ECLI:NL:GHDHA:2026:352

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
BK-25/464 en BK-25/465
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging navorderingsaanslagen en afwijzing beroep op vertrouwensbeginsel in IB/PVV 2020 en 2021

Belanghebbende is voor de jaren 2020 en 2021 navorderingsaanslagen IB/PVV opgelegd door de Inspecteur, waarbij het belastbaar inkomen en de ingehouden loonheffing werden gecorrigeerd op basis van gegevens van de Belastingdienst. Belanghebbende voerde onder meer aan dat de Belastingdienst had toegezegd dat haar aangiften juist waren, een beroep op het vertrouwensbeginsel.

De Rechtbank Den Haag verklaarde de beroepen ongegrond, stellende dat de gegevens van de Belastingdienst niet onjuist waren en dat belanghebbende geen bewijs had geleverd van ondubbelzinnige toezeggingen die het vertrouwensbeginsel konden rechtvaardigen. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraken.

Het Gerechtshof Den Haag oordeelt dat de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de navorderingsaanslagen terecht en naar het juiste bedrag zijn opgelegd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan. Ook is de Inspecteur niet gehouden om bij de definitieve aanslag hetzelfde standpunt in te nemen als bij de voorlopige aanslag, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen, welke hier niet zijn gesteld.

De hoger beroepen worden ongegrond verklaard en de uitspraken van de Rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door het Hof in aanwezigheid van de griffier en is openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de navorderingsaanslagen en wijst het beroep op het vertrouwensbeginsel af.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummers BK-25/464 en BK-25/465

Uitspraak van 13 januari 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: […] )
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 24 april 2025, nummers SGR 23/5730 en SGR 23/5285.

Procesverloop

Jaar 2020 – BK-25/464
1.1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2020 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.557 (de aanslag 2020). In deze aanslag is een bedrag van € 31.734 aan loonheffingen verrekend.
1.1.2.
Aan belanghebbende is over het jaar 2020 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.557 (de navorderingsaanslag 2020). In de navorderingsaanslag is een bedrag van € 3.734 aan loonheffingen verrekend. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 1.491 belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente 2020).
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende tegen de navorderingsaanslag 2020 en de beschikking belastingrente 2020 afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 51. De Rechtbank (SGR 23/5730) heeft het beroep ongegrond verklaard.
Jaar 2021 – BK-25/465
1.4.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2021 een aanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.470 (de aanslag 2021). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 4 belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente 2021).
1.5.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag 2021 en de beschikking belastingrente 2021 afgewezen.
1.6.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is in de zaak SGR-23/5730 (jaar 2020) een griffierecht geheven van € 51. De Rechtbank heeft het beroep (SGR 23/5285; jaar 2021) ongegrond verklaard.
Beide jaren
1.7.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van éénmaal € 143. De Inspecteur heeft in elk van beide zaken een verweerschrift ingediend.
1.8.
De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 26 november 2025. De Inspecteur is wel, doch belanghebbende is niet verschenen.
Belanghebbende is in de onderhavige zaken door de griffier van het Hof bij een digitaal verzonden bericht uitgenodigd om te verschijnen op de zitting van 26 november 2025 om 10.00 uur te Den Haag. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan het Hof, niet ter zitting verschenen. Blijkens de bij het hiervoor genoemde bericht opgeslagen metadata in de digitale postkamer van het Hof is het bericht op 15 oktober 2025, 12:54 uur, verzonden via het webportaal Mijn Rechtspraak. Tegelijk met het bericht is een kennisgeving per e-mail verstuurd naar het door belanghebbende opgegeven e-mailadres. Gelet hierop is belanghebbende naar het oordeel van het Hof correct uitgenodigd. De onderhavige zaken zijn ter zitting volgtijdelijk behandeld tezamen met het hoger beroep van [naam] , kenmerk BK-25/366 en BK-25/367, betreffende de door de Inspecteur aan hem opgelegde aanslagen IB/PVV voor de jaren 2020 en 2021. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende ontving van [B.V. 1] in 2020 een loon van € 26.557 (met een ingehouden loonheffing van € 3.734) en in 2021 een loon van € 27.480 (met een ingehouden loonheffing van € 3.745).
2.2.
Belanghebbende heeft voor de onderhavige jaren diverse gewijzigde aangiften IB/PVV ingediend en heeft daarin verschillende bedragen aan ontvangen inkomsten en ingehouden loonheffing aangegeven. Door belanghebbende is ook diverse malen verzocht om wijziging van de voor de onderhavige jaren opgelegde voorlopige aanslagen. Belanghebbende heeft al diverse keren – te weten: voor de belastingjaren vanaf 2013 tot en met 2019, met uitzondering van het jaar 2017 – over deze kwestie geprocedeerd tot aan de Hoge Raad (zie Gerechtshof Den Haag 16 maart 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:702, Gerechtshof Den Haag 16 maart 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:703, Gerechtshof Den Haag 16 maart 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:704, Gerechtshof Den Haag 16 maart 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:705 en Gerechtshof Den Haag 14 juli 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1316). De Hoge Raad heeft de beroepen in cassatie telkens onder verwijzing naar artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie niet-ontvankelijk verklaard.
Jaar 2020
2.3.
De definitieve aanslag IB/PVV 2020 is vastgesteld met dagtekening 29 juli 2022. Het verzamelinkomen is overeenkomstig de meest recente aangifte IB/PVV 2020 van 28 december 2021 vastgesteld op € 44.557. In die aangifte bedraagt het aangegeven inkomen € 44.557, bestaande uit loon van [B.V. 1] (€ 25.557) en loon van [B.V. 2] € 19.000. Volgens deze aangifte is op het loon (in totaal) € 31.734 aan loonheffing ingehouden.
2.4.
De Inspecteur heeft vervolgens aan belanghebbende een brief gestuurd met daarin het voornemen tot het opleggen van een navorderingsaanslag. In deze brief staat vermeld dat uit nieuwe informatie is gebleken dat belanghebbende alleen inkomen heeft ontvangen van [B.V. 1] ten bedrage van € 26.557, alsmede dat de inhouden loonheffing op het inkomen van [B.V. 1] € 3.734 (en niet het door belanghebbende in de aangifte vermelde bedrag van € 14.734) bedraagt.
2.5.
Met dagtekening 22 april 2023 heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag 2020 aan belanghebbende opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) van € 26.557. Daarbij is – overeenkomstig het voornemen tot afwijken (zie 2.4) – uitgegaan van een bedrag aan ingehouden loonheffing van € 3.734.
Jaar 2021
2.6.
Aan belanghebbende zijn voor het jaar 2021 vijf voorlopige aanslagen IB/PVV opgelegd, waarvan vier op haar verzoek. De meest recente voorlopige aanslag dateert van 11 februari 2022, waarbij rekening is gehouden met jonggehandicaptenkorting en een dubbele dienstbetrekking.
2.7.
Op 7 september 2022 is de recentste aangifte IB/PVV 2021 gedaan, waarbij het aangegeven inkomen € 27.470 bedraagt en geheel bestaat uit loon van [B.V. 1] Volgens deze aangifte is op het loon € 9.745 aan loonheffing ingehouden en bestaat recht op de jonggehandicaptenkorting.
2.8.
Bij brief van 21 februari 2023 heeft de Inspecteur belanghebbende geïnformeerd over zijn voornemen om van de ingediende aangifte af te wijken. De Inspecteur gaat ervan uit dat de ingehouden loonheffing op het inkomen van [B.V. 1] € 3.745 (en niet het door belanghebbende in de aangifte vermelde bedrag van € 9.745) bedraagt. Daarnaast bestaat volgens de Inspecteur geen recht op de jonggehandicaptenkorting.
2.9.
Op 11 april 2023 heeft belanghebbende opnieuw een aangifte IB/PVV 2021 ingediend. Deze aangifte is aangemerkt als een bezwaarschrift omdat de definitieve aanslag reeds in het systeem was klaargezet.
2.10.
De definitieve aanslag IB/PVV 2021 is met dagtekening 13 april 2023 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) van € 27.470. Daarbij is in afwijking van de aangifte – overeenkomstig het voornemen tot afwijken (zie 2.8) – uitgegaan van een bedrag aan ingehouden loonheffing van € 3.745 en is de jonggehandicaptenkorting niet toegepast. De verschuldigde belasting bedraagt nihil. Aangezien bij de voorlopige aanslag (zie 2.6) een teruggave is verleend van € 3.115, volgt uit de definitieve aanslag IB/PVV 2021 een te betalen bedrag van € 3.119 (€ 3.115 vermeerderd met € 4 belastingrente).

Oordeel van de Rechtbank

3.1.
De Rechtbank (SGR 23/5730; jaar 2020) heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“22. In geschil is of de navorderingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.
23. Eiseres stelt dat de belastingdienst heeft toegezegd dat de aangifte juist was en dat zij geld terugkreeg.
24. De rechtbank stelt voorop dat bij het opleggen van de navorderingsaanslag is uitgegaan van de loongegevens zoals deze zijn opgenomen in de systemen van de Belastingdienst. Gesteld noch gebleken is dat deze gegevens onjuist zijn.
25. De stelling van eiseres dat de belastingdienst heeft toegezegd dat de aangifte juist was, vat de rechtbank op als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat door verweerder uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, waaraan eiseres het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat de door haar ingediende aangifte zou worden gevolgd.
Eiseres heeft voor haar stelling dat de belastingdienst een dergelijke toezegging heeft gedaan, geen enkel bewijs overgelegd. Reeds daarom faalt het beroep op het vertrouwensbeginsel.
26. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.”
3.2.
De Rechtbank (SGR 23/5285; jaar 2021) heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“17. In geschil is of de aanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.
Eiseres stelt dat de belastingdienst heeft toegezegd dat de aangifte juist was en dat zij geld terugkreeg.
18. De rechtbank stelt voorop dat bij het opleggen van de aanslag is uitgegaan van de loongegevens zoals deze zijn opgenomen in de systemen van de Belastingdienst. Gesteld noch gebleken is dat deze gegevens onjuist zijn.
19. De stelling van eiseres dat de belastingdienst heeft toegezegd dat de aangifte juist was, vat de rechtbank op als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat door verweerder uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, waaraan eiseres het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat de door haar ingediende aangifte zou worden gevolgd.
Eiseres heeft voor haar stelling dat de belastingdienst een dergelijke toezegging heeft gedaan, geen enkel bewijs overgelegd. Reeds daarom faalt het beroep op het vertrouwensbeginsel.
20. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
Evenals voor de Rechtbank is in geschil of de navorderingsaanslag 2020 terecht en naar een juist bedrag is opgelegd, alsmede of de aanslag 2021 naar het juiste bedrag is opgelegd. Daarbij gaat het met name om de vraag of het vertrouwensbeginsel is geschonden.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar, tot vernietiging van de navorderingsaanslag 2020 en de beschikking belastingrente 2020, alsmede tot vermindering van de aanslag 2021 overeenkomstig de laatst ingediende aangifte en tot dienovereenkomstige vermindering van de beschikking belastingrente 2021.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraken van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

De navorderingsaanslag 2020
5.1.
Nu belanghebbende in hoger beroep geen gronden, feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die een nieuw of ander licht op de zaak (kunnen) werpen, is het Hof van oordeel dat de Rechtbank terecht en op goede gronden heeft beslist dat de navorderingsaanslag 2020 terecht en naar een juist bedrag is opgelegd. Het Hof maakt deze beslissing en de daartoe door de Rechtbank gebezigde gronden als vermeld onder 3.1 (r.o. 24 en r.o. 25) tot de zijne.
De aanslag 2021
5.2.1.
Naar het oordeel van het Hof geldt mutatis mutandis hetzelfde voor het oordeel van de Rechtbank betreffende de aanslag 2021 (zie onder 3.2, r.o. 18 en r.o. 19).
5.2.2.
Anders dan belanghebbende kennelijk meent, is de Inspecteur niet gehouden bij de vaststelling van de definitieve aanslag eenzelfde standpunt in te nemen als bij een voorlopige aanslag. Op die regel wordt slechts een uitzondering aangenomen, indien de belastingplichtige een aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de inspecteur heeft voorgelegd en hij bovendien op grond van bijkomende omstandigheden redelijkerwijs kan aannemen dat de inspecteur met betrekking tot die aangelegenheid weloverwogen een standpunt heeft ingenomen (vgl. HR 17 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2996, r.o. 3.3). Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden aangenomen dat voormelde uitzondering zich hier voordoet.
Slotsom
5.3.
De door belanghebbende ingestelde hoger beroepen zijn ongegrond.

Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraken van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, T.A. de Hek en P.C. van den Brink, in tegenwoordigheid van de griffier A.S.H.M. Strik.
De griffier, de voorzitter,
A.S.H.M. Strik Chr.Th.P.M. Zandhuis
De beslissing is op 13 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.