ECLI:NL:GHDHA:2026:32

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
200.353.947/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijtbaar handelen van werknemer door oprichting concurrerende stichting en verlies van e-mailbestand

In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep over de ontbinding van de arbeidsovereenkomst van een werkneemster bij een stichting die maatschappelijke zorg verleent. De werkneemster had tijdens haar dienstverband een concurrerende stichting opgericht, zonder haar werkgever hiervan op de hoogte te stellen. Dit leidde tot frictie met het bestuur van de stichting waar zij werkzaam was. Het hof oordeelde dat het handelen van de werkneemster ernstig verwijtbaar was, vooral omdat zij het e-mailbestand van de stichting had verloren door haar account te beëindigen. De werkgever had geen ernstig verwijtbaar handelen gepleegd, waardoor de arbeidsovereenkomst terecht was ontbonden. De werkneemster had ook geen recht op een billijke vergoeding of transitievergoeding, omdat haar handelen als ernstig verwijtbaar werd beschouwd. Het hof bekrachtigde de eerdere beslissing van de kantonrechter en veroordeelde de werkneemster in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.353.947/01
Zaak- en rekestnummer rechtbank : 11398490 VZ VERZ 24-9553
Beschikking van 20 januari 2026
in de zaak van
[verzoekster],
wonend in [woonplaats] ,
verzoekster,
advocaat: mr. N.D. van der Valk, kantoorhoudend in Utrecht,
tegen
Stichting Beheer De Nieuwe Nachtegaal,
gevestigd in Rotterdam,
verweerster,
advocaat: mr. A.C.M. Verhoeven, kantoorhoudend in Rotterdam.
Het hof noemt partijen hierna [verzoekster] en de Stichting.

1.De zaak in het kort

Werkneemster was werkzaam voor een stichting die maatschappelijke zorg verleent aan bewoners van de wijk oud-Charlois in Rotterdam. Tussen het bestuur van die stichting en werkneemster ontstond frictie omdat werkneemster het niet eens was met de koers van het bestuur en met het gegeven dat het bestuur een professionaliseringslag in het personeelsbeleid wilde aanbrengen. Zij heeft vervolgens tijdens haar dienstverband een stichting opgericht die zich op vergelijkbare activiteiten richtte voor dezelfde doelgroep als die van haar werkgever. De werkneemster heeft de werkgever daarvan niet in kennis gesteld. Ook heeft zij, nadat het bestuur haar had laten weten dat zij een ontbindingsverzoek zou gaan indienen, het account bij de provider met daarin het e-mailadressenbestand van de doelgroep van haar werkgever beëindigd, met als gevolg dat alle e-mailadressen verloren zijn gegaan. Het hof acht dit alles ernstig verwijtbaar. Omgekeerd acht het hof – anders dan werkneemster heeft gesteld – het handelen de werkgever niet ernstig verwijtbaar. De arbeidsovereenkomst mocht worden ontbonden en de werkgever is geen billijke vergoeding en ook geen transitievergoeding verschuldigd. De werkneemster wenste ook nog betaling van achterstallig loon, omdat volgens haar sprake is geweest van een urenuitbreiding maar zij niet betaald is overeenkomstig die urenuitbreiding. Het hof oordeelt dat niet gebleken is dat partijen over die uitbreiding van uren al overeenstemming hadden bereikt. Dat verzoek wordt daarom ook afgewezen.

2.Procesverloop in hoger beroep

Bij beroepschrift van 22 april 2025 is [verzoekster] in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 21 januari 2025.
De Stichting heeft een verweerschrift ingediend dat het hof op 14 augustus 2025 heeft ontvangen.
Partijen hebben hun standpunten uiteengezet tijdens de mondelinge behandeling op 5 september 2025. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. Vervolgens is een datum voor de beschikking bepaald.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
De door de kantonrechter vastgestelde feiten zijn tussen partijen niet in geschil. Het hof zal van die feiten uitgaan en de feiten daarnaast aanvullen.
3.2
De Stichting is een vrijwilligersorganisatie. Zij heeft als doel het beheren van het zogenaamde “Huis van de Wijk de Nieuwe Nachtegaal” (hierna: Huis van de Wijk). Het Huis van de Wijk is gelegen in de Rotterdamse wijk Oud-Charlois en fungeert als woon-, werk-, leer- , zorg- en ontmoetingscentrum voor bewoners van de wijk oud-Charlois. Er worden activiteiten voor de wijk georganiseerd en mensen kunnen er terecht voor maatschappelijke zorg en ondersteuning. De Stichting heeft twee betaalde functies, die van sociaal coördinator en een functie in de keuken. De sociaal coördinator is belast met het uitvoeren van de dagelijkse beheers- en exploitatiezaken.
3.3
Op 1 april 2015 is [verzoekster] in dienst getreden bij de Stichting als sociaal coördinator. Zij werkte 24 uur per week voor de Stichting tegen een salaris van € 3.806,40 bruto per maand. Daarvoor (sinds 5 maart 2013) was zij via detachering werkzaam voor de Stichting in dezelfde functie.
3.4
Per 1 februari 2021 is een nieuw bestuur aangetreden. De leden van het nieuwe bestuur, waaronder [naam 1] , zijn door [verzoekster] aangedragen.
3.5
In haar tijd als bestuurder heeft [naam 1] het project “de hulpdesk” (hierna: de Hulpdesk) opgestart. Met de Hulpdesk werd een centraal loket in het leven geroepen waar mensen met verschillende hulpvragen, met name op het gebied van schulden en het onder controle krijgen daarvan, konden worden geholpen. Ten behoeve van de Hulpdesk kon subsidie worden aangevraagd. De Stichting heeft [naam 1] – die ook als zelfstandige werkte op het gebied van armoedebestrijding – vervolgens voor de start van de Hulpdesk als zelfstandige ingehuurd. In verband met mogelijke belangenverstrengeling is [naam 1] in maart 2023 afgetreden als bestuurslid. In oktober 2023 heeft het bestuur van de Stichting besloten op dat moment voor dit project nog geen subsidie aan te vragen bij de gemeente. Het bestuur was van mening dat het risico te groot was dat niet structureel zou kunnen worden voldaan aan de subsidie-eisen, omdat de opzet nog te weinig doordacht was.
3.6
Per e-mail van 15 maart 2024 heeft de voorzitter van de Stichting aan [naam 1] laten weten dat de financiering die de Stichting voor de Hulpdesk ontving tijdelijk was en dat de pilotfase en daarmee die opdracht aan [naam 1] binnen die pilotfase zouden ophouden. Het bestuur heeft aan [naam 1] bericht dat deze vorm van ondersteuning wel van waarde is voor de wijk. De voorzitter sluit de e-mail af met: “
Al met al zijn er verschillende (vooral organisatorische) belemmeringen die maken dat een vervolg nu lastig is. Tegelijkertijd ligt er onze constatering dat de inzet wel van belang is voor de wijk én De Nieuwe Nachtegaal. Voor nu zoeken we daarom naar een tussenvorm voor de Hulpdesk waarin we de ondersteuning kunnen doorzetten, maar wel in een vorm die past bij de ruimte die er op dit moment is. Graag willen we met je kijken hoe zo’n vorm eruit kan zien en wat nodig is om deze te realiseren. Is dat ok voor jou?
3.7
[naam 1] heeft de Stichting daarop laten weten dat zij zich terugtrekt voor de Stichting, dat zij het project elders wil voortzetten en dat zij zich genoodzaakt ziet om partijen binnen haar netwerk te informeren over het besluit van de Stichting het project stop te zetten. Bij e-mail van 19 maart 2024 heeft de Stichting aan [naam 1] laten weten dat deze reactie haar verrast, dat zij een dienst als de Hulpdesk vindt passen bij het doel van het Huis van de Wijk en dat dus ook niet gezegd is dat de Hulpdesk stopt, maar dat de Stichting wel een aantal risico’s ziet die moeten worden ondervangen, voordat deze dienst structureel kan worden aangeboden. Dat betrof met name “borging en financiering”. Verder heeft de Stichting aan [naam 1] geschreven: “
Gezien de wens om te zoeken naar een manier om de Hulpdesk te kunnen continueren kun je niet communiceren dat het stopt. De boodschap die je wilt delen met je netwerk past wat ons betreft ook niet bij je rol als opdrachtnemer. We gaan er dan ook vanuit dat je vragen van partners over het vervolg zult doorverwijzen naar het bestuur.
3.8
In januari 2024 heeft er een gesprek tussen de voorzitter van het bestuur en [verzoekster] plaatsgevonden over haar functie en functioneren. Dit hield verband met het feit dat er sprake was van een tweede vestiging in een oud schoolgebouw aan de Huismanstraat in Rotterdam en het mee verschuiven van de taken en rollen. Dit gesprek heeft op 9 april 2024 een vervolg gekregen. Uit het verslag dat van dat gesprek is opgemaakt blijkt dat [verzoekster] toen heeft laten weten dat zij niet tevreden was over het bestuur, onder meer vanwege het feit dat het bestuur haar functioneren wilde evalueren. Ook wenste [verzoekster] geen functioneringsgesprek omdat zij dit in de elf jaar dat zij in dienst was van de Stichting niet eerder heeft gehad; een functioneringsgesprek gaf haar het gevoel dat het bestuur haar niet vertrouwt. Zij was het ook niet eens met het besluit van het bestuur om nog geen subsidie voor de Hulpdesk aan te vragen. [verzoekster] had eerder al de wens uitgesproken een vierde dag te willen werken voor de Stichting. In het gesprek van 9 april 2024 is ook dit onderwerp opnieuw aan de orde gekomen.
3.9
Op eveneens 9 april 2024 heeft [verzoekster] samen met [naam 1] de stichting Stichting Casa C (hierna: Casa C) opgericht. [verzoekster] vormt samen met [naam 1] het bestuur van Casa C, waarbij [verzoekster] voorzitter is en [naam 1] penningmeester. Als activiteiten van Casa C staan in het uittreksel van het handelsregister vermeld: “Het algemeen belang dienen door het bevorderen van onderlinge contacten en goede verhoudingen tussen bewoners van de buurt, het onderling verbinden van mensen, het bevorderen van solidariteit en empathie, het bieden van hulp en ondersteuning door middel van het initiëren, organiseren, doen organiseren, mede organiseren, begeleiden, ondersteunen en coördineren van bijeenkomsten”. Casa C heeft bij de gemeente Rotterdam subsidie aangevraagd voor het project “buurthap”: een betaalbare maaltijd voor bewoners van Charlois. De Stichting kent een vergelijkbaar project voor dezelfde doelgroep. Ook heeft Casa C het Hulpdesk project voortgezet. [verzoekster] heeft de Stichting niet ingelicht over het oprichten van Casa C, de buurthap en het plan om de Hulpdesk in die stichting voort te zetten.
3.1
Op 11 november 2024 heeft de Stichting in een gesprek [verzoekster] laten weten dat zij de arbeidsovereenkomst wenst te beëindigen en dat zij daarvoor bij de kantonrechter een ontbindingsverzoek zal indienen. [verzoekster] heeft zich daarop ziek gemeld. Na haar ziekmelding heeft [verzoekster] het wachtwoord dat toegang biedt tot het computersysteem van de Stichting gewijzigd. Verschillende accounts (e-mailadressen, agenda etc.) waar de Stichting mee werkte en waar de (privé)creditcard van [verzoekster] aan gekoppeld was, heeft zij beëindigd. De Stichting heeft [verzoekster] verzocht om de laptop die zij tot haar beschikking had gekregen terug te geven. Aan dat verzoek heeft zij aanvankelijk niet voldaan. Ook het nieuwe wachtwoord heeft zij aanvankelijk niet gedeeld.
3.11
Bij brief van 26 november 2024 heeft de advocaat van de Stichting aan [verzoekster] laten weten dat zij op non-actief wordt gesteld in afwachting van de uitspraak van de kantonrechter.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
De Stichting heeft de kantonrechter - na aanvulling van haar verzoek - verzocht de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] te ontbinden, primair omdat sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten (e-grond), subsidiair omdat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond), meer subsidiair omdat sprake is van andere omstandigheden (h-grond) en uiterst subsidiair omdat sprake is van een combinatie van omstandigheden (i-grond), waardoor het niet redelijk is dat de arbeidsovereenkomst blijft bestaan.
4.2
[verzoekster] was het niet eens met het verzoek van de Stichting. Zij heeft zelf primair verzocht voor recht te verklaren dat het overeengekomen loon met ingang van januari 2024 € 5.075,20 bruto (inclusief 8% vakantiegeld) per maand bedraagt bij een arbeidsomvang van 32 uur/4 dagen per week en de Stichting te veroordelen om aan haar € 15.225,60 bruto aan achterstallig loon met de wettelijke verhoging te betalen.
4.3
[verzoekster] heeft daarnaast verzocht om bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter de Stichting te veroordelen tot het betalen van een transitievergoeding en een billijke vergoeding. In geval van ontbinding op de i-grond heeft [verzoekster] verzocht om een extra vergoeding.
4.4
De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst per 21 januari 2025 ontbonden en [verzoekster] in de proceskosten veroordeeld. Volgens de kantonrechter was sprake van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van [verzoekster] . De verzoeken van [verzoekster] zijn alle afgewezen.

5.Verzoek in hoger beroep

5.1
[verzoekster] verzoekt – zakelijk weergegeven – de beschikking te vernietigen. Zij verzoekt het hof:
I te bepalen dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ten onrechte op de e-grond heeft ontbonden en dat de arbeidsovereenkomst ook niet op de g-, h- of i-grond ontbonden had kunnen worden;
II aan [verzoekster] een billijke vergoeding van € 91.353,60 bruto toe te kennen;
III aan [verzoekster] een transitievergoeding van € 20.271,06 bruto toe te kennen, althans van € 15.203,28 bruto;
IV de Stichting te veroordelen tot betaling van loon over de periode van 21 januari 2025 tot 1 maart 2025;
V de Stichting te veroordelen tot betaling van het loon voor 8 uur over het gehele jaar 2024 te vermeerderen met de wettelijke verhoging;
met veroordeling van de Stichting in de proceskosten van beide instanties.
5.2
[verzoekster] heeft hiertoe de volgende gronden aangevoerd. [verzoekster] heeft niet (ernstig) verwijtbaar gehandeld en de arbeidsovereenkomst is ten onrechte ontbonden (grond 1 en grond 3). Van concurrerende activiteiten is geen sprake (grond 2). De kantonrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat geen opzegtermijn geldt en zij heeft ten onrechte geen transitievergoeding toegekend (grond 4). Er is evenmin een andere voldragen ontslaggrond (grond 5). Aan [verzoekster] had een billijke vergoeding moeten worden toegekend, omdat de Stichting ernstig verwijtbaar heeft gehandeld (grond 6). Tot slot is ten onrechte het verzoek om achterstallig salaris toe te kennen afgewezen (grond 7).

6.Beoordeling in hoger beroep

[verzoekster] heeft verwijtbaar gehandeld

6.1
De eerste vraag die het hof zal beantwoorden, is of [verzoekster] verwijtbaar heeft gehandeld en wel zodanig dat de arbeidsovereenkomst tussen haar en de Stichting kan worden ontbonden op de e-grond.
6.2
Uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daarvoor een redelijke grond bestaat. Onder een redelijke grond wordt onder meer, zo blijkt uit artikel 7:699 lid 3 sub e BW, verstaan verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
6.3
De Stichting heeft in deze ontbindingsprocedure een aantal omstandigheden genoemd die volgens haar kwalificeren als verwijtbaar handelen van [verzoekster] . Het hof is van oordeel dat uit die omstandigheden volgt dat [verzoekster] inderdaad verwijtbaar heeft gehandeld. Het gaat daarbij om de volgende punten.
6.4
Het staat vast dat [verzoekster] op 9 april 2024 samen met [naam 1] Casa C heeft opgericht en dat zij op diezelfde dag als voorzitter tot het bestuur van die stichting is toegetreden. Ook staat vast dat zij de Stichting niet uit eigen beweging over Casa C en haar aandeel hierin heeft geïnformeerd. De activiteiten van Casa C bevinden zich in ieder geval voor een deel op hetzelfde terrein als de activiteiten van de Stichting en komen er op neer dat beide stichtingen de bewoners in de wijk Charlois willen ondersteunen op verschillende gebieden en de samenhang in de wijk willen bevorderen. Beide stichtingen zijn daarbij voornamelijk afhankelijk van subsidies van de gemeente Rotterdam. Zonder die subsidies kunnen zij het hoofd niet boven water houden. Zij zijn daarmee ook concurrenten van elkaar. Het subsidiegeld kan immers maar eenmaal verstrekt worden: wordt de subsidie aan Casa C verstrekt, dan kan datzelfde geld niet ook aan de Stichting worden verstrekt. Het staat verder vast dat [verzoekster] vanuit Casa C ook daadwerkelijk subsidies heeft aangevraagd. Dat het doel van Casa C (net als dat van de Stichting) nastrevenswaardig is, is bedoeld om anderen te helpen, [verzoekster] niet de intentie had de Stichting schade toe te brengen en zij voor haar werkzaamheden niet betaald kreeg, kan niet wegnemen dat beide stichtingen in dat opzicht concurrenten van elkaar zijn.
6.5
De Stichting heeft verder onweersproken toegelicht dat zij met de gemeente Rotterdam in overleg was over het betrekken van een tweede pand voor een tweede vestiging. Zij heeft gesteld dat [verzoekster] – op enig moment in de eerste helft van 2024, na oprichting van Casa C – eveneens met een gemeenteambtenaar heeft gesproken en heeft gevraagd of Casa C mogelijk het betreffende pand zou kunnen betrekken ten behoeve van haar werkzaamheden.
6.6
[verzoekster] heeft betoogd dat van verwijtbaarheid geen sprake is. Zij betoogt dat de Hulpdesk vanuit de Stichting maar niet van de grond kwam. Vanuit Casa C kon zij dit project wel opstarten. Omdat de Stichting er toch geen belangstelling meer voor had, zit Casa C ook niet in het vaarwater van de Stichting, aldus [verzoekster] . Ter zitting heeft [verzoekster] zich verder op het standpunt gesteld dat zij geen bezwaar zag in het overleg met de gemeente over het pand, nu die gesprekken er alleen op gericht waren om de mogelijkheden te verkennen voor het geval de Stichting het pand niet zou afnemen.
6.7
Dit maakt het oordeel van het hof niet anders. De Stichting heeft verwezen naar de e-mailcorrespondentie met [naam 1] van maart 2024 (zie hiervoor onder 3.6 en volgende). Zij heeft onweersproken toegelicht dat het project zeker haar belangstelling had, maar dat het nog te veel haken en ogen had om het project ook na de pilotfase structureel vorm te kunnen geven, en dat verder uitgewerkt moest worden hoe het project alsnog kon worden doorgezet. Dit standpunt is ook met zoveel woorden gecommuniceerd aan [naam 1] , zo blijkt uit de mailwisseling, en [verzoekster] heeft bevestigd dat zij deze mailwisseling kent. Daarnaast heeft de Stichting onweersproken gesteld dat ieder gesprek over het vervolg van het Hulpdesk project door [verzoekster] en [naam 1] uit de weg is gegaan. [verzoekster] gaf er met beide punten (de oprichting van Casa C en de gesprekken met de gemeente over het tweede pand) blijk van niet primair de belangen van haar werkgever te dienen maar juist de belangen van de inmiddels mede door haar nieuw opgerichte stichting waarvan zij voorzitter was geworden, die ook nog eens tegen de belangen van haar werkgever in gingen. Met dit handelen komt de bestaanszekerheid van de Stichting onder druk te staan. Dat in de arbeidsovereenkomst tussen de Stichting en [verzoekster] geen non-concurrentiebeding is opgenomen acht het hof niet relevant. Dit handelen van [verzoekster] raakt de Stichting immers in de kern van haar bestaan en het had zonder meer duidelijk voor [verzoekster] moeten zijn dat zij hiermee het belang van de Stichting schaadde.
6.8
[verzoekster] heeft verder betoogd dat Casa C zich vooral richt op het ondersteunen van bewoners bij het op orde brengen van financiën, terwijl de Stichting een veel bredere doelstelling heeft. Casa C zit dus niet in het vaarwater van de Stichting, aldus [verzoekster] . Die accentverschillen acht het hof van ondergeschikt belang. Niet in geschil is immers dat [verzoekster] de Hulpdesk bij Casa C wilde onderbrengen, terwijl dit project aanvankelijk (door [naam 1] ) vanuit de Stichting is opgezet, de Stichting [naam 1] vervolgens heeft ingehuurd om dit project te leiden en de Stichting op enig moment weliswaar had besloten het project op pauze te zetten, maar niet stop te zetten. Bovendien staat vast dat de Stichting ook het project “buurthap” kent en Casa C een vergelijkbaar project wilde gaan opstarten. Anders dan [verzoekster] betoogt, is dus wel degelijk sprake van een fundamentele overlap tussen beide stichtingen. Daarnaast geldt dat overleg met de gemeente vanuit Casa C over het door de Stichting te betrekken pand des te ongepaster is nu, zoals hierna zal blijken, [verzoekster] en de Stichting in overleg waren over een uitbreiding van het aantal uren. Die urenuitbreiding was er juist voor bedoeld dat [verzoekster] zich ten behoeve van het tweede pand zou kunnen inzetten.
6.9
Het had op de weg van [verzoekster] gelegen om met de Stichting in overleg te treden over haar wens de Hulpdesk direct opvolging te geven en dat zij met dat doel samen met [naam 1] Casa C wenste op te richten, dan wel had opgericht. Door buiten de Stichting om mee te werken aan een nieuwe stichting en daar een van de projecten van de Stichting in onder te brengen, zonder daarover open kaart te spelen en daarover in overleg te treden, heeft zij de belangen van de Stichting op geen enkele manier in ogenschouw genomen. Dat geldt ook voor het overleg met de gemeente over het pand. Ook daarover had zij met de Stichting moeten overleggen. Zij heeft er juist voor gekozen de Stichting niet te informeren over Casa C en de plannen van Casa C ten aanzien van het betrekken van dit pand. Dit op zichzelf genomen acht het hof al verwijtbaar in de zin van artikel 7:699 lid 3 sub e BW.
6.1
De Stichting heeft verder op het volgende gewezen. [verzoekster] was de enige die toegang had tot het account van de Stichting met het e-mailbestand van 4.000 e-mailadressen, welk bestand werd gebruikt om de doelgroep van de Stichting te bereiken. Dit was een betaald account, waar de creditcard van [verzoekster] aan gekoppeld was. Door die creditcard te ontkoppelen, is het account verloren gegaan en daarmee ook het bestand met alle 4.000 e-mailadressen.
6.11
Het hof is van oordeel dat [verzoekster] ook daarmee bewust de Stichting ernstig heeft benadeeld. De Stichting kon hierdoor haar doelgroep niet meer bereiken. [verzoekster] stelt dat zij in haar mails wel gewaarschuwd heeft voor de gevolgen van het ontkoppelen van haar persoonlijke creditcard – het verloren gaan van de e-mailadressen – maar dit wordt weersproken en volgt niet uit de mails die gaan over het beëindigen van het account, in de periode na 11 november 2024 (productie 18 van de Stichting bij verweer in eerste aanleg tegen nevenverzoeken van [verzoekster] ). In een van die e-mails van [verzoekster] aan het bestuur heeft [verzoekster] slechts geschreven “
Website is gekoppeld aan Elementor, besturingssysteem Hiervoor heb ik creditcard gegevens nodig om om te zetten. Wanneer ik deze heb ontvangen, zal ik deze invoeren, zodat mijn creditcard gegevens eruit kunnen. Wanneer deze er niet zijn, ben ik genoodzaakt het account te annuleren. (…) Het mailprogramma Brevo is ook verbonden aan mijn creditcard. Ook daarvoor ontvang ik graag creditcard gegevens, zodat het ingevoerd kan worden. Zoniet, dan annuleren we dit account. Je kunt dan een mailprogramma kiezen om te gebruiken.” Deze e-mail houdt geen duidelijke waarschuwing in dat zonder nieuwe creditcardgegevens ook al de e-mailadressen verloren zouden gaan, terwijl uit de verklaring van [verzoekster] op de zitting bij het hof volgt dat zij toen wel al wist dat die gegevens verloren zouden gaan bij ontkoppeling van haar creditcard zonder koppeling van een nieuwe creditcard. Een dergelijke duidelijke waarschuwing had van haar als goed werknemer wel verwacht mogen worden.
6.12
[verzoekster] heeft zich ook wat dit betreft op geen enkel moment het belang van de Stichting aangetrokken. Van [verzoekster] kon – gelet op haar functie en rol binnen de Stichting – worden gevergd dat zij zich het belang van de Stichting bij het handhaven van het account aantrok, ook als zij meende dat de ingeslagen koers van het bestuur niet de juiste was en zij zich onvoldoende serieus genomen voelde door het bestuur, zoals zij in deze procedure heeft betoogd.
6.13
Het hof is al met al met de kantonrechter van oordeel dat [verzoekster] verwijtbaar in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub e BW heeft gehandeld.
Het handelen van [verzoekster] is ook als ernstig verwijtbaar aan te merken
6.14
[verzoekster] heeft verzocht om toekenning van een transitievergoeding. Ingevolge het bepaalde in artikel 7:673 lid 1 aanhef en onderdeel a, 2˚ in samenhang met lid 7, aanhef en onderdeel c BW is de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd indien de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever is ontbonden, tenzij de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer.
6.15
Het hof is van oordeel dat de Stichting [verzoekster] geen transitievergoeding verschuldigd is. Hiervoor heeft het hof geoordeeld dat [verzoekster] verwijtbaar heeft gehandeld. Het handelen van [verzoekster] is naar het oordeel van het hof ook als
ernstig verwijtbaarin de zin van artikel 7:673 lid 7 BW aan te merken, nu [verzoekster] op geen enkele manier de belangen van de de Stichting voor ogen heeft gehouden. Het gaat daarbij om zowel het handelen van [verzoekster] rondom Casa C als het door toedoen van [verzoekster] verloren gaan van het e-mailadressenbestand.
6.16
De conclusie is dat de gronden 1 tot en met 4 falen. Grond 5 – die betrekking heeft op een eventuele ontbinding op de g-, h- en i- grond – behoeft gelet hierop geen bespreking meer.
Geen ernstig verwijtbaar handelen van de Stichting, geen billijke vergoeding (grond 6)
6.17
De door [verzoekster] uit hoofde van art. 7:671b lid 9, aanhef en onder c, BW verzochte billijke vergoeding is evenmin toewijsbaar. Daartoe overweegt het hof het volgende.
6.18
Ingevolge art. 7:671b lid 9, aanhef en onder c, BW kan de kantonrechter aan de werknemer een billijke vergoeding toekennen indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet werk en zekerheid blijkt dat van ernstig handelen of nalaten van de werkgever in de zin van deze bepaling alleen in uitzonderlijke gevallen sprake is.
6.19
[verzoekster] heeft in dit verband betoogd dat de Stichting haar verplichtingen als goed werkgever ernstig heeft geschonden. Zij heeft zich niet gesteund gevoeld door het bestuur en daarom heeft zij een coachingstraject voorgesteld, dat inhield dat zij en het bestuur zouden worden begeleid met als doel om de samenwerking te verbeteren. Dit traject is gestopt door de Stichting. De Stichting heeft vervolgens direct aangestuurd op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
6.2
Het hof is van oordeel dat dit alles onvoldoende is om te kunnen concluderen dat de Stichting ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Uit de vele e-mails en gespreksverslagen komt naar voren dat [verzoekster] moeite had met de manier waarop het bestuur invulling gaf aan zijn rol en dat zij er moeite mee had dat het bestuur een zekere hiërarchie wenste aan te brengen in de verschillende rollen van enerzijds het bestuur als werkgever en anderzijds [verzoekster] als werknemer. Ook volgt uit die e-mails dat de Stichting en [verzoekster] op een verschillende manier naar ieders rol keken. Uit de stukken volgt verder dat zowel het bestuur van de Stichting als [verzoekster] de samenwerking als moeizaam bestempelden. Het hof verwijst in dit verband bijvoorbeeld naar het gespreksverslag van het gesprek tussen [verzoekster] en het bestuur van de Stichting van 15 juli 2024 (bijlage 13 bij het verzoekschrift in eerste aanleg), waarin onder meer en voor zover hier van belang staat: “
zoals per mail aangekondigd (…) wil het bestuur in gesprek met [verzoekster]om de ontstane frictie weg te nemen. De agenda is als volgt (…) Een groot struikelblok voor haar[hof: [verzoekster] ]
is de wens van het bestuur om haar te laten werken vanuit een functieprofiel. Dat de voorzitter haar uitnodigde voor een functioneringsgesprek versterkt haar beleving dat dit bedoeld is om haar tegen te werken. Ze benadrukt daarbij dat ze al jaren zonder functieprofiel heeft gewerkt. In haar ogen is een functieprofiel dan ook niet nodig. Opnieuw benadrukt het bestuur dat het verleden en haar verdienste daarin voor De Nieuwe Nachtegaal niet ter discussie staan, maar dat het gaat om een toekomst waarin vermoedelijk vanuit 2 locaties zal worden gewerkt en dus een andere verdeling van inzet nodig is. (…) [verzoekster] stelt dat het bestuur te weinig toevoegt aan de Nieuwe Nachtegaal. Om die reden kan van een herbenoeming in 2025 van de leden geen sprake zijn. Ze hecht eraan te benoemen dat [naam voormalig penningmeester]z’n rol als bestuurslid al ter beschikking heeft gesteld, maar dat dit nog niet zwart-op-wit is gesteld. Die bevestiging wil ze schriftelijk ontvangen. Het bestuur deelt haar interpretatie van rollen en verantwoordelijkheden niet en stelt eindverantwoordelijk te zijn en daarnaar te handelen. Ook stelt het bestuur dat benoemingen van bestuursleden behoren tot het mandaat van het bestuur. Tot een gedeelde opvatting over de verantwoordelijkheden komt het niet.
6.21
Hieruit volgt dat het bestuur van de Stichting pogingen heeft gedaan om de moeizame verhouding vlot te trekken. Het hof deelt het standpunt van de Stichting dat het opstellen van een functieprofiel en het voeren van functioneringsgesprekken een volstrekt legitieme wens is van het bestuur en behoort tot de rol van het bestuur als werkgever van [verzoekster] . Dat dit in het verleden anders was en dat [verzoekster] dat niet nodig vond, mag zo zijn, maar dat betekent niet dat de Stichting als werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Het verzoek tot het toekennen van een billijke vergoeding wordt dus afgewezen.
Achterstallig salaris
6.22
[verzoekster] heeft verder om betaling van een bedrag van € 15.225,60 aan achterstallig salaris verzocht. Zij stelt dat zij en de Stichting in januari 2024 een afspraak hebben gemaakt die erop neer komt dat er een urenuitbreiding zou komen. Zij verwijst in dit verband naar een gesprek tussen haar en de bestuursvoorzitter in januari 2024, waarin de voorzitter aan [verzoekster] vraagt hoe het er straks uitziet als [verzoekster] op twee locaties aan de slag is. Ook wijst zij erop dat de Stichting bij de gemeente subsidie heeft aangevraagd voor een urenuitbreiding binnen de Stichting. Zij heeft in dit verband correspondentie tussen haar en de gemeente overgelegd waaruit de subsidietoekenning blijkt.
6.23
Uit deze stukken volgt echter niet dat partijen al daadwerkelijk overeenstemming hebben bereikt, in de zin van een aanbod en aanvaarding daarvan (artikel 6:217 BW) en daarmee een overeenkomst hebben gesloten met betrekking tot een urenuitbreiding. De Stichting heeft dit ook weersproken. Zij voert aan dat er wel gesprekken zijn gevoerd, maar die hadden nog niet geleid tot overeenstemming. Zij verwijst naar het gespreksverslag van 9 april 2024, waarin wordt vermeld “
[verzoekster] wil graag een vierde dag werken als sociaal coördinator (SC) in de NN. Het bestuur heeft aangegeven daar welwillend tegenover te staan, maar wil wel doorspreken wat de inhoud van die extra tijd zal zijn”. Verder heeft zij in dit verband naar een e-mail van de voorzitter van de Stichting aan [verzoekster] van 19 april 2024 verwezen, waarin de voorzitter aan [verzoekster] schrijft dat in oktober 2023 een subsidieaanvraag is gedaan waarin rekening is gehouden met een uitbreiding van de inzet op het beheer en dat er over gesproken moest worden hoe de extra inzet zou worden ingevuld. Verder schrijft de voorzitter in die e-mail: “
De inzet dit jaar betreft immers 1 fte, waarvan jij uitspreekt er 0,8 te willen invullen. Daarmee is hoe dan ook de vraag voor ons als bestuur hoe we ermee omgaan dat nog iemand anders nodig is om de formatie in te vullen. Op basis van de afspraken die jij met ons als bestuur maakt over je takenpakket en verantwoordelijkheid kunnen we bepalen hoe dit in te vullen. Momenteel wordt [naam 2] op zzp-basis daarvoor ingezet, maar als we echt willen voorbereiden op een overstap naar de Huismanstraat dan is het heel goed denkbaar dat we die tijd en/of [naam 2] op een andere manier moeten inzetten. Of niet, maar nu hebben we geen onderbouwing daarvoor, behalve ons gevoel. Dat is een onvoldoende basis en dus vinden wij als bestuur dat een profiel wenselijk is.
6.24
Uit deze stukken volgt duidelijk dat partijen inderdaad hebben gesproken over een urenuitbreiding en dat de subsidie vanuit de gemeente daar ook ruimte voor biedt, maar dat nog helemaal niet evident is dat die uitbreiding er ook daadwerkelijk gaat komen. Het subsidiegeld kon – zo blijkt uit de stukken – ook een andere invulling krijgen. Dat daadwerkelijk concrete afspraken zijn gemaakt tussen de Stichting en [verzoekster] die inhouden dat [verzoekster] per 1 januari 2024 voor vier dagen per week werkzaam zou zijn blijkt geenszins. Ook is tussen partijen niet in geschil dat [verzoekster] nimmer vier dagen per week is gaan werken. Daarnaast geldt nog dat, zoals de Stichting terecht betoogt, [verzoekster] geen rechten kan ontlenen aan de door de gemeente toegekende subsidie voor een verhoging van de personeelskosten van de Stichting. Het is immers niet de gemeente die gaat over de personele invulling bij de Stichting. Grief 7 is daarmee tevergeefs voorgesteld.
Conclusie en proceskosten
6.25
De conclusie is dat het hoger beroep van [verzoekster] niet slaagt. Daarom zal het hof de beschikking bekrachtigen. Het hof zal [verzoekster] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Anders dan door de Stichting gevorderd, bestaat voor een volledige proceskostenveroordeling geen aanleiding. Daarvan kan alleen sprake zijn in geval van een evidente ongegrondheid van de vorderingen van [verzoekster] . Dat is niet aan de orde.
6.26
Die forfaitaire proceskosten worden begroot op:
griffierecht € 827,-
salaris advocaat € 2.428.- (2 punten × tarief II)
nakosten € 178,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.433,-

7.Beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 21 januari 2025;
  • veroordeelt [verzoekster] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de Stichting begroot op € 3.433,-;
  • bepaalt dat als [verzoekster] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, [verzoekster] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-;
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevraagd.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J. S. Honée, M. Verkerk en L.G. Verburg en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier.