ECLI:NL:HR:2015:2796

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 september 2015
Publicatiedatum
24 september 2015
Zaaknummer
14/06561
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt ongegrondverklaring cassatieberoep in overdrachtsbelastingzaak

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag over een door hem voldaan bedrag aan overdrachtsbelasting. De zaak betreft een geschil over de belastingheffing en de juiste toepassing van fiscale regelgeving.

De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, maar de Hoge Raad oordeelt dat de middelen van belanghebbende niet leiden tot cassatie. Er is geen noodzaak tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en legt geen proceskosten op. Hiermee blijft de uitspraak van het gerechtshof in stand en is het geschil definitief beslecht.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het gerechtshof blijft in stand.

Uitspraak

25 september 2015
nr. 14/06561
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 21 november 2014, nr. BK‑13/01811, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 12/5846) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan overdrachtsbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 18 juni 2015 geconcludeerd tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (vgl. HR 26 mei 2015, nr. 14/02274, ECLI:NL:HR:2015:1332, NJ 2015/337).

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2015.