Appellante was indirect medeaandeelhouder en bestuurder van drie vennootschappen die kredieten hadden afgesloten bij ING. Zij had zich borg gesteld voor een bedrag tot €150.000,-. Na faillissement van deze vennootschappen sprak ING appellante aan voor €100.000,- borgtocht.
Appellante betwistte dat zij de borgtocht was aangegaan, stelde dat zij had gedwaald bij het aangaan ervan en dat ING haar zorgplicht had geschonden. Het hof oordeelde dat de handtekening en het goedschrift op de borgakte toereikend bewijs vormden dat appellante de borgtocht was aangegaan.
Verder concludeerde het hof dat ING haar zorgplicht niet had verzaakt. De kredietverlening was niet uitsluitend een voortzetting van een problematische situatie, maar ook een uitbreiding van krediet binnen normale bedrijfsuitoefening. Appellante was als bestuurder en aandeelhouder voldoende op de hoogte van de financiële situatie.
Het beroep op dwaling faalde omdat appellante onvoldoende had onderbouwd dat zij de borgtocht niet zou zijn aangegaan indien zij beter geïnformeerd was. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde appellante in de proceskosten van het hoger beroep.