ECLI:NL:GHDHA:2026:295

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
BK-24/353
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet WOZArt. 40, lid 2, Wet WOZArt. 7:9 AwbArt. 7:4, lid 2, AwbArt. 8:113, lid 1, Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging WOZ-waarde woning en afwijzing schending toezendplicht

Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande villa en betwist de vastgestelde WOZ-waarde van €1.031.000 voor het jaar 2022. Na bezwaar en beroep bij de Rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof Den Haag.

Het hof beoordeelde de zaak opnieuw en concludeerde dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld, mede op basis van een taxatieverslag en vergelijkingsobjecten. De rechtbank en het hof oordeelden dat de gebruikte vergelijkingsobjecten passend zijn en dat de toegepaste methodiek, waaronder de correctie voor afnemend grensnut, adequaat is.

Belanghebbende voerde aan dat de toezendplicht van artikel 40, lid 2, Wet WOZ was geschonden, maar het hof stelde vast dat de verstrekte informatie voldoende was en dat het verzoek van belanghebbende te onspecifiek was om aanvullende stukken te eisen. Ook werd geen schending van het hoorrecht vastgesteld, omdat de aanvullende referentieverkopen in de uitspraak op bezwaar slechts ter bevestiging van het standpunt dienden.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Belanghebbende kan nog cassatieberoep instellen bij de Hoge Raad.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de WOZ-waarde en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/353

Uitspraak van 25 februari 2026

in het geding tussen:

[X] , te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: G. Gieben)
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Westland, de Heffingsambtenaar,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 29 februari 2024, nummer SGR 22/7703.

Procesverloop

1.1.
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2021 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op € 1.031.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2022 opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen (de OZB-aanslag) alsmede aanslagen in de rioolheffing en de afvalstoffenheffing.
1.2.
Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De Heffingsambtenaar heeft het bezwaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en een verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 138. De Heffingsambtenaar heeft een nader stuk met dagtekening 8 juli 2024 ingediend dat is aangeduid als verweerschrift. Van de zijde van belanghebbende is op 22 november 2024 een nader stuk ingekomen.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 18 februari 2026. De Heffingsambtenaar is verschenen. Belanghebbende is met bericht van verhindering, welk bericht is binnengekomen op de ochtend van de zitting, niet verschenen en heeft niet om uitstel van de zitting gevraagd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de woning. De woning betreft een vrijstaande villa/landhuis uit het bouwjaar 2002 met een aangebouwde garage, serre en schuur. Het gebruiksoppervlak van de woning is ongeveer 300 m². De oppervlakte van de grond bedraagt ongeveer 650 m².
2.2.
De Heffingsambtenaar heeft in de bezwaarfase de volgende stukken aan belanghebbende verstrekt:
• een taxatieverslag, met daarop:
- de objectkenmerken van de woning [adres 1] ;
- de objectkenmerken, de koopprijzen en koopdata van de referentiewoningen;
• een matrix, met daarop:
- de objectkenmerken van de woning [adres 1] ;
- de objectkenmerken, de koopprijzen en koopdata van de referentiewoningen;
- de waardeopbouw van de vier woningen;
- de gehanteerde prijzen per vierkante meter van de vier woningen;
- de gehanteerde grondstaffels van de vier woningen;
• een onderbouwing van indexeringspercentage woningen belastingjaar 2022.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld:
“1. In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum. Belanghebbende bepleit een waarde van € 926.000.
2. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.
3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar met de matrix en wat overigens is aangevoerd, aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag is vastgesteld. De rechtbank acht de door verweerder gehanteerde vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar met de woning. Met de matrix en hetgeen overigens door verweerder is aangevoerd, maakt hij aannemelijk dat in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning, waaronder het afnemend grensnut en de ligging.
4. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, doet aan het hiervoor gegeven oordeel niet af. De rechtbank volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat de objecten [adres 2] en [adres 3] moeten worden betrokken in de vergelijking. Deze objecten zijn minder goed vergelijkbaar met de woning dan de door de heffingsambtenaar gehanteerde vergelijkingsobjecten, vanwege het verschillende bouwjaar ( [adres 2] ), de ligging ( [adres 3] ) en het kleinere woon- en grondoppervlak ( [adres 2] en [adres 3] ). De voor het eerst ter zitting ingenomen stelling van belanghebbende dat de heffingsambtenaar voor de correctie inzake het afnemend grensnut ten onrechte niet is uitgegaan van de zogenoemde wortelmethode, volgt de rechtbank niet. De heffingsambtenaar heeft ter zitting toegelicht dat hij bij de berekening van het afnemend grensnut uitgaat van de marktgegevens. De rechtbank acht dit afdoende. [1]
5. Belanghebbende heeft (al dan niet voor het eerst ter zitting) gesteld dat artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ is geschonden omdat de heffingsambtenaar de grondstaffel en de waarde van alle objectonderdelen niet heeft verstrekt, geen analyse van de indexering heeft verstrekt en ook niet het bedrag per afwijkende factor voor de KOUDV-factoren. Deze beroepsgrond faalt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar met de informatie die hij in de bezwaarfase aan belanghebbende heeft verstrekt, waaronder de grondstaffel en een onderbouwing van de indexering, aan de toezendplicht voldaan. Het moeten toezenden van een (verdergaande) analyse van de indexering vindt geen steun in het recht. Wat betreft het bedrag per afwijkende factor voor de KOUDV-factoren en de waarde van de objectonderdelen merkt de rechtbank op dat waarderen geen exacte wetenschap is en het beoordelen van de juistheid van de waarde gaat niet gaat over de vraag of de samenstellende onderdelen van het object op de juiste bedragen zijn vastgesteld of om het vaststellen van de juiste bedragen van verschillen in KOUDV-factoren of objectonderdelen, maar om de beoordeling van de WOZ-waarde als geheel. [2]
6. De stelling van belanghebbende dat de heffingsambtenaar doet aan ‘doelredeneren’ faalt eveneens. Het staat de heffingsambtenaar vrij om in de beroepsfase andere vergelijkingsobjecten te gebruiken of om van andere KOUDV-factoren uit te gaan dan in de bezwaarfase.
7. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.
8. Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het bezwaarschrift is door de heffingsambtenaar minder dan twee jaar vóór de uitspraakdatum van de rechtbank ontvangen. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade daarom af.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In geschil is of de Heffingsambtenaar de waarde van de woning op een te hoog bedrag heeft vastgesteld en of artikel 40 Wet Pro WOZ, meer specifiek: de toezendplicht, is geschonden. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de Heffingsambtenaar ontkennend.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, wijziging van de beschikking aldus dat de waarde van de woning nader wordt vastgesteld op een lager bedrag dan € 926.000, dienovereenkomstige vermindering van de OZB-aanslag. Voorts verzoekt belanghebbende om een (proces)kostenvergoeding voor bezwaar, beroep en hoger beroep en vraagt hij het Hof te bepalen dat de betaling rechtstreeks aan gemachtigde dient plaats te vinden.
4.3.
De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Volmacht
5.1.
De Heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de door de gemachtigde overgelegde volmacht van belanghebbende niet voldoet aan de vereisten. Het Hof heeft de recent overgelegde machtiging beoordeeld en komt tot de slotsom dat de machtiging voldoende is voor procesvertegenwoordiging.
Inhoudelijke behandeling
5.2.
Met inachtneming van de herkansingsfunctie die partijen in hoger beroep toekomt, is in hoger beroep de onderhavige zaak opnieuw beoordeeld, waarbij alle aspecten van de stellingen van partijen in de overwegingen zijn betrokken. Die beoordeling leidt tot de conclusie dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen en terecht het beroep ongegrond heeft verklaard. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen feiten en omstandigheden ingebracht die niet al in de bezwaarfase of eerste aanleg zijn aangevoerd, noch argumenten gebezigd of nadere onderbouwingen van de in de bezwaarfase en eerste aanleg ingenomen stellingen verstrekt die een zodanig nieuw of ander licht op de onderhavige geschilpunten werpen, dat op grond daarvan de conclusie dient te worden getrokken dat de beslissing van de Rechtbank niet in stand kan blijven. In aanvulling daarop wordt het volgende overwogen.
Toezendplicht artikel 40, lid 2, Wet WOZ
5.3.
De klacht dat sprake is van een schending van de toezendplicht faalt. Op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ dient aan degene te wiens aanzien een beschikking als bedoeld in de Wet WOZ is genomen, en die een voldoende specifiek verzoek doet tot het verstrekken van bepaalde gegevens die niet in het taxatieverslag zijn opgenomen, maar die wel ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van de onroerende zaak, een afschrift van die gegevens te worden verstrekt (HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052). In aanvulling op hetgeen de Rechtbank heeft overwogen over de toezendplicht van artikel 40, lid 2, Wet WOZ is het Hof van oordeel dat het verzoek van belanghebbende tot het verstrekken van gegevens die niet reeds in het taxatieverslag of de matrix waren opgenomen, dermate onspecifiek was dat de Heffingsambtenaar niet gehouden was naar aanleiding daarvan enige stukken te overleggen.
5.4.
De klacht van belanghebbende dat artikel 40, lid 2, Wet WOZ is geschonden omdat de referentiepanden [adres 4] , [adres 5] en [adres 6] voor het eerst zijn vermeld in de uitspraak op bezwaar faalt aangezien gesteld noch gebleken is dat de gegevens van deze objecten ten grondslag hebben gelegen aan de vastgestelde waarde van de woning.
Motiveringsklachten
5.5.
Voor zover belanghebbende grieven gericht heeft tegen de motivering van de uitspraak van de Rechtbank, falen die reeds omdat de loop van de procedure in belastingzaken meebrengt dat, indien de uitspraak van de rechtbank niet of niet voldoende met redenen is omkleed, dit slechts ten gevolge heeft dat het Hof, zo het een zodanige uitspraak bevestigt, verplicht is zelf de gronden daarvoor in zijn uitspraak op te nemen (vgl. HR 4 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5668, r.o. 3.2). Het Hof dient in een zodanig geval dus in overeenstemming met artikel 8:113, lid 1, Awb de uitspraak van de rechtbank te bevestigen met verbetering van de gronden.
Nadere hoorzitting op grond van artikel 7:9 Awb Pro
5.6.
Belanghebbende wijst erop dat in de uitspraak op bezwaar nieuwe vergelijkingsobjecten worden vermeld. De hoorzitting had toen al plaatsgehad, zodat er geen mogelijkheid meer was om daarover het debat te voeren en een beroepsprocedure daarom noodzakelijk werd. Gelet op het bepaalde in artikel 7:9 Awb Pro levert dit volgens belanghebbende een schending van het hoorrecht op.
5.7.
In de uitspraak op bezwaar zijn volgens de Heffingsambtenaar geen vervangende, maar aanvullende referentieverkopen vermeld. Verder wijst hij erop dat de gemachtigde in bezwaar zelf een deel van de aanvullende referentieverkopen heeft aangedragen als referentiewoningen.
5.8.
Op grond van artikel 7:4, lid 2, Awb legt het bestuursorgaan het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor belanghebbenden ter inzage. Wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, wordt dit op grond van artikel 7:9 Awb Pro aan belanghebbenden meegedeeld en worden zij in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord. Uit de parlementaire behandeling van deze bepaling kan worden opgemaakt dat deze bepaling bedoeld is voor situaties waarin naar aanleiding van het hoorgesprek nader onderzoek wordt gedaan en daaruit feiten of omstandigheden bekend worden die voor de uitkomst van de bezwaarschriftprocedure van aanmerkelijk belang kunnen zijn (Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 152). Zodanige feiten of omstandigheden kunnen bijvoorbeeld niet bekend worden naar aanleiding van een rapport dat slechts een bevestiging vormt van een van meet af aan door het bestuursorgaan ingenomen standpunt (vgl. de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2821).
5.9.
Vast staat dat de Heffingsambtenaar in het onderhavige geval reeds voor het hoorgesprek een taxatieverslag en een matrix met vergelijkingsobjecten heeft verstrekt aan de belanghebbende. Vervolgens heeft de belanghebbende een woningwaarderapport overgelegd met daarin nieuwe vergelijkingsobjecten. Naar aanleiding van laatstgenoemd rapport en het hoorgesprek, heeft de Heffingsambtenaar in zijn uitspraak op bezwaar (additionele) referentieverkopen opgenomen die deels overeengekomen met de objecten uit het woningwaarderapport. Het ligt in een dergelijk geval naar het oordeel van het Hof niet in de rede om belanghebbende voor de uitspraak op bezwaar nogmaals in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. De additionele referentiepanden die de Heffingsambtenaar in zijn uitspraak op bezwaar noemt, dienen slechts ter bevestiging van het reeds door hem ingenomen standpunt. Van een schending van artikel 7:9 Awb Pro is daarom geen sprake, nog daargelaten dat belanghebbende aan zijn klacht daarover geen rechtsgevolg heeft verbonden.
Slotsom
5.10.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door P.C. van den Brink, P.J.J. Vonk en C. Maas en in tegenwoordigheid van de griffier D.W. Renes.
De griffier, de voorzitter,
D.W. Renes P.C. van den Brink
De beslissing is op 25 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.