Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.[appellante 1] B.V.,
[appellante 2] B.V.,
[appellante 3] B.V.,
Austria Deuren B.V.,
Société Anonyme RSA Luxembourg S.A.,
XL Insurance Company SE,
1.[geïntimeerde 1] B.V.,
[geïntimeerde 2] , voorheen handelend onder de naam [handelsnaam],
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 3 mei 2024, waarmee [appellanten] in hoger beroep zijn gekomen van de vonnissen van de rechtbank Rotterdam van 3 oktober 2018, 23 juni 2021, 23 maart 2022 en 7 februari 2024;
- de memorie van grieven van [appellanten] , met bijlagen;
- de memorie van antwoord van [geïntimeerden] , met bijlagen;
- de memorie van antwoord van [geïntimeerde 2] c.s., met bijlagen;
- de bijlagen die [appellanten] op 19 december 2025, 9 januari 2026 en op 28 januari 2026 ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd;
- de bijlagen 4 tot en met 7 die [geïntimeerde 1] op 16 januari 2026 ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd;
- de bijlagen G3 tot en met G5 die [geïntimeerde 2] op 16 januari 2026 ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd;
- de reactie van [geïntimeerde 1] per e-mail van 28 januari 2026, ingekomen op 28 januari 2026.
3.Feitelijke achtergrond
4.Procedure bij de rechtbank
5.Vorderingen in hoger beroep
- Volgens [appellanten] is in de procedure bij de rechtbank ten onrechte de nadruk gelegd op de vraag of de kortsluiting met de punt van de schroevendraaier is gemaakt. [geïntimeerde 2] heeft de kortsluiting volgens [appellanten] veroorzaakt doordat hij werkzaamheden heeft verricht aan de vermogensschakelaar terwijl de installatie onder spanning stond. Aldus heeft [geïntimeerde 2] in strijd gehandeld met het Werkplan PV-installatie [plaats] van [geïntimeerde 1] , de Arbowetgeving en de NEN 3140-norm. Bovendien heeft hij onrechtmatig gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW Pro want in strijd met hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. [geïntimeerde 2] moet worden beschouwd als ondergeschikte van [geïntimeerde 1] in de zin van artikel 6:170 BW Pro. Om deze redenen is [geïntimeerde 2] aansprakelijk voor de door de kortsluiting ontstane schade en kan hij zich niet beroepen op de ALIB 2007 en de aansprakelijkheidsuitsluitende dan wel -beperkende bepalingen daarvan. Een beroep op deze bepalingen moet worden getoetst aan de maatstaf van artikel 6:248 lid 2 BW Pro aan de hand van alle relevante bepalingen (de grieven 3 tot en met 5, en 8 tot en met 15).
- [geïntimeerde 1] is op gelijke wijze als [geïntimeerde 2] aansprakelijk voor de onrechtmatige daad van [geïntimeerde 2] . [geïntimeerde 1] kan zich volgens [appellanten] evenmin beroepen op de ALIB 2007 en de aansprakelijkheidsuitsluitende dan wel -beperkende bepalingen daarvan, omdat de redelijkheid en billijkheid daaraan in de weg staan (de grieven 1 en 2).
- De rechtbank heeft volgens [appellanten] ten onrechte een door hen voorgestelde vraag aan de deskundige ir. R.J. Ritsema van ERCD Advies B.V. niet overgenomen en een andere vraag niet volgens het voorstel van [appellanten] gesplitst (de grieven 6 en 7).
6.Beoordeling in hoger beroep
De eiswijziging
Onbekend is welke handelingen de heer [geïntimeerde 2] uitvoerde. Ondergetekende is van mening dat met alleen kijken er geen kortsluiting ontstaat, met andere woorden er moet iets gebeurd zijn waardoor de kortsluiting ontstaan is. En of dit nu werken met de schroevendraaier is geweest, het bewegen van of trekken aan bedrading, het losnemen van een draad, etc, er is dan sprake van ‘werken’. Ondergetekende komt hiermee tot de gevolgtrekking (…) dat er sprake is van werken onder spanning.” (blz. 67 deskundigenrapport).
alle werkzaamheden waarbij een persoon actieve delen kan aanraken of met delen van zijn lichaam, met gereedschappen, hulpmiddelen of (persoonlijke) beschermingsmiddelen terecht kan komen in de gevarenzone”.
.
7.Beslissing
- bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Rotterdam van 3 oktober 2018, 23 juni 2021, 23 maart 2022 en 7 februari 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
- veroordeelt [appellanten] in de kosten van de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde 1] , tot op heden begroot op € 19.968,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als [appellanten] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben betaald;
- bepaalt dat als [appellanten] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellanten] de kosten van die betekening aan [geïntimeerde 1] moeten betalen, plus extra nakosten van € 98,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als [appellanten] deze niet binnen veertien dagen na betekening hebben betaald;
- veroordeelt [appellanten] in de kosten van de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde 2] , tot op heden begroot op € 15.460,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als [appellanten] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben betaald;
- bepaalt dat als [appellanten] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellanten] de kosten van die betekening aan [geïntimeerde 2] moeten betalen, plus extra nakosten van € 98,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als [appellanten] deze niet binnen veertien dagen na betekening hebben betaald;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de proceskostenveroordelingen betreft;
- wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.