als gevolg dat bij een schadeberekening aan de hand van het substitutiemodel in veel gevallen de auteurs geen enkele beloning ontvangen voor het gebruik (kopiëren) van hun werken, hetgeen strijdig is met voormelde doelstelling van de ARl. Dit euvel kleeft niet aan een schadeberekening aan de hand van het licentiemodel. Daarom kan de keuze (…) voor dit model (…) niet als onjuist worden bestempeld, en moet het (…) substitutiemodel als niet-passend worden beschouwd.”
Subonderdeel 2.1 klaagt dat dit een onjuiste rechtsopvatting is en neerkomt op een richtlijnnon
conforme interpretatie van (de aard van) de thuiskopievergoeding uit art. 16c lid 2 Aw in het licht van art. 5 lid 2 sub b ARL Pro. Richtlijnconforme interpretatie van art. 16c lid 2 Aw verzet zich tegen een thuiskopievergoeding voor iedere gemaakte thuiskopie ook zonder dat daardoor schade wordt geleden door de rechthebbende. De juiste (richtlijnconforme) interpretatie is dat de thuiskopievergoeding strekt tot vergoeding van nadeel geleden door de rechthebbende door de betreffende reproductie. Daarom is het uitgangspunt van het licentiemodel onjuist dat iedere thuiskopie een bepaalde licentiewaarde vertegenwoordigt. Zo lijdt de rechthebbende bijvoorbeeld geen via de thuiskopievergoeding te vergoeden nadeel als de thuiskopieerder niet een origineel zou hebben aangeschaft. Het gaat bij de thuiskopievergoeding om een billijke compensatie van nadeel, niet om een billijke vergoeding voor het maken van de thuiskopie zelf; het auteursrecht is beperkt door de thuiskopieregeling, aldus de toelichting op deze klacht (procesinleiding in cassatie onder 2.1.1 tot en met 2.1.5) en het licentiemodel is daarmee niet verenigbaar. De thuiskopieregeling ziet op het compenseren van gederfde winst. In deze toelichting op deze klacht leunen HP c.s. hierbij zwaar op de conclusie van A-G Szpunar in deEGEDA
-zaak29.(…)Subonderdeel 2.2 richt een eerste rechtsklacht tegen de passage uit rov. 5.2 waarin het hof onder verwijzing naarITV/TVCatchup
overweegt dat de Auteursrechtrichtlijn als voornaamste doelstelling heeft een hoog beschermingsniveau voor de auteurs te verwezenlijken, “zodat deze een passende beloning voor het gebruik van hun werk kunnen ontvangen”. Dat brengt volgens de klacht niet mee dat in de thuiskopiecontext de rechthebbende een “passende beloning moet kunnen ontvangen”, maar dat aan hem “een billijke compensatie wordt betaald”. Deze billijke compensatie moet – naar het hof heeft miskend in rov. 5.2, waarin alleen is gelet op de belangen van de rechthebbenden – beantwoorden aan het rechtvaardige evenwicht tussen de belangen van rechthebbenden en van gebruikers. Het hof had daarom ook de belangen van de gebruikers in zijn oordeel moeten betrekken. Dat pleit voor een substitutiemodel, omdat daarin niet wordt gecompenseerd voor thuiskopieën waardoor geen winst wordt gederfd of verkopen worden gemist, zodat een te ruime thuiskopieheffing kan worden voorkomen.Een vervolgklacht is dat het hof met verwijzing naarITV/TVCatchup
heeft miskend dat dat arrest ziet op openbaarmaking van auteursrechtelijke werken, dus ziet op het exclusieve recht van de maker, waarvoor de maker een passende beloning moet kunnen ontvangen. Het maken van een thuiskopie behoort niet tot het exclusieve recht van de maker (lees: het is een beperking op het auteursrecht).Een laatste zelfstandige rechtsklacht van dit subonderdeel is dat is miskend dat er vele andere beperkingen op het auteursrecht bestaan in verband waarmee de auteurs geen “passende beloning” ontvangen (zoals die uit art. 5 lid 2 sub c en Pro d en 5 lid 3 ARL), hetgeen evenmin strijdig is met (de doelstellingen van) de Auteursrechtrichtlijn.Het subonderdeel besluit met de veegklacht dat de passages uit rov. 5.2 die voortbouwen op het onjuiste oordeel dat de rechthebbenden aanspraak hebben op een “passende beloning” voor thuiskopiëren van hun werken, waaronder ’s hofs bezwaar tegen het substitutiemodel, ook onjuist zijn.
------------------
29 Conclusie M. Szpunar 19 januari 2016 in zaak C-470/14 ECLI:EU:C:2016:24 (EGEDA
), m.n. nrs. 23-24.”
acte clair, dan toch een
acte éclairéis dat het uitgangspunt van een licentiemodel moet worden beschouwd als ARl-conform. Hij heeft onder verwijzing naar de overwegingen 10 en 35 van de considerans van de ARl en punt 26 van het arrest
EGEDAaangevoerd dat uitgangspunt van het begrip “billijke vergoeding” is dat rechthebbenden naar behoren moeten worden gecompenseerd voor het gebruik van hun beschermde werken. In het substitutiemodel wordt exact gecompenseerd voor de gederfde winst die het gevolg is van de invoering van de thuiskopie -uitzondering, terwijl in het licentiemodel het gebruik dat het gevolg is van die uitzondering wordt naar behoren wordt gecompenseerd. Bij een en ander geldt dat uit de arresten
Padawanen
Amazon.comvolgt dat de lidstaten die de thuiskopie -uitzondering hebben ingevoerd een grote vrijheid hebben om de vorm en het niveau van de billijke compensatie te bepalen.
ITV/TVCatchup [55] aan de orde was, zoals ook blijkt uit punt 25 van het arrest
EGEDA, dat juist betrekking had op de inrichting van het thuiskopiecompensatiestelsel en waarin het HvJ EU ook in dat verband naar dat beginsel verwijst.
fair compensation) dat de Europese Commissie in het kader van de thuiskopie -uitzondering heeft voorgesteld, volgens HP c.s. als middenweg tussen (i) lidstaten die een vergoeding kenden vergelijkbaar aan het begrip “billijke vergoeding” (
equitable remuneration) dat destijds werd gebruikt in artikel 4 van Pro de eerste Richtlijn verhuur- en uitleenrecht [56] en (ii) lidstaten zonder enig compensatiestelsel. HP c.s. wijst er ook op dat deze discussie niet alleen destijds is gevoerd, maar daarna ook uitgebreid is voortgezet in de rechtsgeleerde literatuur over dit onderwerp. Een en ander leidt niet tot het oordeel dat de Hoge Raad artikel 5 lid 2 aanhef Pro en onder b) ARl (kennelijk) heeft geschonden. De instelling van de EU die bevoegd is om een bepaling van Unierecht uit te leggen is namelijk niet de Europese Commissie maar het HvJ EU, en dat HvJ EU baseert zich daarbij niet primair op de wordingsgeschiedenis van die bepaling, maar op de tekst en context ervan en op het doel van de regeling waarvan zij deel uitmaakt. [57] Het HvJ EU had die uitlegmethode al veelvuldig toegepast met betrekking tot artikel 5 lid 2 aanhef Pro en onder b) ARl toen de Hoge Raad zijn omstreden arrest wees. Dit had op dat moment geleid tot de hiervoor onder 7.24 weergegeven rechtspraak, die op punten inmiddels ook vast was.
EGEDAin het verlengde van deze discussie heeft betoogt dat het te compenseren nadeel van de thuiskopie voor de rechthebbenden de vorm aanneemt van gederfde winst en dat de Uniewetgever bewust heeft gekozen voor het woord “compensatie” in plaats van voor “vergoeding” zoals dat werd gebruikt in (inmiddels) artikel 5 van Pro de gecodificeerde versie van de Richtlijn verhuur- en uitleenrecht [58] , maakt evenmin dat de Hoge Raad artikel 5 lid 2 aanhef Pro en onder b) ARl (kennelijk) heeft geschonden. In zijn op die conclusie volgend arrest heeft het HvJ EU zich namelijk ondanks deze aansporing van zijn A-G beperkt tot een herhaling van zijn eerdere rechtspraak over het rekening moeten houden met het nadeel dat de betrokken rechthebbende heeft geleden door de betreffende reproductie (punt 26), het in de ARl ontbreken van een regeling van de verschillende parameters van het compensatiestelsel (punt 22), en de ruime beoordelingsmarge waarover de lidstaten daarom beschikken om binnen de grenzen van de ARl en het Unierecht in het algemeen het niveau van de compensatie vast te stellen (punt 23).
EGEDAkunnen de in diezelfde alinea beschreven punten 22 en 23 van het daarop volgend arrest van het HvJ EU namelijk worden opgevat als oordeel dat de door deze A-G geschetste keuze voor een bepaald nadeelcriterium juist een van de paramaters is waarover de ARl niets bepaalt en waarvoor de lidstaten daarom over beoordelingsvrijheid beschikken.
Padawanzijn overwegingen over het verband tussen de billijke compensatie en het door de rechthebbenden geleden schade heeft geformuleerd in verband met de vraag of de lidstaten een stelsel van heffingen bij fabrikanten en importeurs konden invoeren is weliswaar juist, maar doet er niet aan af dat het HvJ EU daardoor is komen stil te staan bij de vraag naar wát vergoed moet worden, zoals HP c.s. ook onderkent in punt 51 van haar memorie van grieven. In zijn latere rechtspraak heeft het HvJ EU die overwegingen ook steeds herhaald, zonder dat het daarbij steeds ging om wíe de billijke compensatie moet betalen.
Padawan,waar het HvJ EU het criterium voorschrijft van de schade geleden door de auteurs van beschermde werken “als gevolg van de invoering van de thuiskopie -uitzondering”, kan niet leiden tot het oordeel dat de Hoge Raad artikel 5 lid 2 aanhef Pro en onder b) ARl (kennelijk) heeft geschonden. In punt 39 van datzelfde arrest en zijn daarop volgende arresten
HP /Reprobel(punt 36) en
EGEDA(punt 26) heeft het HvJ EU namelijk onder verwijzing naar de tekst van overweging 35 van de considerans bij de ARl steeds vooropgesteld dat de billijke compensatie is bedoeld om rechthebbenden “naar behoren te compenseren voor het gebruik van hun beschermde werken”, waarbij een “zinvol criterium” wordt gevormd door “het mogelijke nadeel voor de rechthebbende als resultaat van de betreffende handeling”. De Staat voert terecht aan dat de eerste hier aangehaalde zinsnede van overweging 35 juist vooropstelt dat rechthebbenden gecompenseerd moeten worden voor het gebruik dat particulieren op grond van de thuiskopie -uitzondering maken van hun beschermd materiaal, waarbij het nadeel slechts een zinvol criterium is om daar uitvoering aan te geven.
De Thuiskopieinderdaad geoordeeld dat de Uniewetgever de plicht tot het voorzien in een billijke compensatie in de thuiskopie -uitzondering heeft opgenomen om te voldoen aan de laatste voorwaarde van die driestaptoets, te weten dat de wettige belangen van de rechthebbenden niet onredelijk mogen worden geschaad, maar dat zegt nog niets over de voor de hoogte van die compensatie te maken keuze tussen het licentiemodel en het substitutiemodel. Dat de wettige belangen van de rechthebbenden (bij de exploitatie van zijn werk, zie het tweede vereiste) niet “onredelijk” mogen worden geschaad vertaalt zich in het kader van de thuiskopie -uitzondering in een ondergrens, namelijk de plicht, voor de lidstaat die voor die uitzondering kiest, om te voorzien in een billijke compensatie, maar niet in een bovengrens, namelijk een verbod om daarbij een licentiemodel te volgen.
De ongedifferentieerde heffing: terugbetaling èn vrijstelling?
9.11 Het HvJEU heeft evenwel aanvaard dat een dergelijk stelsel zonder onderscheid in overeenstemming kan zijn met de ARl indien aan twee voorwaarden is voldaan:(i) invoering daarvan is gerechtvaardigd door praktische moeilijkheden (met name bij de identificatie van de eindgebruikers);(ii) de betalingsplichtigen beschikken over een recht op terugbetaling dat doeltreffend is en teruggave niet uiterst moeilijk maakt,zie o.m.Microsoft/SIAE
, punten 34-37. Uit punt 55 (juncto punt 36) van dat HvJEU-arrest blijkt dat – anders dan HP c.s. lijkt te willen betogen (…) – een dergelijk stelsel ook in het geval dat wordt aangetoond dat de apparaten of dragers zijn aangeschaft voor duidelijk andere doeleinden dan kopiëren voor privé-gebruik, niet noodzakelijkerwijs een vrijstellingsregeling hoeft te bevatten, als het maar voorziet in een doeltreffend recht op teruggave.”
Een thuiskopiestelsel waarbij de thuiskopieheffing zonder onderscheid wordt opgelegd, is alleen verenigbaar met het Unierecht als de betalingsplichtigen zijn vrijgesteld van betaling van deze vergoeding als zij aantonen dat de apparaten in kwestie zijn geleverd aan andere dan natuurlijke personen die deze duidelijk voor andere doelen dan het kopiëren voor privégebruik aanschaffen.”
Microsoft/SIAE [59] en de punten 36, 37, 52 en 58 van datzelfde arrest.
Microsoft/SIAEaan de orde was niet kan worden vergeleken met het Nederlandse stelsel en dat de stellingen van Imation c.s. berustten op een onjuiste lezing van het arrest van het HvJ EU in die zaak.
Copydan Båndkopien in punt 37 van het arrest
Microsoft/SIAEvolgt volgens HP c.s. namelijk eenduidig dat het daar beschreven vereiste van een doeltreffende mogelijkheid om terugbetaling van de compensatieheffing te vragen niet alternatief, maar cumulatief is ten opzichte van het in de voorafgaande punten 47 respectievelijk 36 van die arresten beschreven vereiste dat de vergoeding niet mag worden toegepast op de levering van dragers aan zakelijke gebruikers, hetgeen een vrijstellingsmogelijkheid veronderstelt.
Padawan,
Amazon.com,
Copydan Båndkopien
EGEDAnaar zijn overzicht hiervoor onder 7.24.
Microsoft/SIAEwas het Italiaanse stelsel aan de orde, dat voorzag in een recht op terugbetaling. Het HvJ EU heeft in dat arrest eerst punt 31 van zijn arrest
Amazon.comen punt 45 van zijn arrest
Copydan Båndkopiherhaald: een stelsel van ongedifferentieerde heffing is toelaatbaar wanneer is voldaan aan de vereisten dat:
(i) daadwerkelijk sprake is van praktische moeilijkheden bij het heffen van gebruikers; en (ii) het recht op terugbetaling doeltreffend is en de teruggave van de compensatie niet uiterst moeilijk maakt (punt 34).
In verband met dat recht op terugbetaling heeft het HvJ EU punt 47 en de eerste volzin van punt 48 van zijn arrest
Copydan Båndkopiherhaald, waarin het had geoordeeld dat het Deense stelsel richtlijnconform was, op voorwaarde dat:
[a] betalingsplichtigen zijn vrijgesteld van de heffing als zij aantonen dat zij de dragers hebben geleverd aan zakelijke gebruikers; en
[b] het stelsel voorziet in een effectief recht op terugbetaling van alleen de eindgebruiker (punten 36 en 37).
Daarna heeft het HvJ EU vastgesteld dat het Italiaanse stelsel geen algemene bepaling kende die producenten en importeurs van dragers vrijstelde van heffing bij levering aan zakelijke gebruikers (punt 40) en dat enkel een eindgebruiker die geen natuurlijke persoon is bij de heffingsinstantie SIAE om terugbetaling kon verzoeken (punt 51). Vervolgens heeft het HvJ EU verwezen naar zijn oordeel in punt 55 van zijn arrest
Copydan Båndkopi. Kort gezegd: het Unierecht staat niet in de weg aan een heffingstelsel waarin alleen
eindgebruikersom terugbetaling kunnen vragen, maar dan moeten de
betalingsplichtigenworden vrijgesteld als zij aantonen dat zij de dragers aan zakelijke gebruikers hebben geleverd (punt 52). Dat laatste was in het Italiaanse stelsel echter niet het geval (punt 53), terwijl het op grond van het in overweging 31 van de considerans van de ARl voorgeschreven evenwicht bepaalde mechanismen moest omvatten, “met name terugbetalingsmechanismen”, om overcompensatie ten nadele van gebruikers te corrigeren (punt 54). “Omdat” het Italiaanse stelsel geen afdoende
vrijstellingsmechanismekende, moest dat stelsel (dus) in elk geval een doeltreffend recht op
terugbetalingbehelzen, zoals bedoeld in punt 37.
Microsoft/SIAEeen oorzakelijk verband beschrijven tussen het ontbreken van een effectief vrijstellingsmechanisme en het ter compensatie daarvan voorhanden moeten zijn van een doeltreffend terugbetalingsrecht. De Franse taalversie doet dat met het onvoltooid deelwoord “ne prévoyant pas” (niet voorziende in) en de Italiaanse met het onvoltooid deelwoord “tenendo conto che” (ermee rekening houdend dat).
Ametic, [60] dat is gewezen na het omstreden arrest van de Hoge Raad en dat de Hoge Raad daarom niet bij zijn beoordeling heeft kunnen betrekken. Het HvJ EU bevestigt in dat arrest dat een ongedifferentieerd stelsel de levering van dragers aan zakelijke gebruikers moet “uitsluiten van de betaling van de vergoeding” (punt 39). Als het om die “vrijstelling” gaat, is het in beginsel in overeenstemming met het rechtvaardig evenwicht van overweging 31 van de considerans van de ARl dat alleen de eindgebruiker “terugbetaling” van deze vergoeding kan krijgen, met een verzoek aan de stelselbeheerder (punt 40). Fabrikanten, distributeurs en detaillisten hebben namelijk de mogelijkheid om de heffing door te rekenen aan hun respectieve afnemers. Om te garanderen dat de last van de compensatie uiteindelijk uitsluitend wordt gedragen door thuiskopieerders, moeten eindgebruikers die geen thuiskopieerder zijn echter kunnen worden vrijgesteld (punt 41). Wanneer het stelsel voorziet in vrijstellingscertificaten waarmee de eindgebruiker reeds bij aankoop van een drager kan worden vrijgesteld van betaling van de compensatie, is het echter de verkoper die om terugbetaling moet kunnen vragen (punt 42). Hiermee is sprake van een keuze tussen vrijstellings- en terugbetalingsmechanismen die op verschillende niveau’s van de waardeketen worden toegepast en er samen voor moeten zorgen dat zakelijke gebruikers en natuurlijke personen die een drager duidelijk voor andere dan privédoelen aanschaffen, de heffing (uiteindelijk) niet hoeven te betalen.
Microsoft.com/SIAEen dat er ook overigens geen grond is voor het oordeel dat de Hoge Raad op dit punt artikel 5 lid 2 aanhef Pro en onder b) ARl heeft geschonden.
De ongedifferentieerde heffing: doeltreffende (vrijstellings- en) terugbetalingsregeling?
“
9.13 In de 2012/2015-AMvB’s is niets bepaald over vrijstelling en/of terugbetaling. Een (beleids-)regeling daaromtrent is door TK in het kader van haar incassotaak tot stand gebracht (…). Dat, zoals HP c.s. stelt (…), dit in de AMvB’s zelf had moeten gebeuren is niet af te leiden uitMicrosoft/SIAE
, waar HP c.s. zich ter onderbouwing van die stelling op heeft beroepen. Het HvJEU legt het EU-recht uit en beoordeelt daardoor of dit zich verzet tegen een nationale regeling met een bepaalde inhoud, doch laat zich niet in met de vraag hoe een nationale regeling moet worden ingericht en vormgegeven. Voormelde stelling van HP c.s. vindt ook overigens geen steun in het recht en wordt verworpen.9.14 De tekst van de 2012/2015-AMvB’s laat een vrijstellingsregeling en – in ieder geval – een teruggaveregeling toe die aan de doeltreffendheidseis voldoen. Derhalve moeten, gezien[de regel dat wanneer uit de totstandkomingsgeschiedenis van een nationale omzettingsregeling niet blijkt dat de regelgever iets anders voor ogen heeft gestaan dan het getrouw omzetten van de betrokken richtlijn, voor de vraag naar richtlijnconforme uitleg niet relevant is dat die regelgever bij die totstandkoming een uitleg heeft gegeven die in strijd is met die richtlijn, hof],
de 2012/2015-AMvB’s worden uitgelegd in die zin dat zij dergelijke regelingen bevatten. Ook de in rov. 9.11 genoemde voorwaarde (ii) moet dus als vervuld worden beschouwd.”
richt een rechtsklacht tegen de passage uit rov. 9.13 dat het HvJ EU zich niet inlaat met de vraag hoe een nationale regeling moet worden ingericht en vormgegeven. UitMicrosoft/SGAE
blijkt immers het tegendeel: daarin is een vrijstellingsregeling in de vorm van overeenkomst-protocollen tussen betalingsplichtigen en de SIAE als ontoereikend beoordeeld.(…)2.65Subonderdeel 5.3
beklaagt als onjuist en/of onbegrijpelijk het oordeel in rov. 9.14 dat de tekst van de 2012/2015-AMvB’s een vrijstellingsregeling en – in ieder geval – een teruggaveregeling toelaat die aan de doeltreffendheidseis voldoen en dat die 2012/2015-AMvB’s zodoende moeten worden uitgelegd in die zin dat zij dergelijke regelingen bevatten. Zoals het hof in rov. 9.13, eerste volzin, terecht heeft overwogen, “[is] in de 2012/2015-AMvB’s niets bepaald over vrijstelling en/of terugbetaling”. Volgens de klacht is evenwel minimumvereiste voor een doeltreffende vrijstellings- en/of teruggaveregeling dat deze regeling ten minste kenbaar is voor betalingsplichtigen. Een regeling die in werkelijkheid niet bestaat, maar slechts als fictie door het hof wordt aangenomen (‘de AMvB’s moeten zo worden uitgelegd dat zij een dergelijke regeling bevatten’), is voor betalingsplichtigen niet kenbaar en daarmee niet doeltreffend, aldus deze klacht.Subonderdeel 5.4
vervolgt dat voor zover dit oordeel mede geacht moet worden te zijn gebaseerd op de passage uit rov. 9.13 dat “een (beleids-)regeling daaromtrent door TK in het kader van haar incassotaak tot stand [is] gebracht” – dat oordeel dan ontoereikend is gemotiveerd. Naar HP c.s. (…) hebben gesteld (welke stelling het hof blijkens rov. 9.13 niet is ontgaan), heeft Stichting de Thuiskopie haar beleid sinds 2015 aangepast. Voordien bestond in ieder geval geen dergelijke (beleids-)regeling en was het Nederlandse thuiskopiestelsel hoe dan ook onverenigbaar met Unierecht, zo besluit deze klacht.”
- Subonderdeel 5.2: uit
Microsoft/SIAEvolgt niet wáár een lidstaat een vrijstellings- of terugbetalingsmechanisme moet regelen: bij wet, krachtens de wet in lagere regelgeving, in een besluit van de stelselbeheerder, enz. Daarnaast onderscheidt het Nederlandse stelsel zich als gezegd in zoverre van het Italiaanse stelsel dat aan de orde was in
Microsoft/SIAE, dat in Nederland niet alleen eindgebruikers die geen natuurlijke persoon zijn om terugbetaling kunnen verzoeken.
- Subonderdeel 5.3: Imation c.s. heeft alleen de bestreden AMvB’s aangevallen. De Thuiskopie is als krachtens artikel 16d Aw met de inning en verdeling van de thuiskopievergoeding aangewezen entiteit verantwoordelijk voor de correcte uitvoering van die AMvB’s, met inachtneming van het toepasselijke Unierecht. Waar dit hof heeft overwogen dat deze AMvB’s aldus richtlijnconform moeten worden uitgelegd, dat zij vrijstellings- en terugbetalingsregelingen bevatten, bedoelde het niet meer dan te oordelen dat die AMvB’s ruimte laten voor een richtlijnconforme uitleg, aldus dat De Thuiskopie ervoor moet zorgen dat op die punten in de praktijk conform de ARl wordt gehandeld.
- Subonderdeel 5.4: De klacht dat het Nederlandse stelsel voor 2015 door het ontbreken van een regeling vrijstelling en teruggave van De Thuiskopie in strijd was met het Unierecht mist feitelijke grondslag, is in strijd met de tweeconclusieregel opgeworpen en heeft betrekking op het Nederlandse thuiskopievergoedingsstelsel in het algemeen, terwijl Imation c.s. zich met haar vorderingen alleen tegen de AMvB’s richtte.
Microsoft/SIAEen uit de punten 50 e.v. van het arrest
Ametic.
Imation/ De Thuiskopie en Staat [61] , die betrekking had op de toepasbaarheid, bij wijze van doeltreffend terugbetalingsmechanisme, van de vordering uit ongerechtvaardigde betaling die is geregeld in artikel 6:203 BW Pro.
Copydan Båndkopivolgens hem volgde dat alleen professionele eindgebruikers een dergelijke vordering kunnen instellen. In een parallelzaak van Imation tegen De Thuiskopie en de Staat heeft de rechtbank Den Haag vervolgens de juistheid van dat oordeel aan de orde gesteld in prejudiciële vragen aan de Hoge Raad.
Copydan Båndkopien
Microsoft/SIAEaangehaald (r.o. 3.5.1 en 3.5.2) en uit dat laatste arrest onder andere de conclusie getrokken dat een in een lidstaat vigerend stelsel van thuiskopievergoeding dat voorziet in een recht op terugbetaling dat uitsluitend toekomt aan de eindgebruiker van de drager, slechts in overeenstemming is met het Unierecht indien dat stelsel tevens voorziet in een vrijstelling voor betalingsplichtigen van hun betalingsverplichting voor zover zij aantonen dat zij de gegevensdragers leveren aan anderen dan particuliere eindgebruikers (r.o. 3.5.3). Vervolgens heeft hij met betrekking tot het Nederlandse stelsel geoordeeld dat het noch voorzag in een vrijstelling voor betalingsplichtigen die kunnen aantonen dat zij de dragers leveren aan anderen dan particuliere eindgebruikers, noch in een recht op terugbetaling van ten onrechte of te veel betaalde thuiskopievergoeding dat uitsluitend toekomt aan de eindgebruiker (r.o. 3.6.1). Hij oordeelde vervolgens dat er bij deze stand van zaken geen grond is om het Nederlandse stelsel van thuiskopievergoeding aldus uit te leggen dat de vordering op grond van artikel 6:203 BW Pro tot terugbetaling van te veel betaalde thuiskopievergoeding slechts kan worden ingesteld door de eindgebruiker, en niet door de betalingsplichtige (idem). Anders zou namelijk op het niveau van de betalingsplichtige het vereiste terugbetalingsmechanisme ontbreken (idem).
Ametic, waar HP c.s. op dit punt naar verwijst, dat elke nationale “regeling” tot invoering van een compensatiestelsel moet voorzien in procedures die waarborgen dat alleen de in de thuiskopie -uitzondering bedoelde betalingsplichtigen de last van die compensatie moeten dragen, in die zin worden begrepen dat daaronder ook kan zijn begrepen een samenstel van formeel afzonderlijke regelingen.
Ameticgeformuleerde vereisten van (i) gelijke behandeling, (ii) objectieve criteria die geen beoordelingsmarge laten aan de stelselbeheerder en (iii) toegang tot een onafhankelijke beroepsinstantie.
De gestelde overcompensatie
Padawanvoorschrijft, niet berekend op basis van de schade die de rechthebbenden hebben geleden als gevolg van de invoering van de uitzondering voor privé-kopiëren, maar willekeurig tot stand gekomen.
Padawan,
Copydan Båndkopi,
Amazon.comen
HP /Reprobelsamengevat, voor zover voor die klacht van belang. Daarna heeft het als volgt geoordeeld:
9.7 Uit het onder 9.6 overwogene blijkt dat de ARl niet zozeer vergt dat de billijke vergoeding wordt berekend op het bedrag van de schade maar veeleer dat die berekening ‘verband houdt met’ de schade. Verder in aanmerking nemend:- de onnauwkeurigheid die in het algemeen inherent is aan de vaststelling van de thuiskopievergoeding;- het noodzakelijkerwijs forfaitaire karakter van een heffing op basis van het – toelaatbare – heffingsstelsel dat aan de 2012/2015-AMvB’s ten grondslag ligt (betaling door de fabrikant of importeur, zie artikel 16c Aw);- de grote vrijheid en ruime beoordelingsmarge die de lidstaten hebben bij de bepaling van het niveau van die vergoeding;zijn de schadebedragen zoals die in het [naam] -rapport zijn berekend of daaruit voortvloeien (voor de jaren 2013-2015 achtereenvolgens: 31, 28 en 23,5 miljoen euro) en die ingevolge de rovv. 8.1 en 8.2 geacht moeten worden de werkelijke schade volgens de maatstaven van de ARl weer te geven, niet zoveel lager dan de bedragen die in de AMvB’s liggen besloten (voor 2013 en 2014: 40 miljoen euro en voor 2015: 28 miljoen euro) dat laatstgenoemde bedragen niet kunnen worden beschouwd als niet beantwoordend aan de eisen van de ARl ten aanzien van de vaststelling van de billijke vergoeding.9.8 Nu derhalve – ondanks dat de werkelijke schadebedragen wat lager liggen – de bedragen vermeld in de 2012/2015-AMvB’s zo kunnen worden uitgelegd dat zij aan de ARl beantwoorden, moeten zij ingevolge[de regel dat een nationale regeling richtlijnconform moet worden uitgelegd indien de tekst daarvan een richtlijnconforme uitleg toelaat, hof]
ook in die zin worden uitgelegd. Dat de schadeberekening van de 2012/2015-AMvB’s blijkens de totstandkomingsgeschiedenis daarvan berust op (beweerdelijk) onjuiste criteria (o.m. vergelijkingen met het verleden en andere lidstaten) kan hieraan (…) niet afdoen[, vanwege de regel dat wanneer uit de totstandkomingsgeschiedenis van een nationale omzettingsregeling niet blijkt dat de regelgever iets anders voor ogen heeft gestaan dan het getrouw omzetten van de betrokken richtlijn, voor de vraag naar richtlijnconforme uitleg niet relevant is dat die regelgever bij die totstandkoming een uitleg heeft gegeven die in strijd is met die richtlijn, hof]
. (…)”
richt hier een rechtsklacht tegen. Een richtlijnconforme interpretatie van art. 16c lid 2 Aw brengt volgens de klacht mee dat het bedrag aan billijke compensatie niet slechts “verband houdt met” de schade, maar in wezen moet overeenstemmen met de schade die de rechthebbenden daadwerkelijk hebben geleden.39 Een te ruime heffing ofwel overcompensatie verdraagt zich namelijk niet met het ook door de Auteursrechtrichtlijn nagestreefde rechtvaardige evenwicht tussen de rechthebbenden en de gebruikers van beschermd materiaal (onder verwijzing in de klacht op dit punt naar subonderdeel 2.2) en komt in de woorden van het HvJ EU neer op een bestraffing van deze gebruikers.(…)Subonderdeel 4.2
richt een motiveringsklacht tegen rov. 9.8 dat de [naam] -bedragen (€ 31, € 28 en € 23,5 miljoen) slechts “wat lager” liggen dan de bedragen die in de 2012/2015-AMvB’s besloten liggen (€ 40, € 40 en € 28 miljoen) en dat laatstgenoemde bedragen zouden beantwoorden aan de eisen die de Auteursrechtrichtlijn stelt aan de vaststelling van de billijke vergoeding. Uitgaande van de [naam] -bedragen volgens het licentiemodel (onder verwijzing naar onderdeel 2) zijn de AMvB-bedragen € 9 miljoen (22,5%) respectievelijk € 12 miljoen (30%) respectievelijk € 4,5 miljoen (16,1 %) te hoog vastgesteld. Deze verschillen zijn, hoewel weggewuifd door het hof, substantieel. Zonder nadere maar ontbrekende motivering is ook niet begrijpelijk dat hier géén sprake zou zijn van ontoelaatbare overcompensatie, aldus de klacht.(…)Subonderdeel 4.3
richt een rechtsklacht tegen de richtlijnconforme interpretatie in rov. 9.1, 9.3 jo. 9.7-.9.8 en 11.3. Richtlijnconforme interpretatie heeft betrekking op nationaal recht: dat moet zoveel mogelijk worden uitgelegd in het licht van de bewoordingen en het doel van de betrokken richtlijn, teneinde het door de richtlijn beoogde resultaat te bereiken. Daarvan is hier volgens de klacht geen sprake.Ook heeft het hof miskend dat het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht zich ertegen verzetten dat de 2012/2013-AMvB’s, waarin een bruto incassobedrag van € 40 miljoen als billijke compensatie voor thuiskopiëren is vastgesteld, welk bedrag in (o.a.) de Nota van toelichting van die AMvB (vrijwel) uitsluitend wordt aangemerkt als billijke compensatie voor schade door downloaden uit evident illegale bron, achteraf en met terugwerkende kracht zo kan worden uitgelegd dat deze € 40 miljoen opeens betrekking heeft op de schade door thuiskopiëren uit uitsluitend legale bron.
punt 84, dat zo meteen nog nader aan de orde komt.”
- Subonderdeel 4.1: dit hof heeft de rechtspraak van het HvJ EU over het “verband houden” met de schade voor de rechthebbenden correct weergegeven en toegepast.
- Subonderdeel 4.2: dit hof heeft niet alleen maar geoordeeld dat de bedragen volgens het [naam] -rapport “wat lager” liggen dat de bedragen waar de AMvB’s van uitgingen, maar heeft op het betrokken punt een volledige beoordeling verricht, leidend tot richtlijnconformiteit van de betrokken vergoedingen.
- Subonderdeel 4.3: dat dit hof achteraf, in het kader van de door Acer c.s. ingeleide schadevergoedingsprocedure heeft geoordeeld dat de AMvB’s richtlijnconform kunnen worden uitgelegd en zijn, betekent niet dat die AMvB’s terugwerkende kracht hebben gekregen.
(i) het vaststellen van een thuiskopievergoeding is in het algemeen inherent onnauwkeurig;
(ii) die vergoeding is in het Nederlandse stelsel van heffing bij fabrikanten en importeurs noodzakelijk forfaitair; en
(iii) de lidstaten beschikken over een ruime beoordelingsmarge bij de bepaling van het niveau van die vergoeding.
.
8.Beslissing
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 8 november 2023;
- veroordeelt HP c.s. hoofdelijk in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de Staat begroot op € 13.401,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als HP c.s. deze niet binnen veertien dagen na vandaag heeft betaald;
- bepaalt dat als HP c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze proceskostenveroordeling heeft voldaan en de Staat hem vervolgens dit arrest betekent, HP c.s. hoofdelijk de Staat de kosten van die betekening moet betalen, vermeerderd met extra nakosten van € 92,- en de wettelijke rente over deze kosten als HP c.s. deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
- wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.