ECLI:NL:GHDHA:2023:703
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging aanslag inkomstenbelasting 2015 ondanks beroep op vertrouwensbeginsel
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting 2015, die was vastgesteld op basis van loongegevens uit de systemen van de Belastingdienst. De Rechtbank oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de aanslag onjuist was en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagde omdat geen bindende toezegging door de Inspecteur was gedaan.
In hoger beroep heeft belanghebbende aangevoerd dat de voorlopige aanslagen en mededelingen van een medewerker van de Belastingdienst het vertrouwen hadden gewekt dat zij recht had op teruggaven en niets hoefde te betalen. Het Hof overweegt dat voorlopige aanslagen in beginsel geen vertrouwen wekken en dat een bindende toezegging vereist is, waarvoor volledige en juiste informatie aan de Inspecteur moet zijn verstrekt.
Belanghebbende kon niet aannemelijk maken dat een medewerker van de Belastingdienst een bindende toezegging had gedaan. Ook de door een derde ingevulde aangifte en de door belanghebbende opgegeven hogere inkomsten konden niet worden onderbouwd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt daarom. De belastingrente is terecht in rekening gebracht. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de aanslag inkomstenbelasting 2015 correct is en het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.