ECLI:NL:GHDHA:2026:46

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
22-000760-25
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf voor bedreiging van politicus Geert Wilders via e-mail

In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam. De verdachte was eerder vrijgesproken van de beschuldiging van bedreiging van Geert Wilders, fractieleider van de PVV, maar de officier van justitie ging in beroep. De verdachte werd beschuldigd van het bedreigen van Wilders via e-mail op 9 november 2024, met woorden die als bedreigend konden worden opgevat. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte de e-mail heeft verzonden en dat de bedreiging van dien aard was dat Wilders vrees kon hebben voor zijn leven. Het hof heeft de eerdere vrijspraak vernietigd en de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken en een onvoorwaardelijke taakstraf van 60 uren. Het hof heeft daarbij rekening gehouden met de ernst van de bedreiging, de rol van Wilders als politicus en de impact van dergelijke bedreigingen op het democratisch proces. De verdachte is strafbaar verklaard en de straffen zijn opgelegd met het oog op de preventie van toekomstige strafbare feiten.

Uitspraak

Rolnummer: 22-000760-25
Parketnummers: 10-010650-25
Datum uitspraak: 20 januari 2026
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 5 maart 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde.
De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op omstreeks 9 november 2024 te [pleegplaats], althans in Nederland, Geert Wilders (partijleider en fractieleider in de Tweede Kamer der Staten-Generaal van politieke partij PVV)heeft bedreigd met met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans zware mishandeling door die Wilders (per e-mail) dreigend de woorden toe te voegen: "DE JODEN WORDEN AFGESLACHT IN JE EIGEN LAND SUKKEL HAHAHAH JIJ GAAT OOK NIET MEER BESTAAN", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, terwijl dit feit werd gepleegd tegen die Wilders in diens hoedanigheid van partijleider en fractieleider in de Tweede Kamer der Staten-Generaal van politieke partij PVV.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren en een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op
omstreeks9 november 2024
te [pleegplaats], althansin Nederland
,Geert Wilders (partijleider en fractieleider in de Tweede Kamer der Staten-Generaal van politieke partij PVV) heeft bedreigd met
metenig misdrijf tegen het leven gericht
, althans zware mishandelingdoor die Wilders (per e-mail) dreigend de woorden toe te voegen: "DE JODEN WORDEN AFGESLACHT IN JE EIGEN LAND SUKKEL HAHAHAH JIJ GAAT OOK NIET MEER BESTAAN",
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,terwijl dit feit werd gepleegd tegen die Wilders in diens hoedanigheid van partijleider en fractieleider in de Tweede Kamer der Staten-Generaal van politieke partij PVV.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere overwegingen
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw zich overeenkomstig haar pleitaantekeningen op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken. Zakelijk weergegeven heeft zij daartoe aangevoerd dat er geen bewijs is dat de verdachte de e-mail heeft verzonden. Er is geen technisch bewijs dat het account waarmee de e-mail werd verzonden exclusief door de verdachte werd gebruikt. Niet kan worden uitgesloten dat een derde het account van verdachte heeft gebruikt of dat er sprake is geweest van onbevoegde toegang tot het account. Voorts kan het (voorwaardelijk) opzet op de bedreiging niet worden aangetoond, aldus de raadsvrouw.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat op
9 november 2024 om 06:45 uur vanaf het e-mailaccount [e-mailadres verdachte], zijnde een e-mailaccount van de verdachte, een e-mailbericht naar het e-mailadres [e-mailadres Geert Wilders] van Geert Wilders is verstuurd met daarin de tekst “DE JODEN WORDEN AFGESLACHT IN JE EIGEN LAND SUKKEL HAHAHAH JIJ GAAT OOK NIET MEER BESTAAN". Volgens het onderschrift van het e-mailbericht is het bericht verstuurd vanaf een Iphone. De verdachte bezat op 9 november 2024 een Iphone.
De verdachte heeft ontkend dit bericht te hebben verstuurd en heeft aangevoerd dat het tenlastegelegde bericht buiten zijn medeweten via zijn telefoon vanuit zijn e-mailaccount moet zijn verstuurd door een voor hem onbekend gebleven persoon, op een feestje waar hij zijn telefoon ontgrendeld had neergelegd zodat anderen via zijn telefoon muziek konden afspelen. Dit feestje vond volgens de verdachte plaats in de woning van een vriend aan de [adres a] te [pleegplaats]. De verdachte heeft aangegeven dat dit voor hem de enige mogelijke verklaring is en dat dit de enige plek is van waaruit het bericht kan zijn verstuurd.
Het hof is van oordeel dat dit alternatieve scenario niet aannemelijk is geworden. Het eerst in aanloop naar de terechtzitting in hoger beroep door de verdediging ingebrachte geschrift, inhoudende een e-mailbericht van [getuige] aan de raadsvrouw, over de aanwezigheid van de verdachte op een feestje in zijn woning op genoemd adres in de betreffende nacht, waarbij de telefoon van de verdachte door anderen zou zijn gebruikt om muziek te draaien, is daarvoor onvoldoende. Het hof betrekt daarbij dat het telefoonnummer van de verdachte tussen 9 november 2024 00:00 uur en 12:00 uur geen gebruik heeft gemaakt van een cell-id (kort gezegd: de aanduiding van een GSM-zendmast, ook wel opstelpunt genoemd) waarvan het adres aan de hiervoor genoemde [adres a] in het theoretisch dekkingsgebied valt. Wel heeft het telefoontoestel van de verdachte ten tijde van het versturen van het bericht op 9 november 2024 om 06:45 uur gebruik gemaakt van een cell-id waarvan de woning van de verdachte in het theoretisch dekkingsgebied ligt. Tevens liggen er tussen dit opstelpunt en [adres a] nog meerdere opstelpunten, waarvan het waarschijnlijker is dat deze worden gebruikt wanneer men op [adres a] te [pleegplaats] is.
Ook anderszins is niet aannemelijk geworden dat een ander dan de verdachte de e-mail heeft verstuurd. Het hof betrekt daarbij dat – behoudens voormeld, niet aannemelijk geworden scenario – geen omstandigheden zijn aangevoerd of aannemelijk geworden die erop wijzen dat een ander dan de verdachte toegang had tot het betreffende e-mailaccount van de verdachte.
Het hof acht gelet op het voorgaande bewezen dat het de verdachte is geweest die het tenlastegelegde e-mailbericht heeft verstuurd. Het hof dient vervolgens de vraag te beantwoorden of dit een strafbare bedreiging oplevert.
Het hof stelt daarbij voorop dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht (vgl. HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0096, HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6181 en HR 10 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:24).
Het hof stelt vast dat het slachtoffer kennis heeft genomen van de betreffende e-mail en naar aanleiding daarvan aangifte heeft gedaan van bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht. Het hof is van oordeel dat de woorden in het e-mailbericht in de context waarin deze zijn geuit zonder meer als bedreigend kunnen worden opgevat. Gelet op die omstandigheden en de inhoud van de bewoordingen is het hof van oordeel dat bij aangever de vrees kon ontstaan dat hij op enig moment het leven zou kunnen verliezen. Dat het bericht geen concrete plannen, geen tijdstip, plaats of middelen en geen specifieke uitvoeringshandelingen vermeldt, zoals de raadsvrouw heeft aangevoerd, maakt het voorgaande niet anders.
Voorts is het hof van oordeel dat de inhoud van het e-mailbericht naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer is gericht op het opwekken van vorenbedoelde vrees, dat, nu daarvoor geen contra-indicaties zijn gebleken, bewezen kan worden geacht dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.
De verweren worden verworpen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, terwijl het feit wordt gepleegd tegen een persoon in diens hoedanigheid van lid van een algemeen vertegenwoordigend orgaan.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan bedreiging van een politicus, tevens fractievoorzitter van een politieke partij. Het hof neemt als strafverzwarende omstandigheden in aanmerking dat algemeen bekend is dat het slachtoffer reeds langere tijd door veelvuldige bedreigingen in zijn persoonlijke bewegingsvrijheid wordt geraakt en dat bedreiging van politici, naast de gevolgen die het voor de persoonlijke levenssfeer heeft, een nadelig effect kan hebben op het democratisch proces.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.
1 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen. De voorwaardelijke gevangenisstraf dient de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst strafbare feiten te plegen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
30 (dertig) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door
mr. F.W. Pieters, als voorzitter,
mr. M.I. Veldt-Foglia en mr. M.A.J. van de Kar, leden,
in bijzijn van de griffier mr. T.A. van den Berg.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 januari 2026.