AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Arbeidsovereenkomst docent Bulgaarse weekendschool en onrechtmatig ontslag op staande voet
De zaak betreft een geschil tussen een docente van een Bulgaarse weekendschool en de Stichting Het Andere Bulgarije over de kwalificatie van hun overeenkomst en de rechtmatigheid van het ontslag op staande voet. De kantonrechter had geoordeeld dat sprake was van een vrijwilligersovereenkomst, maar het hof oordeelt dat het gaat om een arbeidsovereenkomst.
De Stichting ontkende een arbeidsovereenkomst en stelde dat de docente als vrijwilliger werkte met een onkostenvergoeding. Het hof stelde vast dat de vergoeding substantieel hoger was dan de door de Belastingdienst vrijgestelde vrijwilligersvergoeding en zelfs hoger dan het minimumloon, en dat er sprake was van een gezagsverhouding. Daarom kwalificeerde het hof de overeenkomst als arbeidsovereenkomst.
Het ontslag op staande voet van 13 december 2024 werd door het hof als onrechtmatig beoordeeld, omdat er geen dringende reden was en het ontslag niet onverwijld was gegeven. De docent mocht haar werkzaamheden opschorten vanwege achterstallig loon. Het hof kende een gefixeerde schadevergoeding van drie maanden toe, een transitievergoeding en veroordeelde de Stichting tot het verstrekken van loonstroken en een jaaropgave. Vorderingen voor achterstallig loon en immateriële schade werden afgewezen.
De beschikking van de kantonrechter werd vernietigd en het hoger beroep gedeeltelijk toegewezen. De Stichting werd veroordeeld tot betaling van schadevergoeding, transitievergoeding, proceskosten en het verstrekken van loonadministratie.
Uitkomst: Het hof kwalificeert de overeenkomst als arbeidsovereenkomst, verklaart het ontslag op staande voet onrechtmatig en kent gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding toe.
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.358.137/01
Zaak- en rekestnummer rechtbank : 11543147 RP VERZ 25-50119
Beschikking van 24 maart 2026
in de zaak van
[verzoekster],
wonend in [woonplaats] ,
verzoekster,
advocaat: mr. R.J. Michielsen, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
Stichting Het Andere Bulgarije,
gevestigd in Midden-Delfland,
verweerster,
advocaat: mr. S.A.C. Verzaal, kantoorhoudend in Utrecht.
Het hof noemt partijen hierna [verzoekster] en de Stichting.
1.De zaak in het kort
1.1
In deze procedure strijden partijen, een docente van een weekendschool en de Stichting, allereerst over de vraag of zij een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan of een vrijwilligersovereenkomst. Volgens de kantonrechter was sprake van een vrijwilligersovereenkomst. De docente is het daarmee niet eens.
1.2
Het hof is van oordeel dat de tussen partijen gesloten overeenkomst kwalificeert als een arbeidsovereenkomst, en dat deze overeenkomst is geëindigd door een niet rechtsgeldig ontslag op staande voet.
2.Procesverloop in hoger beroep
2.1
Bij beroepschrift, ter griffie ingekomen op 15 augustus 2025 is [verzoekster] in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 16 mei 2025. De Stichting heeft een verweerschrift ingediend dat op 23 december 2025 is ontvangen ter griffie van het hof.
2.2
Partijen hebben hun standpunten uiteengezet tijdens de mondelinge behandeling op 13 januari 2026. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. Vervolgens is een datum voor de beschikking bepaald.
3.Feitelijke achtergrond
3.1
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Daartegen is niet gegriefd. Samengevat, en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, zijn de relevante feiten de volgende.
a. De Stichting is een in 2021 opgerichte non-profit organisatie, die – blijkens de inschrijving in het register van de Kamer van Koophandel – tot doel heeft de integratie van in Nederland woonachtige Bulgaren te ondersteunen en/of te vergemakkelijken. De Stichting ontvangt subsidie van de gemeente Den Haag. De heer [voorzitter] (hierna: [voorzitter] ) is voorzitter van de Stichting.
De Stichting verzorgt de Bulgaarse weekendschool “ [schoolnaam] ”. De school is geregistreerd op de lijst van “Bulgaarse zondagscholen in het buitenland”, beheerd door het ministerie van Onderwijs en Wetenschap van Bulgarije (hierna: het Ministerie). De Stichting ontvangt hiervoor een tegemoetkoming van het Ministerie. Mevrouw [schoolleider] (hierna: [schoolleider] ) is de schoolleider van de school.
Om voor deze subsidie in aanmerking te komen gelden (in het Nederlands vertaald) onder meer de volgende bepalingen van de Regels voor het verantwoorden van de middelen die zijn toegekend aan organisaties volgens art. 1, lid 1 van besluit nr. 90 van 29.05.2018 voor Bulgaarse zondagscholen in het buitenland voor het schooljaar 2024/2025:
1. Uiterlijk tot 15 oktober 2024 dient via het elektronisch systeem bij het
Ministerie van Onderwijs en Wetenschap (MON) actuele informatie te
worden verstrekt over de activiteiten van de Bulgaarse zondagsschool (…)
Bij de actuele informatie worden de volgende documenten gevoegd:
1.1.
Een overeenkomst met elke persoon die in het schooljaar activiteiten
uitvoert binnen de school, waarin vermeld staan: de looptijd van het
contract, het vak en de klas(sen) waarin les wordt gegeven, de aard van de
werkzaamheden, het jaarlijkse aantal lesuren volgens de goedgekeurde
onderwijsprogramma’s (…) en de vergoeding.
(…)
1.8.
Documenten waaruit blijkt dat de leerkrachten beschikken over een
afgeronde opleiding en kwalificatie “leraar”. (…)
2. Uiterlijk tot 31 juli 2025 dienen via het elektronisch systeem bij het MON de volgende documenten te worden ingediend:
(…)
2.3.
Een samenvattende loonstaat van de uitbetaalde vergoedingen aan alle
betrokkenen binnen de school gedurende het schooljaar (…), waarin per persoon wordt vermeld: de vakken en klassen waarin de docent lesgaf, de activiteiten georganiseerd door de leider van aanvullende schoolactiviteiten, (…), het aantal gewerkte uren per vak en klas, de ontvangen vergoeding voor het gehele schooljaar of voor de periode waarin de persoon werkzaam was, de betaalde sociale verzekeringsbijdragen, en de handtekeningen van de betrokkenen (…)
Het is verplicht om in de loonstaat te verklaren dat alle verschuldigde sociale verzekeringsbijdragen en belastingen met betrekking tot de uitbetaalde vergoedingen zijn betaald. Wanneer de betaling van sociale verzekeringsbijdragen niet door de werkgever verschuldigd is, moet dit feit worden verklaard op basis van ondertekende verklaringen van de betrokkenen, die binnen de school worden bewaard (…)”
Voor de kinderen die deelnemen aan de zondagsschool is een ouderbijdrage verschuldigd.
In een in het Bulgaars opgesteld en door partijen op 13 oktober 2024 ondertekend document, met (blijkens de Nederlandse vertaling) het opschrift “Overeenkomst”, wordt [verzoekster] aangeduid als “werknemer" en staat dat zij in het schooljaar 2024-2025 (van 15 september 2024 tot 15 juni 2025) 150 lesuren dient te verzorgen voor de 4e en 5e klas voor een tarief van € 15,01 per lesuur, dus totaal € 2.251,50. In een ander, grotendeels gelijkluidend, eveneens op 13 oktober 2024 door partijen ondertekend document, staat dat zij in het schooljaar 2024-2025 180 lesuren dient te verzorgen voor de 6e t/m 9e klas, ook tegen een tarief” per lesuur van € 15,01 en dus een totaalbedrag van € 2.701,80. De overeenkomsten bevatten onder meer de volgende bepalingen:
“Artikel 2
De werknemer stemt ermee in om de door de school toegewezen taken uit te voeren volgens de maandelijkse en jaarlijkse verdeling van de lesdagen, evenals activiteiten te verrichten voor de voorbereiding van de lessen en het bijhouden van de schooladministratie.
(…)
Artikel 6
In geval van onenigheid tussen de werknemer en de school wordt de schoolleiding hiervan op de hoogte gebracht en zal deze haar beslissing uitspreken.
(…)
Artikel 10
Deze overeenkomst is opgesteld in overeenstemming met het regelgevingskader en de vereisten van het Bulgaarse ministerie van Onderwijs en Wetenschap op grond van Ministeriele beschikking 90 voor de activiteiten van de Bulgaarse zondagsscholen in het buitenland.”
[verzoekster] heeft geen afschrift van deze overeenkomsten ontvangen.
[verzoekster] heeft vanaf 15 september 2024 les gegeven aan kinderen op " [schoolnaam] ". In september 2024 ging het om 30 te vergoeden uren en in oktober 2024 om 45 uur.
Op 27 oktober 2024 heeft [verzoekster] van de Stichting zes betalingen ontvangen van ieder € 210,00, met als omschrijving: 'Bezoldiging(1 resp. 2,3,4,5,6, hof)- 2024’, volgens vrijwilligersovereenkomst 2024-13’.
In november 2025 heeft [verzoekster] volgens eigen zeggen 51 door de Stichting te betalen uren gewerkt; 6 uren daarvan worden door de Stichting betwist, evenals de door [verzoekster] over december 2024 opgevoerde 15 uren.
i. Op 7 december 2024 heeft de schoolleider meegedeeld dat drie kinderen uit de klas van [verzoekster] geen lessen meer mochten volgen omdat hun ouders de ouderbijdrage niet hadden betaald. [verzoekster] was het hiermee niet eens. Het leidde tot een woordenwisseling tussen [verzoekster] en [voorzitter] bij de ingang van het schoolgebouw, waarbij [verzoekster] zich ook heeft beklaagd over achterstallige betalingen.
Op 8 december 2024 deelde [verzoekster] aan de schoolleider mee, dat zij – als zij niet voor aanvang van de lessen haar arbeidsovereenkomst en achterstallig loon had ontvangen – het klaslokaal niet zou betreden.
Toen niet aan deze voorwaarde werd voldaan, heeft [verzoekster] om 11:30 uur aan de ouders van de kinderen van de school een Whatsapp gestuurd (vertaald in het Nederlands):
“Ik wil u graag informeren dat ik, ondanks dat u mij buiten het schoolgebouw heeft gezien niet met de kinderen de klas in zal gaan.
De redenen voor mijn moeilijke beslissing zijn als volgt
1. De onacceptabele behandeling door de schoolleiding van kinderen van ouders die geen schoolgeld hebben betaald en de dreiging van Mr. [voorzitter] dat ik niet de juiste kant heb gekozen. In mijn menselijke en educatieve filosofie is er geen plaats voor oorlog tussen leraren en ouders, maar voor een gemeenschappelijke visie en een humane omgeving waarin kinderen individuen zijn en waardigheid hebben.
2. Mijn onbetaalde salarissen en onkosten voor maanden.”
Op verzoek van een van de ouders heeft [verzoekster] op 8 december 2024 aan het einde van de middag afscheid genomen van de kinderen.
Bij mail van 11 december 2024 aan de Stichting heeft [verzoekster] kopieën van de hierboven onder e) genoemde overeenkomsten gevraagd.
Op 13 december 2024 heeft de Stichting de gevraagde kopieën verstrekt, alsmede een gescande kopie van een door de Stichting, maar niet door [verzoekster] getekend document met het opschrift (uit het Bulgaars vertaald) “Vrijwilligersovereenkomst 2024-13”. In de aanhef van dit laatste document wordt [verzoekster] aangeduid als “vrijwilliger”. De vrijwilligersovereenkomst kent onder meer de volgende bepalingen:
“Artikel 1
Van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 stemt de werknemer ermee in
onderwijsactiviteiten te verrichten.
Artikel 2
De vrijwilliger is bereid voor het verrichten van de activiteiten in principe volgens een door de school op te stellen en aan de vrijwilliger uit te reiken tijdsrooster per maand beschikbaar te zijn.
Artikel 3
De maximale bezoldiging van het personeelslid voor de periode van het contract wordt bepaald door de belastingdienst voor de aangegeven periode.
De organisatie heeft een proefperiode om een idee te krijgen van de samenwerking van beide zijden. De proeftijd duurt één maand. Aan het einde van de proefperiode vindt een evaluatievergadering plaats tussen de organisatie en de vrijwilliger. Na deze evaluatie zal worden besloten of beide partijen de samenwerking moeten voortzetten.
(…)
Artikel 9
In geval van voornemen om de overeenkomst te beëindigen, verbindt de werknemer zich ertoe dit binnen een maand te melden. (…)
De vrijwilliger neemt bij het beëindigen van deze overeenkomst in principe een termijn van 1 maand in acht Wanneer door het aanvaarden van een betaalde baan daaraan niet kan worden voldaan, dient de vrijwilliger het werk zorgvuldig over te dragen, dan wel af te ronden.”
Bij email van eveneens 13 december 2024 heeft de schoolleider van [schoolnaam] het volgende aan [verzoekster] meegedeeld:
'Na een zorgvuldig onderzoek naar uw gedrag en de uitvoering van uw professionele taken, informeren wij u dat het bestuur van de Bulgaarse zondagschool " [schoolnaam] ", [plaats] heeft besloten uw arbeidsovereenkomst te beëindigen op grond van ernstige schendingen van de arbeidsdiscipline en de beroepsethiek.
De ondervermelde handelingen zijn overtredingen die dit besluit rechtvaardigen:
1. Stopzetten van de lessen en verlaten van de klas en stopzetten van het leerproces (… 2.ontbreekt, hof )
3. In diskrediet brengen van de school: Publiekelijk valse beweringen en beschuldigingen verspreiden ten aanzien van het schoolbestuur en de administratie, wat de goede naam van de instelling bedreigt.
4. Niet professioneel gedrag: Schending van ethische normen door de ouders en leerlingen te betrekken bij administratieve zaken die hen niet aangaan, en door een respectloze houding aan te nemen ten opzichte van schoolleiding en collega’s.
5. Het niet nakomen van werkverplichtingen: Aanvullend willen wij opmerken dat u de verantwoordelijkheid op u heeft genomen voor het schrijven en organiseren van het scenario voor het kerstfeest op school. Dit evenement speelt een sleutelrol in onze schoolgemeenschap en brengt ouders, leerlingen en de hele Bulgaarse gemeenschap samen. (…)
Op grond van het bovenvermelde wordt uw arbeidsovereenkomst met de Bulgaarse zondagschool “ [schoolnaam] ”’ [plaats] per 13-12-2024 met onmiddellijke ingang opgezegd. (...)”
Op 18 december 2024 heeft de schoolleider een e-mail aan [verzoekster] gestuurd met als onderwerp “Bevestiging ontslag op staande voet”, waarin zij het ontslag op staande voet van 13 december 2024 nogmaals bevestigde. In die e-mail staat onder meer het volgende:
“Met deze e-mail bevestig ik officieel uw ontslag op staande voet uit de functie van leraar aan de Bulgaarse School " [schoolnaam] " [plaats], met ingang van 13 december van dit jaar.
De redenen die tot uw ontslag op staande voet hebben geleid worden nauwkeurig beschreven in de e-mail van 13-12-2024.
1. (…)
2.Onrechtmatige financiële vorderingen: U stuurt declaraties met verhoogde en valse getallen van gewerkte uren die niet overeenkomen met de werkelijkheid, waaronder:
o een vordering voor 6 extra uur in het kader van een project, dat een initiatief van u was, zijnde een filmvertoning op 23.11.
o uw urendeclaratie voor de maand december komt absoluut niet overeen met de daadwerkelijk gewerkte uren. (…)
o de uren voor een kerstfeestscenario, voor deelname aan wedstrijden, voor de facebookpagina en andere, zijnde standaardverplichtingen van de leerkrachten.
Wij willen opmerken dat wij, bij de Bulgaarse school “ [schoolnaam] ", betalingen verrichten voor de daadwerkelijk gewerkte uren en voor de uren die aan u zijn toegewezen op grond van een overeenkomst. Wij herinneren u eraan dat u volgens de overeenkomst lessen dient te verzorgen als volgt:
• 4 lesuren per lesdag in de Bulgaarse taal en literatuur voor de klassen 4, 5, 6, 7, 8 en 9
• 1 lesuur Geschiedenis en 1 lesuur Aardrijkskunde voor de klassen 6, 7, 8 en 9.
4.Reiskosten:Wij herinneren u eraan dat er in de arbeidsovereenkomst geen clausule is opgenomen voor de betaling van reiskosten door de werkgever.
(…)
Ik wil u meedelen dat er al een nieuwe leerkracht in uw plaats is aangesteld en dat de ouders op de hoogte zijn gesteld. (…)”
[verzoekster] reageert hierop per email van 19 december 2024. Zij schreef onder meer:
“(…) Ik zal mijn arbeidsrelatie pas als beëindigd beschouwen na ontvangst van een besluit hierover. Ik hoop dat dit u is uitgelegd tijdens het overleg met het [Bulgaarse] Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen! (…)”
Bij brief van 20 december 2024 met als opschrift “Kennisgeving” schreef de Stichting aan [verzoekster] :
“Bij deze informeren wij u dat uw vrijwilligerscontract bij de organisatie "Het Andere Bulgarije", dat afloopt op 31 december 2024, niet verlengd zal worden. Dit besluit van de Raad van Bestuur van de organisatie, onder leiding van voorzitter Levent [voorzitter] , is gebaseerd op serieuze beschuldigingen van ongepast gedrag van uw kant, die in strijd zijn met de principes en belangen van de organisatie.
De belangrijkste redenen voor dit besluit zijn als volgt:
1. Schadelijke invloed op de reputatie van de organisatie en haar leden:
(…)
2. Schending van vertrouwelijkheid
(…)
3. Onrechtmatige handelingen tegen de organisatie:
(…)
4. Kwaadwillige handelingen tegen de organisatie:
(…)
Op basis van het bovenstaande zal uw contract niet worden verlengd en zult u na 31 december 2024 geen officiële of informele betrekkingen meer hebben met de organisatie "Het Andere Bulgarije", inclusief de Bulgaarse School " [schoolnaam] ", die onder haar leiding functioneert.
Dit kennisgeving is bedoeld om u te informeren over de beëindiging van onze samenwerking en u eraan te herinneren dat u na het verstrijken van het contract dient af te zien van handelingen die de organisatie, haar leden en deelnemers schade kunnen berokkenen.”
Op 29 december 2024 heeft de Stichting een bedrag van € 540,- aan [verzoekster] betaald onder vermelding van “bezoldiging 9 t/m 12-2024, volgens vrijwilligersovereenkomst 2024-13”. In totaal heeft [verzoekster] € 1.800,- van de Stichting ontvangen.
Bij brief van 14 februari 2025 van haar advocaat heeft [verzoekster] bezwaar gemaakt tegen het gegeven ontslag op staande voet, wegens het ontbreken van een dringende reden. Zij gaf aan dat zij wilde berusten in het ontslag, maar aanspraak maakte op de gefixeerde vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een aantal nevenvorderingen.
4.Procedure bij de rechtbank
4.1
Bij verzoekschrift van 12 februari 2025 heeft [verzoekster] de kantonrechter verzocht de Stichting te veroordelen
- tot betaling van:
€ 4.898,32 bruto aan gefixeerde schadevergoeding;
€ 1.700,90 bruto aan achterstallig loon;
€ 2.000,- netto aan immateriële schadevergoeding;
€ 76,50 bruto aan transitievergoeding;
e.e.a. vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum verzoek
- om aan [verzoekster] binnen 14 dagen een deugdelijke bruto/nettoloonspecificatie te verstrekken, op straffe van een dwangsom;
met veroordeling van de Stichting in de proceskosten.
4.2
[verzoekster] heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst heeft bestaan en dat de Stichting haar ten onrechte op staande voet heeft ontslagen. Verder is de Stichting haar betalingsverplichtingen uit de overeenkomst niet nagekomen. [verzoekster] berust in het einde van de arbeidsovereenkomst, maar maakt naast achterstallig salaris aanspraak op diverse vergoedingen.
4.3
De kantonrechter heeft het verzoek van [verzoekster] afgewezen, omdat zij van oordeel was dat de overeenkomst tussen partijen niet is te kwalificeren als een arbeidsovereenkomst, maar kwalificeert als een vrijwilligersovereenkomst. Zij heeft daartoe niet alleen gekeken naar de rechten en verplichtingen die partijen bij het aangaan van de overeenkomst voor ogen stonden, maar ook naar de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan de overeenkomst. [verzoekster] heeft de lezing van de Stichting dat partijen een samenwerking op basis van vrijwilligheid zijn aangegaan, waarbij voor de vergoeding zoveel mogelijk zou worden aangesloten bij de door de Belastingdienst vrijgestelde vrijwilligersvergoeding, onvoldoende weersproken. Verder is niet gebleken van een gezagsverhouding als bedoeld in artikel 7:610 BWPro. Dit betekent, aldus de kantonrechter, dat de voor werknemers geldende bepalingen van het arbeidsrecht niet gelden tussen partijen. [verzoekster] heeft alle vergoedingen ontvangen waarop zij op basis van de vrijwilligersovereenkomst aanspraak kon maken.
5.Verzoek in hoger beroep
5.1
[verzoekster] verzoekt in hoger beroep – zakelijk weergegeven – de beschikking te vernietigen en haar inleidende verzoeken alsnog toe te wijzen. Ter zitting bij het hof heeft [verzoekster] haar vordering aan achterstallig loon verminderd met een bedrag van € 305,90 netto. Zij vordert nu nog € 1.395,- bruto.
5.2
Kort gezegd zien de bezwaren van [verzoekster] op het volgende: de kantonrechter heeft ten onrechte overwogen dat het verzoekschrift is ingekomen op 17 februari 2025, daar het op 12 februari 2025 – dus tijdig – bij de rechtbank was ingediend (grief 1); de kantonrechter heeft ten onrechte overwogen dat [verzoekster] niet heeft voldaan aan haar stelplicht dat de rechtsverhouding tussen partijen is te kwalificeren als een arbeidsovereenkomst (grief 2); de kantonrechter heeft ten onrechte overwogen dat [verzoekster] de lezing van de Stichting dat sprake was van een vrijwilligersovereenkomst onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken (grief 3 en 4); de kantonrechter heeft ten onrechte overwogen dat niet is gebleken van een gezagsverhouding als bedoeld in art. 7:610 BWPro (grief 5) en dat de overeenkomst tussen partijen dus niet is te kwalificeren als een arbeidsovereenkomst (grief 6).
6.Beoordeling in hoger beroep
Partijen strijden in de eerste plaats over de aard van de (arbeids)relatie die tussen hen heeft bestaan. [verzoekster] stelt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, volgens de Stichting heeft [verzoekster] vrijwilligerswerk verricht voor de school.
Hoe is de tussen partijen bestaand hebbende overeenkomst te kwalificeren?
6.1
Art. 7:610 BWPro omschrift de arbeidsovereenkomst als de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Indien de inhoud van een overeenkomst voldoet aan deze omschrijving, moet de overeenkomst worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. Niet van belang is of partijen ook daadwerkelijk de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling te laten vallen. Waar het om gaat, is of de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst. Dat [verzoekster] wist dat de Stichting alleen werkte met zogenoemde vrijwilligers is daarom niet van belang. Het gaat erom of de overeenkomst voldeed aan de beschrijving van een arbeidsovereenkomst als hiervoor weergegeven. Als dat het geval is, dan moet de overeenkomst worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst.
6.2
De kwalificatie van een overeenkomst moet worden onderscheiden van de – daaraan voorafgaande – vraag welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Die vraag dient te worden beantwoord aan de hand van de Haviltexmaatstaf (zie Hoge Raad 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1745).
6.3
Omdat [verzoekster] haar verzoeken baseert op de volgens haar bestaand hebbende (arbeids)overeenkomst, rust ingevolge het bepaalde in art. 150 RvPro op haar de bewijslast ten aanzien van de rechten en verplichtingen die partijen met elkaar zijn aangegaan.
6.4
[verzoekster] heeft zich daarbij in de eerste plaats beroepen op de door partijen op 13 oktober 2024 ondertekende overeenkomsten. Deze overeenkomsten zijn aan te merken als akten in de zin van art. 156 RvPro en leveren dus – zo volgt uit art. 157 RvPro – tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van in die akten opgenomen verklaring. Het hof is dus verplicht de inhoud van die akten als waar aan te nemen, zij het dat tegenbewijs open staat (art. 151 RvPro).
6.5
Dit betekent dat het hof voorshands voor waar aanneemt dat [verzoekster] zich in twee verschillende overeenkomsten gebonden heeft om, op basis van een arbeidsovereenkomst in het schooljaar 2024/2025 als leraar door de school toegewezen taken en leeractiviteiten uit te voeren, gedurende 5 lesuren per dag (in totaal 330 lesuur) tegen een tarief van € 15,01 per uur. Dit alles in het kader van de regelgeving voor Bulgaarse zondagscholen van het Bulgaarse ministerie van Onderwijs en Wetenschap.
6.6
De Stichting heeft hier tegenin gebracht dat zij een vrijwilligersorganisatie is, en dat behoudens de schoolleider niemand bij haar in dienst is. De (circa 10) vrijwilligers ontvangen een (onkosten)vergoeding zoals deze is toegestaan volgens de regels van de Nederlandse overheid voor vrijwilligers en vrijwilligersorganisaties. Voor de uren die voor vergoeding in aanmerking komen is een vrijwilligers/onkostenvergoeding van € 15,01 per uur afgesproken, en met betrekking tot het aantal uren is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de door de Belastingdienst vrijgestelde vergoeding van € 2.100,- per jaar. De overeenkomst van 13 oktober 2024 was louter nodig voor de financieringsaanvraag bij het Ministerie. De Stichting heeft daarom aan [verzoekster] een vrijwilligersovereenkomst verstrekt. De Stichting benadrukt verder dat partijen een Bulgaarse achtergrond hebben en de Nederlandse taal niet goed machtig zijn, hierdoor is wellicht onjuist gebruik gemaakt van woorden als werknemer, arbeidsovereenkomst en ontslag, maar dat doet volgens haar niet af aan de werkelijke situatie. Andere Bulgaarse zondagscholen in Nederland werken op dezelfde manier.
6.7
Naar het oordeel van het hof heeft de Stichting met haar verweer de afspraken die volgen uit de overeenkomsten van 13 oktober 2024 niet ontkracht. Uit deze overeenkomsten blijkt dat van vrijwilligerswerk geen sprake is, maar van werkzaamheden tegen een overeengekomen tarief van € 15,01 per uur. De Stichting heeft niets gesteld dat erop duidt dat het overeengekomen tarief daadwerkelijk is aan te merken als een onkostenvergoeding. Dat [verzoekster] onkosten heeft gehad tot een bedrag dat maar enigszins in de richting komt van de betaalde vergoeding is niet gebleken. Anders dan de Stichting meent is de betaalde vergoeding in redelijkheid ook niet aan te merken als een vrijwilligersvergoeding. De overeengekomen vergoeding is immers substantieel hoger dan de door de Belastingdienst vrijgestelde vergoeding voor vrijwilligers van (in 2024) maximaal € 5,50 per uur, € 210,- per maand (en – als de overeenkomst niet voortijdig zou zijn beëindigd) € 2.100,- per jaar. Het hof stelt vast dat de vergoeding zelfs hoger is dan het in 2024 geldende bruto minimum uurloon (€ 13,68). Het is het hof bovendien opgevallen dat de Stichting zelf bij de uitbetaling van de vergoeding, hieraan de benaming “bezoldiging” heeft gegeven. Daarom moet het hof ervan uitgaan dat geen sprake was van vrijwilligerswerk, maar van werkzaamheden tegen een (overeengekomen) beloning (van € 15,01 per uur).
6.8
Als geen sprake is van vrijwilligerswerk, maar van arbeid tegen beloning, blijft vervolgens in beginsel de vraag hoe de overeenkomsten tussen partijen dan wel zijn te duiden, als arbeidsovereenkomsten of anderszins (overeenkomst van opdracht).
6.9
Nu vaststaat dat geen van partijen de overeenkomst heeft aangeduid als overeenkomst van opdracht, niets erop wijst dat [verzoekster] zich in het economisch verkeer gedraagt of heeft gedragen als ondernemer, verder duidelijk sprake is van een instructierecht van de Stichting en de werkzaamheden van [verzoekster] een wezenlijk onderdeel vormen van de weekendschool die werkt volgens de regels van het Bulgaarse ministerie van onderwijs, is ook sprake van een gezagsverhouding. De Stichting ging overigens zelf ook uit van een arbeidsovereenkomst, blijkens het gegeven ontslag op staande voet. Aangenomen moet dus worden dat [verzoekster] werkzaam is geweest op basis van een arbeidsovereenkomst. Dit betekent dat het hof de hiermee samenhangende verzoeken in eerste aanleg opnieuw zal moeten beoordelen.
Heeft [verzoekster] op 7 december 2024 zelf ontslag genomen?
6.1
De Stichting meent dat – als van een arbeidsovereenkomst moet worden uitgegaan – [verzoekster] op 7 december 2024 zelf ontslag heeft genomen. Zij heeft immers op die dag haar spullen gepakt en heeft de school verlaten nadat zij tegen [voorzitter] en [schoolleider] had aangegeven geen minuut meer voor de school te willen werken. Het is dus niet de Stichting geweest die [verzoekster] heeft ontslagen, maar het is [verzoekster] zelf geweest die de samenwerking heeft beëindigd. Zij heeft ook de ouders van de kinderen duidelijk gemaakt dat zij geen lessen meer zou geven en zij heeft op 8 december 2024 afscheid genomen van de kinderen. De Stichting biedt hiervan bewijs aan.
6.11
Het hof overweegt dat ook als een en ander is gegaan zoals door de Stichting gesteld, geen sprake is van een ondubbelzinnige ontslagname door [verzoekster] . [verzoekster] stelt dat zij haar werkzaamheden slechts heeft willen opschorten totdat zij correct zou zijn betaald. Dat de Stichting de uitlatingen van [verzoekster] wel als een ondubbelzinnige ontslagname heeft opgevat, is verder ook niet aannemelijk geworden: als dit het geval zou zijn zou het (door de Stichting meermaals bevestigde) ontslag op staande voet ook niet nodig zijn geweest. De Stichting had dan kunnen volstaan met een bevestiging aan [verzoekster] dat zij had begrepen dat [verzoekster] ontslag wenste te nemen en haar te wijzen op de consequenties hiervan. Stichting heeft dat echter niet gedaan. Dit betekent dat het hof de Stichting niet volgt in haar stelling dat [verzoekster] zelf ontslag heeft genomen. Bij gebreke van stellingen die – indien bewezen – tot een ander oordeel zouden leiden, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.
Rechtsgeldig ontslag op staande voet?
6.12
Daarmee komt het hof toe aan de vraag of de Stichting [verzoekster] op 13 december 2024 rechtsgeldig heeft ontslagen. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.
6.13
Voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet is een dringende reden vereist die het direct, zonder opzegtermijn, beëindigen van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt. Het ontslag moet verder onverwijld worden gegeven en de reden moet direct aan de werknemer worden medegedeeld.
6.14
De redenen die de Stichting in haar e-mail van 13 december 2025 heeft gegeven zijn:
het stopzetten van de lessen;
het publiekelijk in diskrediet brengen van de school;
onprofessioneel gedrag, respectloze houding ten aanzien van schoolleiding en collega’s;
het niet nakomen van de verplichting een scenario voor een kerstfeest op school te organiseren.
6.15
Naar het oordeel is van een dringende reden, die een beëindiging van de arbeidsovereenkomst zonder inachtneming van een opzegtermijn rechtvaardigt, geen sprake.
6.16
Ten aanzien van de eerst genoemde reden geldt dat [verzoekster] de lessen heeft gestaakt/opgeschort omdat zij niet overeenkomstig haar arbeidsovereenkomst werd betaald. Hoewel [verzoekster] had kunnen kiezen voor een minder escalerende benadering, moet worden vastgesteld dat de Stichting niet aan haar (loonbetalings)verplichtingen richting [verzoekster] (over november 2024) had voldaan, in verband waarmee [verzoekster] haar verbintenissen uit de arbeidsovereenkomst mocht opschorten. Dit kan daarom geen dringende reden vormen.
6.17
Ten aanzien van de 2e dringende reden geldt dat de school onvoldoende heeft toegelicht dat en hoe [verzoekster] de school in diskrediet heeft gebracht/publiekelijk valse beweringen en beschuldigingen heeft verspreid ten aanzien van het schoolbestuur en de administratie, waardoor de goede naam van de instelling is bedreigd. Dit klemt te meer, omdat het moet gaan om gebeurtenissen die dateren van voor het ontslag op staande voet. De omstandigheid dat [verzoekster] naar aanleiding van dit geschil diverse instanties en journalisten heeft aangeschreven over de kwestie, kan daarom niet als een dringende reden gelden.
6.18
De Stichting heeft ook niet nader heeft toegelicht waarop het verwijt van niet professioneel gedrag (de 3e aangevoerde dringende reden) concreet ziet. De omstandigheid dat [verzoekster] en de Stichting fundamenteel van inzicht verschilden over de wijze waarop de school functioneerde en zou moeten functioneren, maakt het verwijt van een respectloze houding ten opzichte van schoolleiding en collega’s niet terecht.
6.19
Ten aanzien van de 4e aangevoerde reden geldt dat voor zover moet worden geoordeeld dat [verzoekster] haar naar het hof begrijpt vrijwillig (volgens de Stichting heeft ze immers geen recht op betaling over die uren) op zich genomen verantwoordelijkheid voor het schrijven en organiseren van het scenario voor het kerstfeest op school niet (tijdig) is nagekomen, dit evenmin een dringende reden vormt. Dit geldt te meer daar de Stichting niet heeft gesteld, hoe de met [verzoekster] gemaakte afspraken volgens haar dan precies luidden, zodat evenmin valt vast te stellen op welke wijze [verzoekster] deze heeft geschonden. Bovendien heeft [verzoekster] verklaard dat zij op 7 december 2024 het script verder zou uitwerken, maar dat gezien hetgeen zich op 7 en 8 december 2024 heeft afgespeeld, er geen draagvlak meer was om deze werkzaamheden te continueren.
6.2
Bovendien is het ontslag naar het zich laat aanzien niet onverwijld gegeven, want immers pas op 13 december 2024, terwijl het incident dateert van 7/8 december 2024. De reden voor het ontslag is ook pas op 13 december 2024 aan [verzoekster] medegedeeld. Enige verklaring die deze vertraging rechtvaardigt is niet door de Stichting gegeven.
6.21
Dit betekent dat geen sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet.
Gefixeerde schadevergoeding
6.22
[verzoekster] kan daarom zoals verzocht aanspraak maken op de gefixeerde schadevergoeding van artikel 7:677, lid 4 BW. Wel ziet het hof in de omstandigheden van het geval aanleiding deze vergoeding te matigen tot drie maanden. Het hof heeft daarbij het oog op de relatief kort tijd dat het dienstverband heeft geduurd, alsmede de financiële situatie van de Stichting.
6.23
Voor de berekening van het loon over drie maanden, gaat het hof – in navolging van [verzoekster] – uit van een maandloon van € 810,- bruto, nu dit loon (en de door [verzoekster] gestelde mondelinge overeengekomen derde arbeidsovereenkomst voor 120 uur) door de Stichting niet gemotiveerd is weersproken. Dit betekent dat het hof een bedrag van € 2.430,- bruto aan gefixeerde schadevergoeding zal toekennen.
Transitievergoeding
6.24
[verzoekster] heeft verzocht om toekenning van een transitievergoeding van € 76,50 bruto. Tegen de toekenning van deze vergoeding heeft de Stichting geen bezwaar gemaakt, anders dan voortvloeiende uit haar andere verweren dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, en als dit al zo zou zijn het [verzoekster] zelf is die ontslag heeft genomen. Dit betekent dat de transitievergoeding toewijsbaar is.
Achterstallig loon?
6.25
[verzoekster] verzoekt om de Stichting te veroordelen tot nabetaling van volgens haar gewerkte, maar door de Stichting niet betaalde uren. Het gaat daarbij om zes lesuren in november 2024 en 15 uur in december 2025 aan te merken als overuren alsmede om nabetaling van reiskostenvergoeding.
6.26
[verzoekster] stelt dat zij op 23 november 2024 zes uur extra heeft gewerkt, dus naast haar gewone lesuren, om de uren in de week erna waarin zij op reis was naar Italië en dus niet kon werken, te compenseren. Dit alles zou gebeurd zijn met toestemming van de schoolleiding. De Stichting betwist dat dit het geval was. Nu de Stichting de stelling van [verzoekster] weerspreekt en [verzoekster] ter zitting heeft aangegeven dat zij – met het oog op de kosten – afziet van getuigenbewijs, is niet komen vast te staan dat [verzoekster] deze uren in opdracht van de Stichting heeft gewerkt. Het met deze zes uren gemoeide bedrag van € 90,- kan daarom niet worden toegewezen.
6.27
Iets soortgelijks geldt voor de uren die [verzoekster] naar eigen zeggen heeft gewerkt in de maand december 2024. [verzoekster] stelt dat zij deze uren heeft gewerkt aan het kerstscenario. De Stichting weerspreekt dat zij [verzoekster] hierom had verzocht: volgens de Stichting wilde [verzoekster] zelf kerstscenario’s ontwikkelen, maar door het incident van begin december is hiervan niets gekomen. Daarnaast wijst de Stichting erop dat [verzoekster] de uren die zij zou hebben gewerkt op 14 december 2024, eerder heeft opgevoerd als in november 2024 gewerkte uren. Nu de Stichting de stelling van [verzoekster] gemotiveerd heeft weersproken, terwijl [verzoekster] ter zitting heeft aangegeven dat zij – met het oog op de kosten – afziet van getuigenbewijs op dit punt zijn deze uren (15 maal € 15,- = € 225,-) niet toewijsbaar. [verzoekster] heeft daarnaast weliswaar gesteld dat zij mogelijk door overlegging van nadere stukken (WhatsApp-conversatie) bewijs kan leveren, maar hiervoor is het te laat. Dit had zij bij haar beroepschrift of in ieder geval uiterlijk ten behoeve van de mondelinge behandeling moeten doen.
6.28
Verder heeft [verzoekster] 76 uur aan overwerk gevorderd. Zij heeft echter niet, althans onvoldoende onderbouwd, gesteld dat de Stichting opdracht heeft gegeven tot dit overwerk. Volgens de Stichting is van een opdracht tot overwerk nooit sprake geweest. Dit betekent dat het door haar gevorderde bedrag aan overwerk (76 maal € 15,-) niet voor vergoeding in aanmerking komt.
Immateriële schadevergoeding/ billijke vergoeding
6.29
[verzoekster] heeft verzocht de Stichting te veroordelen tot betaling aan haar van een immateriële schadevergoeding van € 2.000,- op basis van art. 6:106 sub b BWPro. Zij stelt daartoe dat zij zich door de volstrekt onterechte aantijgingen ernstig in haar goede naam en eer aangetast voelt. De uitstekende reputatie die zij heeft binnen de Bulgaarse onderwijswereld op universitair niveau, zou door die aantijgingen ernstig zijn geschaad.
6.3
De Stichting is van mening dat [verzoekster] geen aanspraak kan maken op immateriële schadevergoeding, omdat zij niet heeft onderbouwd, laat staat bewezen, dat zij door handelen van de Stichting schade heeft geleden en waaruit de door haar geleden schade dan wel bestaat.
6.31
Het hof ziet voor een immateriële schadevergoeding als door [verzoekster] verzocht geen grond, omdat niet valt in te zien, dat en op welke wijze [verzoekster] in haar eer en goede naam is aangetast door uitlatingen van de Stichting. Dat haar reputatie binnen de Bulgaarse onderwijswereld daadwerkelijk is geschaad heeft zij op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Een enkel gevoel is niet voldoende.
6.32
Voor zover [verzoekster] heeft bedoeld aanspraak te maken op genoemd bedrag bij wijze van billijke vergoeding, overweegt het hof dat de omstandigheid dat het aan [verzoekster] verleende ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, betekent dat de Stichting ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. [verzoekster] kan op basis daarvan in beginsel aanspraak maken op billijke vergoeding als bedoeld in art. 7:671b, lid 9 BW. In de omstandigheden van het geval, met name de korte duur van het dienstverband, het recht op gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding, ziet het hof echter aanleiding de billijke vergoeding te bepalen op nihil.
Loonspecificaties
6.33
Tenslotte verzoek [verzoekster] de Stichting te veroordelen deugdelijke bruto/netto-specificaties te verstrekken met betrekking tot de betalingen uit de arbeidsovereenkomst, alsmede een jaaropgave over 2024. Deze verzoeken zijn toewijsbaar en zullen – zoals verzocht – worden versterkt met een dwangsom.
Conclusie en proceskosten
6.34
De conclusie is dat het hoger beroep van [verzoekster] gedeeltelijk slaagt. Daarom zal het hof de beschikking vernietigen en de inleidende verzoeken tot toekenning van een gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding en verstrekking van een deugdelijke bruto/netto-specificatie alsnog toewijzen. Het hof zal de Stichting als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van zowel de eerste aanleg als van het hoger beroep.
6.35
Die proceskosten worden begroot op:
in eerste aanleg
griffierecht € 257,-
salaris advocaat € 814,-
nakosten € 178,-
Totaal € 1.249,-
in hoger beroep
griffierecht € 362,-
salaris advocaat € 2.580,- (2 punten × tarief II)
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.131,-
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing .
7.Beslissing
Het hof:
- vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 16 mei 2025;
en opnieuw rechtdoende:
- veroordeelt de Stichting tot betaling aan [verzoekster] van een bedrag van € 2.430,- bruto aan gefixeerde schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 12 februari 2025;
- veroordeelt de Stichting tot betaling aan [verzoekster] van een bedrag van € 76,50 bruto aan transitievergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 12 februari 2025;
- veroordeelt de Stichting binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking een deugdelijke bruto/netto-specificatie te verstrekken met betrekking tot de betalingen voortvloeiend uit het dienstverband, alsmede een jaaropgave over 2024, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 50,- per dag dat de Stichting hiermee in gebreke blijft, gemaximeerd tot € 2.500,-;
veroordeelt de Stichting in de kosten van de procedure bij de kantonrechter, aan de zijde van [verzoekster] tot op 16 mei 2025 begroot op € 1.249,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als de Stichting deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
veroordeelt de Stichting in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [verzoekster] begroot op € 3.131,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als de Stichting deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
bepaalt dat als de Stichting niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en deze vervolgens wordt betekend, de Stichting de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als de Stichting deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat in hoger beroep meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.J. van der Ven, M.D. Ruizeveld en A.J.P. van Beurden en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.