ECLI:NL:GHDHA:2026:363

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
200.346.535/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.1.2 cao primair onderwijs
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd na voortzetting na bepaalde tijd

In deze zaak stond centraal of tussen verzoekster en Yunus Emre een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met uitzicht op onbepaalde tijd was overeengekomen en of de arbeidsovereenkomst per 1 augustus 2023 was geëindigd. Het hof oordeelde dat verzoekster voldoende had aangetoond dat per 1 augustus 2020 een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met uitzicht op onbepaalde tijd was gesloten, zoals bedoeld in artikel 3.1.2 van de cao voor het primair onderwijs.

Yunus Emre had de mogelijkheid tot tegenbewijs gekregen om aan te tonen dat verzoekster slechts tijdelijk werkzaam was, maar zag hiervan af. Hierdoor stond vast dat de cao van toepassing was en dat na afloop van de eerste bepaalde tijdsovereenkomst op 1 augustus 2021 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd was ontstaan. De stelling van Yunus Emre dat de arbeidsovereenkomst per 31 juli 2023 was geëindigd, faalde.

Verzoekster had een verzoek tot heroverweging ingediend tegen het oordeel dat haar beroep op dwaling niet slaagde wegens het ontbreken van een kenbaarheidsvereiste en onvoldoende bewijsaanbod. Het hof wees dit verzoek af omdat er geen evidente feitelijke of juridische misslag was en het bewijsaanbod niet voldeed aan de eisen in hoger beroep.

De proceskosten werden verdeeld waarbij verzoekster in principaal beroep werd veroordeeld tot betaling van de kosten aan Yunus Emre en Yunus Emre in incidenteel beroep tot betaling van de kosten aan verzoekster. Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter van 26 januari 2024 en wees het meer of anders verzochte af.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat na voortzetting na bepaalde tijd een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan en wijst het verzoek tot heroverweging af.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.346.535/01
Zaaknummer rechtbank : 107337 / RP VERZ 23-50579
beschikking van 17 maart 2026
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in principaal beroep,
verweerster in incidenteel beroep,
advocaat: mr. P.A. van Lange te Rotterdam,
tegen
Islamitische Stichting Nederland voor Onderwijs en Opvoeding-ISNO, Yunus Emre Den Haag,
gevestigd te Den Haag,
verweerster in principaal beroep,
verzoekster in incidenteel beroep,
advocaat: mr. I.O.D.V. Wetzels te Breda.
Het hof zal partijen hierna wederom [verzoekster] en Yunus Emre noemen.

1.Het vervolg van deze zaak in het kort

1.1
In deze zaak is een tussenbeschikking gewezen op 18 november 2025 (hierna: de tussenbeschikking). Daarin is Yunus Emre toegelaten tot tegenbewijs ter ontzenuwing van het voorshands geleverde bewijs dat met [verzoekster] per 1 augustus 2020 een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met uitzicht op een overeenkomst voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 3.1.2 cao voor het primair onderwijs (hierna: de cao) is overeengekomen. Yunus Emre heeft afgezien van het leveren van tegenbewijs. Het hof dient te beoordelen welk gevolg daaraan verbonden moet worden.
1.2
[verzoekster] heeft een verzoek gedaan tot heroverweging van de beslissing opgenomen in rov 5.27 van de tussenbeschikking. Yunus Emre verzet zich daartegen. In deze beschikking geeft het hof zijn beslissing op dit verzoek.

2.2 Het verdere procesverloop in hoger beroep

2.1
Voor het verloop van de procedure in hoger beroep tot dan toe verwijst het hof naar de tussenbeschikking. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
- het bericht van mr. Wetzels van 31 december 2025, waarin Yunus Emre laat weten af te zien van de haar in de tussenbeschikking geboden mogelijkheid het horen van getuigen;
- het V6-formulier van 3 februari 2026 met bijgevoegd een akte uitlating van [verzoekster] ;
- het V6-formulier van 23 februari 2026 met bijgevoegd een akte uitlating van Yunus Emre.

3.De verdere beoordeling van het hoger beroep

duur arbeidsovereenkomst
3.1
Ter beoordeling staan in de eerste plaats de incidentele grieven die aan de orde stellen of de arbeidsovereenkomst tussen [verzoekster] en Yunus Emre al dan niet per 1 augustus 2023 is geëindigd.
3.2
In de tussenbeschikking heeft het hof geoordeeld dat [verzoekster] vooralsnog voldoende heeft aangetoond dat per 1 augustus 2020 met haar een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met uitzicht op een overeenkomst voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 3.1.2 cao tot stand is gekomen. Yunus Emre heeft daar tegenin gebracht dat [verzoekster] werkzaam was ter voorziening in vacatures van (kennelijk) tijdelijke aard. Het hof heeft Yunus Emre toegelaten tot tegenbewijs, ter ontzenuwing van het door [verzoekster] voorshands geleverde bewijs (rov 5.15).
3.3
Yunus Emre heeft afgezien van het leveren van tegenbewijs. Daarom staat vast dat artikel 3.1.2 cao van toepassing is op de verhouding tussen partijen. Bovendien staat vast, zoals al in de tussenbeschikking is overwogen, dat Yunus Emre niet tot haar verweer heeft aangevoerd dat met [verzoekster] nog een tweede arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd had mogen worden aangegaan vanwege een ‘zeer bijzonder geval’ overeenkomstig art. 3.1.2 cao (rov 5.16 tussenbeschikking). Het verweer dat er, hoewel geen sprake is van een ‘zeer bijzonder geval’, toch een additionele arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd kan worden aangegaan heeft het hof verworpen (eveneens rov 5.16).
3.4
Consequentie van het voorgaande is dat Yunus Emre met [verzoekster] eenmaal een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd heeft kunnen aangaan. Dat betreft in dit geval de arbeidsovereenkomst met een looptijd van 1 augustus 2020 tot 1 augustus 2021. Omdat de arbeidsovereenkomst daarna is voortgezet en geen tweede overeenkomst voor bepaalde tijd mocht worden aangegaan, is tussen partijen na 1 augustus 2021 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaan.
3.5
Yunus Emre baseert haar (incidentele) grieven twee tot en met vijf op de stelling dat de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] per 31 juli 2023 van rechtswege is geëindigd omdat de (derde) arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd per die datum is geëindigd. Omdat dat standpunt op grond van het voorgaande niet juist is, falen die grieven. Argumenten die nog tot een ander oordeel zouden moeten leiden (Yunus Emre lijkt in haar akte te impliceren dat die er nog zijn) zijn niet aangevoerd. Grief 6 in incidenteel appel zal hierna, na de verdere overwegingen over het principaal hoger beroep worden behandeld, omdat deze grief ook daarop betrekking heeft.
verzoek tot heroverweging
3.6
In de tussenbeschikking heeft het hof overwogen dat het beroep op dwaling niet kan slagen omdat niet is voldaan aan het zogenaamde kenbaarheidsvereiste (rov 5.27). Het hof heeft onder meer overwogen dat [verzoekster] , op wie de bewijslast van haar stellingen rust voor wat betreft de gestelde wilsgebreken, ‘geen bewijs heeft aangeboden dat voldoet aan de eisen die daaraan in hoger beroep gesteld mogen worden.’ Volgens [verzoekster] is deze overweging onjuist en komt deze in aanmerking voor heroverweging. Zij verwijst, kort gezegd, naar randnummers 47 en 48 van het inleidend verzoekschrift waarin, in haar bewoordingen, ‘een specifiek en ter zake dienend bewijsaanbod’ is gedaan.
3.7
Voorop staat dat voor een verzoek tot heroverweging slechts plaats is als sprake is van een evidente feitelijke of juridische misslag. Het hof komt tot de slotsom dat daarvan geen sprake is.
3.8
Allereerst heeft [verzoekster] in hoger beroep in het geheel geen bewijsaanbod gedaan. Ook als bij wijze van veronderstelling tot uitgangspunt wordt genomen dat de verwijzing naar stukken uit de eerste aanleg volstaat om te voldoen aan de eisen die in hoger beroep aan een bewijsaanbod gesteld worden, geldt dat geen ter zake dienend gespecificeerd bewijsaanbod is gedaan. Dat zal hierna worden toegelicht.
3.9
[verzoekster] heeft in eerste aanleg het volgende te bewijzen aangeboden.

47. [verzoekster] biedt aan al haar stellingen te bewijzen met alle middelen rechtens.48. [verzoekster] biedt, onder uitdrukkelijke betwisting dat enige bewijslast op haar rust, meer in het bijzonder bewijs aan van haar stelling, dat er nimmer sprake is geweest van een voorziening in een vacature van tijdelijke aard, door het doen horen van getuigen, waaronder zijzelf als partijgetuige en het horen van de voormalige directeur van de school mevrouw [naam] die bereid is dit onder ede te verklaren.
Het aanbod onder 47 is algemeen van aard en het aanbod onder 48 heeft betrekking op haar stellingen in incidenteel hoger beroep en dus niet op de feiten die [verzoekster] ten grondslag heeft gelegd aan haar beroep op dwaling (waar haar stellingen in principaal hoger beroep op zien). Dat het bewijsaanbod niet voldoet aan de eisen die in hoger beroep worden gesteld staat daarmee vast. Dat verandert niet doordat Yunus Emre in hoger beroep wel is toegelaten tot het leveren van tegenbewijs op een ander punt (de vacature van kennelijk tijdelijke aard). De twee beslissingen houden geen verband met elkaar.
3.1
De kantonrechter heeft het beroep op dwaling dan wel misbruik van omstandigheden in rov 4.13 van zijn beschikking afgewezen, onder meer wegens ‘in het geheel geen’ onderbouwing. De principale grief 1 van [verzoekster] richt zich tegen het oordeel dat ‘geen sprake is van dwaling op grond waarvan [verzoekster] drie dagen is gaan werken in plaats van vijf’, dus
niettegen het oordeel dat geen sprake is van misbruik van omstandigheden. Dat betekent dat het hof er bij blijft dat tegen het oordeel van de kantonrechter inzake misbruik van omstandigheden niet is gegriefd. Ook dat is dus geen grond voor heroverweging.
3.11
De slotsom is dat het verzoek tot heroverweging wordt afgewezen.
Grief 6 incidenteel beroep
3.12
Yunus Emre komt in incidenteel beroep op tegen het oordeel van de kantonrechter dat zij voor het grootste deel in het ongelijk is gesteld en daarom wordt veroordeeld in de proceskosten. Het hof ziet geen aanleiding anders te oordelen over de proceskosten in eerste aanleg. Uit het voorgaande blijkt immers dat de beschikking van de kantonrechter voor wat betreft het eindresultaat in stand blijft.
3.13
[verzoekster] heeft nog aanspraak gemaakt op een volledige proceskostenveroordeling in het incidenteel beroep. Daartoe bestaat echter geen grond, van nodeloos procederen en misbruik van procesrecht is niet gebleken. Het enkele feit dat Yunus Emre, om haar moverende redenen, geen gebruik heeft gemaakt van bewijslevering, is daartoe onvoldoende.
Eindconclusie en proceskostenveroordeling
3.14
De grieven in principaal en incidenteel beroep treffen geen doel. De beschikking van de kantonrechter van 26 januari 2024 zal, zij het op andere gronden, worden bekrachtigd.
3.15
[verzoekster] is in principaal beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de kosten in principaal beroep. Yunus Emre is in incidenteel beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in incidenteel beroep.
3.16
Het hof begroot de kosten in principaal beroep aan de zijde van Yunus Emre op:
griffierecht: € 827,-
salaris advocaat: € 3.225,- (2,5 punt à tarief II)
nakosten: € 189,-Totaal: € 4.241,-
Het hof begroot de kosten in incidenteel beroep aan de zijde van [verzoekster] op: salaris advocaat: € 645,- (1 punt á ½ tarief II)
nakosten: € 189,-
Totaal: € 834,-
De proceskosten in principaal beroep bedragen in totaal € 4.241,-. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen zoals vermeld in de beslissing. De proceskosten in incidenteel beroep bedragen € 834,-.

4.Beslissing in het principaal en het incidenteel hoger beroep

Het hof:
  • bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 26 januari 2024;
  • veroordeelt [verzoekster] in de kosten in principaal beroep tot op heden aan de zijde van Yunus Emre begroot op € 4.241,-, te vermeerderen met wettelijke rente over deze kosten als [verzoekster] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • bepaalt in principaal beroep dat als [verzoekster] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, [verzoekster] de kosten van betekening moet betalen plus extra kosten van € 98,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als zij deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
  • veroordeelt Yunus Emre in de kosten in incidenteel beroep tot op heden aan de zijde van [verzoekster] begroot op € 843,-;
  • bepaalt in incidenteel beroep dat als Yunus Emre niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en deze beschikking vervolgens moet wordt betekend, Yunus Emre de kosten van betekening moet betalen plus extra kosten van € 98,-;
  • wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.T. Nijhuis, M.D. Ruizeveld en A.C.M. Kuypers en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.