ECLI:NL:GHDHA:2026:387

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
BK-24/1005
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over hoorplicht, aanslag erfbelasting en immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een erfbelastingaanslag die aanvankelijk was vastgesteld op basis van het testamentaire erfdeel van 15/100, terwijl hij aangifte deed op basis van een nieuwe verdeling van 10/100. De Inspecteur kwam bij uitspraak op bezwaar geheel tegemoet aan het bezwaar en stelde de aanslag vast conform de nieuwe verdeling, waarbij hij afzag van het horen van belanghebbende.

De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat het financiële belang gering zou zijn. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.

Het Hof oordeelde dat de Rechtbank terecht had geoordeeld dat de hoorplicht niet was geschonden en dat terugwijzing naar de Inspecteur niet nodig was. Wel stelde het Hof vast dat de overschrijding van de redelijke termijn aanzienlijk was en dat het financiële belang niet gering was, waardoor belanghebbende recht had op een vergoeding van immateriële schade van €3.500. Tevens werd de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de betaalde griffierechten.

Het Hof verwierp het betoog van misbruik van procesrecht door belanghebbende en wees het hoger beroep in zoverre toe. De uitspraak van de Rechtbank werd vernietigd voor zover het de immateriële schadevergoeding betrof.

Uitkomst: Het Hof veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van €3.500 immateriële schade en griffierechten wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/1005

Uitspraak van 17 februari 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 25 oktober 2024, nummer SGR 23/6376.

Procesverloop

1.1.
Aan belanghebbende is met dagtekening 5 april 2018 een aanslag in de erfbelasting opgelegd wegens een verkrijging uit de nalatenschap van [erflaatster] (de aanslag).
1.2.
Belanghebbende heeft op 17 mei 2018 bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Bij uitspraak op bezwaar van 16 augustus 2023 heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar geheel toegewezen, de aanslag verminderd naar een aanslag tot een te betalen bedrag van € 20.335 en € 374 belastingrente vergoed.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 50. De beslissing van de Rechtbank luidt:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om vergoeding voor immateriële schade af.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht van € 138 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en op 31 oktober 2025 een nader stuk ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 11 november 2025. Partijen zijn verschenen. Ter zitting is tevens behandeld de zaak van belanghebbende met nummer BK-24/1002. Van het verhandelde ter zitting is één proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Op [datum] 2014 is mevrouw [erflaatster] (erflaatster) overleden. Erflaatster heeft bij testament belanghebbende als erfgenaam aangemerkt voor een erfdeel van 15/100 van haar nalatenschap.
2.2.
Belanghebbende heeft aangifte erfbelasting gedaan. Daarbij is afgeweken van de testamentaire verdeling van de boedel, omdat in een civiele procedure over de verdeling van de boedel een nieuwe verdeling is overeengekomen (de nieuwe verdeling). Deze verdeling is vastgelegd in de beschikking van de Rechtbank Den Haag (team handel) van 31 maart 2016, zaaknummer C/09/489431/ HA ZA 15 - 638. Op basis van de nieuwe verdeling heeft belanghebbende aangifte gedaan naar een erfdeel van 10/100e van de nalatenschap.
2.3.
Bij het vaststellen van de definitieve aanslag erfbelasting is afgeweken van de aangifte. De aanslag is vastgesteld overeenkomstig de testamentaire verkrijging naar een verkrijging van 15/100e aandeel in de nalatenschap.
2.4.
Belanghebbende heeft bij brief van 18 mei 2018 bezwaar gemaakt tegen de aanslag.
2.5.
Bij uitspraak op bezwaar van 16 augustus 2023 is de Inspecteur geheel tegemoetgekomen aan het bezwaar en heeft hij de aanslag vastgesteld conform de nieuwe verdeling naar een aanslag met een te betalen bedrag van € 20.335. Tevens is € 374 belastingrente vergoed. Hij heeft daarbij afgezien van het horen van belanghebbende omdat hij volledig aan het bezwaar is tegemoetgekomen.
2.6.
Belanghebbende heeft in eerste aanleg bij brief van 30 oktober 2023 verzocht om een vergoeding van immateriële schade “gezien de lange duur van behandeling van het bezwaar”.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

Hoorrecht
5. Niet in geschil is dat verweerder volledig aan het bezwaar van eiser tegemoet is gekomen. Op grond van artikel 7:3, onderdeel e, van de Algemene wet bestuursrecht kon verweerder afzien van horen. Het hoorrecht is niet geschonden. Voor terugwijzen naar verweerder voor het opnieuw doen van uitspraak op bezwaar bestaat geen aanleiding.
Hoogte aanslag
6. Eiser heeft eerst ter zitting verzocht om een verhoging van de aanslag. Hij voert aan dat hij in afwijking van de nieuwe verdeling met een andere erfgenaam een afspraak heeft gemaakt die ertoe heeft geleid dat hij in afwijking van de nieuwe verdeling een groter erfdeel heeft gekregen met als gevolg dat het erfdeel van een andere erfgenaam kleiner is geworden. Wat daar ook van zij, onderhavige procedure betreft enkel de aanslag die is opgelegd aan eiser. Indien de rechtbank het betoog van eiser zou volgen, zou dit leiden tot een verhoging van de aanslag. De beroepsprocedure kan slechts strekken tot verlaging van de bestreden aanslag. Reeds daarom kan het betoog van eiser niet slagen.
Immateriële schadevergoeding
7. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 18 mei 2018 en verweerder heeft de uitspraak op bezwaar gedaan op 16 augustus 2023. De uitspraak van de rechtbank is op 25 oktober 2024 gedaan. Dat is dus ruim 6 jaar en 6 maanden na indiening van het bezwaarschrift, zodat de redelijke termijn met ruim 4 jaar en afgerond 7 maanden is overschreden. Echter, uit wat eiser heeft aangevoerd volgt dat sprake is van een zeer gering financieel belang. In die bijzondere omstandigheid ziet de rechtbank aanleiding om te volstaan met constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Proceskosten
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In geschil is of de zaak moet worden teruggewezen naar de Inspecteur wegens schending van de hoorplicht, of de aanslag tot het juiste bedrag is vastgesteld en of belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Voorts is in geschil of sprake is van misbruik van (proces)recht.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot terugwijzing van de zaak naar de Inspecteur en tot veroordeling van de Inspecteur tot een vergoeding van immateriële schade.
4.3.
De Inspecteur concludeert primair tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep en subsidiair tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

Beoordeling van het hoger beroep

Ontvankelijkheid hoger beroep: gronden
5.1.
De Inspecteur stelt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het niet is gemotiveerd. Deze stelling mist feitelijke grondslag. Belanghebbende heeft bij brief van 9 januari 2025 de gronden van het hoger beroep ingediend. De brief is eveneens op 9 januari 2025 bij het Hof ingekomen. Aangezien het hoger beroep ook overigens aan de formele vereisten voor het instellen van hoger beroep voldoet, is het hoger beroep ontvankelijk. Het Hof merkt op dat het bericht blijkens de metadata in de digitale postkamer van het Hof op 13 januari 2025, 08:51 uur, via het webportaal Mijn Rechtspraak naar de Inspecteur is gezonden.
Inhoudelijk
5.2.
Met inachtneming van de herkansingsfunctie die de partij die hoger beroep instelt toekomt, is de onderhavige zaak opnieuw beoordeeld, waarbij alle aspecten van de stellingen van partijen in de overwegingen zijn betrokken. Die beoordeling leidt tot de conclusie dat de Rechtbank wat betreft de hoorplicht en de aanslag op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. De Inspecteur is immers volledig tegemoetgekomen aan het bezwaar van belanghebbende, zodat hij kon afzien van het horen. De Rechtbank heeft terecht geoordeeld dat voor terugwijzing naar de Inspecteur voor het opnieuw doen van uitspraak op bezwaar geen aanleiding is. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen feiten en omstandigheden ingebracht die niet al in de bezwaarfase of in de beroepsfase zijn aangevoerd, noch argumenten gebezigd of nadere onderbouwingen van de in de bezwaarfase en eerste aanleg ingenomen stellingen verstrekt die een zodanig nieuw of ander licht op de geschilpunten ter zake van de hoorplicht en de aanslag werpen, dat op grond daarvan de conclusie dient te worden getrokken dat de beslissing van de Rechtbank op deze punten niet in stand kan blijven.
5.3.
Als belanghebbende wenst dat (weer) een andere verdeling van de boedel in aanmerking wordt genomen, dient hij die verdeling en de onderbouwing daarvan tijdig schriftelijk in het geding brengen. Dat hij dit tot dusverre in alle instanties heeft nagelaten, komt voor zijn eigen rekening en risico.
Verzoek om vergoeding van immateriële schade
5.4.
Belanghebbende heeft in beroep verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Rechtbank heeft in haar uitspraak volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden, omdat sprake is van een gering financieel belang.
5.5.
Anders dan belanghebbende stelt, is de Rechtbank terecht ervan uitgegaan dat bij een geschil over een zeer gering financieel belang geen vergoeding van immateriële schade behoeft te worden toegekend, maar kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden (vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 en HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853).
5.6.
De Rechtbank heeft echter naar het oordeel van het Hof ten onrechte geoordeeld dat sprake is van een gering financieel belang dat aan vergoeding van immateriële schade in de weg staat. Bij uitspraak op bezwaar is de aanslag immers verminderd met een bedrag aan te betalen belasting van € 10.000.
5.7.
Aangezien ook overigens geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld of gebleken die aan vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de weg staan, zal het Hof hierna de omvang van de vergoeding bepalen.
5.8.
Het Hof stelt voorop dat de immateriële schade die bij overschrijding van de redelijke termijn voor berechting voor vergoeding in aanmerking komt, gelegen is in de spanning en frustratie die een belastingplichtige ondervindt ten gevolge van het geschil over de belastingheffing dat hem en de inspecteur verdeeld houdt (de hoofdzaak). Die door de belastingplichtige ondervonden spanning en frustratie moeten worden geacht ten einde te zijn gekomen na een uitspraak waarmee dit geschil is beslecht. De voor het toekennen van een vergoeding van immateriële schade in aanmerking te nemen periode loopt niet door na een uitspraak waarmee het geschil inzake de belastingheffing ten einde is gekomen, in geval de rechter nog (bij afzonderlijke uitspraak) moet beslissen op een verzoek om vergoeding van immateriële schade (vgl. HR 2 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1128).
5.9.
Belanghebbende en de Inspecteur hadden een geschil over de hoogte van de aanslag. Belanghebbende heeft op 17 mei 2018, door de Inspecteur op dezelfde dag ontvangen, bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Bij uitspraak op bezwaar van 16 augustus 2023 is de Inspecteur geheel aan het bezwaar tegemoetgekomen. Op dat moment is het geschil inzake de belastingheffing ten einde gekomen en daarmee is een einde gekomen aan de spanning en frustratie bij belanghebbende. De omstandigheid dat belanghebbende vervolgens beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar vanwege schending van de hoorplicht, maakt dit oordeel niet anders omdat het financiële effect van die stelling nimmer is geconcretiseerd en de stelling bovendien tegen beter weten is ingenomen, zodat zij ieder financieel belang ontbeert. Het geschilpunt over de vergoeding van immateriële schade maakt dat niet anders, aangezien bij de vaststelling van het financiële belang geen rekening wordt gehouden met het belang dat is gemoeid met zodanige nevenbeslissingen (vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853).
5.10.
De termijn van het moment van de indiening van het bezwaarschrift tot het moment dat uitspraak op bezwaar is gedaan, bedraagt vijf jaar en bijna drie maanden. De redelijke termijn in eerste aanleg is derhalve overschreden met drie jaar en bijna drie maanden. Belanghebbende heeft daarom recht op een vergoeding van immateriële schade van € 3.500 (7 x € 500). De overschrijding van de redelijke termijn dient geheel aan de Inspecteur te worden toegerekend.
Misbruik van procesrecht
5.11.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen naar aanleiding van de hogerberoepsgronden van belanghebbende, kan naar het oordeel van het Hof niet worden gezegd dat belanghebbende zijn procedurele bevoegdheden zodanig evident heeft aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij gegeven zijn, dat dit blijk geeft van kwade trouw. Anders dan de Inspecteur heeft betoogd, kan belanghebbende in dit geval derhalve geen misbruik van procesrecht worden verweten.
Slotsom
5.12.
Het hoger beroep is gegrond.

Proceskosten en griffierecht

6.1.
Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
6.2.
In zijn arrest van 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de aanleiding tot het vergoeden van griffierecht niet kan zijn gelegen in de omstandigheid dat de behandeling van het beroep, na het instellen daarvan, onredelijk lang heeft geduurd. De Hoge Raad is daarmee teruggekomen van eerdere rechtspraak over deze kwestie. Bij wijze van overgangsrecht heeft de Hoge Raad daarbij bepaald dat in een zaak waarin (i) de belanghebbende voorafgaand aan de datum van dat arrest heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting, en (ii) de redelijke termijn voor die fase van de procedure op de datum van het arrest is overschreden, een aanspraak op vergoeding van griffierecht wordt geëerbiedigd. Aangezien belanghebbende in zijn (aanvullend) beroepschrift, bij de Rechtbank ingekomen op 30 oktober 2023, heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de fase van bezwaar en de redelijke termijn voor die fase van de procedure op de datum van voormeld arrest is overschreden, heeft belanghebbende recht op vergoeding van het bij de Rechtbank betaalde griffierecht van € 50. Ook dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 138 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend wat betreft de beslissing over de vergoeding van immateriële schade,
  • veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende in eerste aanleg geleden immateriële schade, vastgesteld op € 3.500, en
  • gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van in totaal € 188 aan griffierechten te vergoeden.
Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, R.A. Bosman en C. Maas, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd Chr.Th.P.M. Zandhuis
De beslissing is op 17 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.