ECLI:NL:GHDHA:2026:478

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
200.358.433/01 en 200.358.434/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:94 BWArt. 1:94 lid 3 BWArt. 1:94 lid 5 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep op partner- en kinderalimentatie, verdeling huwelijksgoederengemeenschap en letselschadevergoeding

Partijen zijn gehuwd sinds 1997 en hebben samen een minderjarige en drie meerderjarige kinderen. De rechtbank had de echtscheiding uitgesproken en alimentatiebedragen vastgesteld, alsmede de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. De man kwam in hoger beroep tegen de vastgestelde kinderalimentatie, partneralimentatie, en de verdeling van de gemeenschap, met name de toerekening van een letselschadevergoeding.

Het hof oordeelt dat de kinderalimentatie moet worden aangepast vanwege een zorgkorting van 15%, waardoor de man €473 per maand aan kinderalimentatie moet betalen. De partneralimentatie blijft ongewijzigd, waarbij het hof uitgaat van het huidige inkomen van de vrouw en geen bijdrage van de meerderjarige kinderen in de huishoudkosten toekent. De duur van de partneralimentatie wordt niet beperkt.

Betreffende de letselschadevergoeding van €40.000,- stelt het hof vast dat deze aan de man verknocht is vanwege het hoogstpersoonlijke karakter en buiten de gemeenschap van goederen valt. Tevens moet de man €1.000,- vergoeden aan de vrouw wegens opname van gelden na de peildatum. De overige verzoeken worden afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Het hof past de kinderalimentatie aan naar €473 per maand, erkent de letselschadevergoeding als verknocht buiten de gemeenschap en wijst overige verzoeken af.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummers : 200.358.433/01 en 200.358.434/01
rekestnummers rechtbank : FA RK 24-693 en FA RK 24-3694
zaaknummers rechtbank : C/09/660606 en C/09/666856
beschikking van de meervoudige kamer van 11 maart 2026
inzake
[de man]
wonende op een bij het hof bekend adres,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. J.G. Schnoor te Den Haag,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. M.J.E.H. van Baarle-Overes te Bergschenhoek, gemeente Lansingerland.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 10 juni 2025, uitgesproken onder voormelde zaaknummers (hierna te noemen: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De man is op 25 augustus 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De vrouw heeft op 29 oktober 2025 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De man heeft op 16 december 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de man:
- een journaalbericht van 19 januari 2026, met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
van de zijde van de vrouw:
- een journaalbericht van 8 januari 2026, met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.
2.5
De mondelinge behandeling heeft op 20 januari 2026 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaat van de man heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

3.De feiten

3.1
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
Partijen zijn gehuwd op [datum] 1997 te [plaats] .
3.3
Zij zijn de ouders van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarige).
3.4
Daarnaast zijn partijen de ouders van de inmiddels meerderjarigen:
- [meerderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] (hierna: [meerderjarige 1] ),
- [meerderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] (hierna: [meerderjarige 2] ),
- [meerderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] (hierna: [meerderjarige 3] ),
hierna gezamenlijk te noemen: de meerderjarigen.
3.5
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de minderjarige. Hij woont bij de vrouw.
3.6
De rechtbank Den Haag heeft op 14 augustus 2024 voorlopige voorzieningen getroffen, inhoudende:
- toedeling van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw;
- toevertrouwing van de minderjarige aan de vrouw;
- een voorlopige zorgregeling tussen de minderjarige en de man, waarbij de minderjarige om de week op zaterdag (de eerste en derde zaterdag van de maand) van 10.00 uur tot 20.00 uur bij de man is, waarbij geldt dat de minderjarige kan aangeven wanneer het hem niet uitkomt en dat hij dan met de man in onderling overleg een andere afspraak maakt;
- een voorlopige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van € 428,- per maand ten behoeve van de minderjarige door de man aan de vrouw te betalen met ingang van de beschikkingsdatum;
- een voorlopige bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw van € 891,- per maand door de man aan de vrouw te betalen met ingang van de beschikkingsdatum.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.
Voorts is bepaald, voor zover in hoger beroep van belang, dat de man aan de vrouw een uitkering in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) met ingang van de datum van de inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand zal voldoen van € 999,- per maand en dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: kinderalimentatie) met ingang van de datum van de inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand zal voldoen van € 567,- per maand.
Daarnaast heeft de rechtbank in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen, voor zover in hoger beroep van belang, vastgesteld dat de man, met betrekking tot de door de man opgenomen gelden, een bedrag van € 500,- aan de vrouw dient te vergoeden.
Het verzoek van de man om te bepalen dat de letselschadevergoeding aan hem verknocht is en buiten de gemeenschap van goederen valt en het verzoek van de vrouw om de belastingteruggave over 2023 (en door de man afgeloste belastingschuld) te verrekenen met de belastingteruggave over 2024, zijn afgewezen.
4.2
De man verzoekt het hof de bestreden beschikking (gedeeltelijk) te vernietigen en, in zoverre opnieuw rechtdoende:
- de kinderalimentatie vast te stellen op een bedrag van € 380,- per maand, althans een bedrag die het hof juist acht;
- het inleidende verzoek van de vrouw tot vaststelling van de partneralimentatie alsnog af te wijzen, althans de vastgestelde partneralimentatie te limiteren in tijd;
- de door de rechtbank vastgestelde verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen te wijzigen en te bepalen dat de letselschadevergoeding van € 40.000,- niet in de te verdelen gemeenschap van goederen valt en derhalve geheel, althans gedeeltelijk, toekomt aan de man, althans een beslissing te nemen die het hof juist acht.
4.3
De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen, zo nodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden.
Bij wijze van incidenteel hoger beroep verzoekt de vrouw het hof de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover deze betrekking heeft op de vergoeding en verrekening van de heffingen inkomstenbelasting over 2024 ter zake van de eigen woning en de teruggave van de door de man opgenomen € 1.000,-, en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, in zoverre opnieuw rechtdoende te bepalen dat:
- voorwaardelijk, voor zover de man niet heeft aangetoond uiterlijk voor de zitting in de onderhavige beroepsprocedure zijn aangifte IB 2024 te hebben gecorrigeerd overeenkomstig en in lijn met de aangifte inkomstenbelasting van de vrouw over 2024 in productie 5, te gebieden dat de man zijn aldus gecorrigeerde aangifte inkomstenbelasting 2024 uiterlijk binnen een week na de in hoger beroep te geven beschikking alsnog moet indienen bij de belastingdienst onder gelijktijdige overlegging daarvan aan de vrouw, en de man te veroordelen om bij gebreke daarvan aan de vrouw te vergoeden het verschil tussen de door haar te ontvangen aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2024 conform haar aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2024 in productie 5 (€ 1.780,- inkomstenbelasting en premie volksverzekering en € 254,- inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet) en het meerdere dat zij vanwege de onjuiste aangifte van de man verschuldigd zal zijn aan de belastingdienst, alsmede de kosten die zij moet maken voor correctie van die aanslag aan haar tot het bedrag dat zij conform haar aangifte verschuldigd is aan de belastingdienst, een en ander te verrekenen met het bedrag van € 1.419,- dat de vrouw aan de man verschuldigd is vanwege de IB-heffingen 2023;
- de man aan de vrouw dient te vergoeden € 1.000,- wegens na de peildatum door hem opgenomen gelden van de bij haar in gebruik zijnde rekening met rekeningnummer: [rekeningnummer] ;
- met compensatie van de proceskosten over en weer.
4.4
De man verzoekt het hof (naar het hof begrijpt) het incidenteel hoger beroep van de vrouw, ongegrond te verklaren.

5.De motivering van de beslissing

Kinderalimentatie
Ingangsdatum
5.1
De door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum voor de kinderalimentatie, te weten de datum van de inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, is niet in geschil zodat het hof deze datum overneemt.
Behoefte van de minderjarige
5.2
De behoefte van de minderjarige van € 937,- per maand in 2025 is evenmin tussen partijen in geschil. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep desgevraagd verklaard dat hij geen grief heeft gericht tegen de behoefte van de minderjarige.
Draagkracht van de vrouw
5.3
Daarnaast is tussen partijen niet in geschil dat de draagkracht van de vrouw in het kader van de kinderalimentatie € 762,- per maand bedraagt.
Draagkracht van de man
5.4
Voorts is niet in geschil dat de draagkracht van de man in het kader van de kinderalimentatie € 1.446,- per maand bedraagt.
Draagkrachtvergelijking
5.5
Het door de rechtbank berekende eigen aandeel van de vrouw van € 323,- en het eigen aandeel van de man van € 614,- staat derhalve tussen partijen ook vast.
Zorgkorting
5.6
Partijen zijn verdeeld over de toe te passen zorgkorting.
5.7
Het hof overweegt als volgt. De man stelt dat er rekening gehouden moet worden met een zorgkorting van 25%. De vrouw stelt dat er rekening gehouden moet worden met een zorgkorting van 5%. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de minderjarige momenteel één zaterdag per veertien dagen bij de man verblijft. Reden is dat de man tot op heden geen geschikte woning heeft waar hij de minderjarige kan ontvangen. Hij heeft nu nog geen vaste woon- of verblijfplaats en hij logeert bij verschillende bekenden. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat hij de wens heeft om de zorgregeling uit te breiden zodra hij een geschikte woning betrokken heeft en dat de minderjarige bij hem aangeeft dit ook te wensen. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat de minderjarige aangeeft dat hij het leuk vindt bij de man. Tegen deze achtergrond is het te verwachten dat de zorgregeling op afzienbare termijn zodanig wordt uitgebreid dat een zorgkorting van 15% gerechtvaardigd is. Het hof zal dit percentage dan ook toepassen.
5.8
Uitgaande van de behoefte van de minderjarige berekent het hof de zorgkorting op € 141,- per maand (15% x € 937,-). Het bedrag van de zorgkorting wordt volledig in mindering gebracht op het bedrag dat de man aan de vrouw dient te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige. De ouders hebben immers samen voldoende draagkracht om volledig in de behoefte van de minderjarige te voorzien. Op het aandeel van de man in de kosten van de minderjarige op basis van de draagkrachtvergelijking van € 614,- per maand, dient voor de minderjarige € 141,- per maand in mindering te worden gebracht.
5.9
Het aandeel van de man in de kosten van de minderjarige verminderd met de zorgkorting, komt dan neer op een bedrag van € 473,- per maand. Gelet op het vorenstaande slaagt de eerste grief van de man en zal het hof de bestreden beschikking vernietigen ten aanzien van de kinderalimentatie en bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van de inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige van € 473,- per maand dient te betalen.
Partneralimentatie
5.1
In hoger beroep is de aanvullende behoefte van de vrouw en de limitering van de partneralimentatie in geschil. De ingangsdatum, zijnde de datum van de inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, de behoefte van de vrouw van € 4.061,- per maand en de draagkracht van de man van € 625,- per maand (gebruteerd € 999,-) zijn niet in geschil.
Aanvullende behoefte van de vrouw
5.11
In geschil is of de vrouw voor een groter deel in haar eigen behoefte kan voorzien door enerzijds de verhoging van haar inkomen (en of aan haar een verdiencapaciteit moet worden toegekend) en anderzijds door uit te gaan van een redelijke bijdrage van de meerderjarige kinderen in de woonlasten van de vrouw.
5.12
De man stelt zich op het standpunt dat er aan de zijde van de vrouw uitgegaan moet worden van een verdiencapaciteit bovenop het inkomen dat zij daadwerkelijk verdient met haar arbeidscontract voor 32 uur in de week. De vrouw kan fulltime gaan werken zodat zij volledig in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.
5.13
De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij geen (extra) verdiencapaciteit heeft en dat zij niet meer dan 32 uur kan werken. Daarnaast is zij sinds oktober 2024 ziek gemeld en ontvangt zij nog maar 70% van haar inkomen, hier is door de rechtbank geen rekening mee gehouden maar daar legt zij zich bij neer.
5.14
Het hof overweegt als volgt. Het hof gaat voorbij aan de stelling van de man dat de vrouw in staat moet worden geacht meer inkomen te genereren dan zij thans doet. Daartoe overweegt het hof als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de vrouw sinds oktober 2024 ziek gemeld is en tijdelijk minder heeft gewerkt dan 32 uur per week. Inmiddels is zij, sinds 1 januari 2026, wel weer 32 uur per week aan het werk. Voorts is gebleken dat de vrouw al geruime tijd, ook voor de aanvraag van de echtscheiding, 32 uur per week werkzaam was. De vrouw heeft daarnaast tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep gesteld dat zij in haar huidige functie niet meer uren kan werken, omdat deze uren niet beschikbaar zijn. Dat is door de man niet betwist. Het hof is van oordeel dat in deze omstandigheden niet van de vrouw gevraagd kan worden dat zij op dit moment meer uren gaat werken dan voorzien in haar bestaande arbeidscontract. Het hof zal dan ook uitgaan van het huidige inkomen van de vrouw zoals blijkt uit de overgelegde stukken en niet van een fictief hoger inkomen. Dat het inkomen van de vrouw in 2026, anders dan dat van de man, met 2% zou zijn gestegen, wordt door de vrouw betwist en is door de man niet onderbouwd.
Bijdrage van de meerderjarigen in de kosten van de huishouding
5.15
Ten aanzien van een bijdrage van de meerderjarigen in de kosten van de huishouding ter vermindering van de aanvullende behoefte van de vrouw, overweegt het hof als volgt. Van de meerderjarigen woont er één inmiddels niet meer thuis, en een ander verblijft gedeeltelijk bij haar vriend. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is verder gebleken dat de vrouw de echtelijke woning hoogstwaarschijnlijk niet kan overnemen, zodat deze verkocht dient te worden aan een derde. De vrouw is derhalve al op zoek gegaan naar een andere woning en het is al met al de vraag of zij een woning zal kunnen krijgen met voldoende ruimte voor – naast de vrouw en de minderjarige – ook de overige twee meerderjarige kinderen. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden niet kan worden uitgegaan van een (duurzame) door de meerderjarigen aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van de huishouding. Gelet op het vorenstaande wijzigt de hoogte van de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie niet.
Limitering duur partneralimentatie
5.16
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze – na een eigen afweging – tot de zijne. Niet is gebleken van feiten en/of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe. Het hof is van oordeel dat de man, gelet op de ingrijpende gevolgen van limitering, ook in hoger beroep onvoldoende bijzondere omstandigheden heeft gesteld die een afwijking van het wettelijk uitgangspunt rechtvaardigen.
5.17
Nu de tweede en derde grief van de man falen, zal het hof de bestreden beschikking op het punt van de partneralimentatie en de limitering van de duur van de partneralimentatie bekrachtigen.
Verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap
Peildatum
5.18
Tussen partijen is niet in geschil dat de peildatum voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap 30 januari 2024 betreft, zijnde de datum van het inleidende verzoekschrift tot echtscheiding door de man.
Letselschadevergoeding
5.19
De man stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de door de man ontvangen letselschadevergoeding in de gemeenschap van goederen valt. De letselschadevergoeding betreft smartengeld voor de door de man dagelijks te ondervinden pijn en hinder aan zijn pols. De letselschadevergoeding is aan de man verknocht en valt buiten de gemeenschap van goederen. Daarnaast stelt de man dat de letselschadevergoeding nog traceerbaar is.
5.2
De vrouw stelt dat de letselschadevergoeding niet verknocht is aan de man. De man heeft onvoldoende aangetoond dat de letselschadevergoeding niet in de gemeenschap valt. Daarnaast stelt de vrouw dat een groot deel van de letselschadevergoeding gedurende het huwelijk is aangewend om grotere uitgaven te bekostigen. Het saldo op de gezamenlijke bankrekening is gevormd door de maandelijkse inkomsten en uitgaven van partijen.
5.21
Het hof stelt het volgende voorop. Artikel 1:94 lid Pro 3 (oud) van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalde dat goederen en schulden die aan een van de echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, slechts in de gemeenschap vallen voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet. Bij de op 1 januari 2018 in werking getreden Wet van 24 april 2017, Stb. 2017, 177, tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet teneinde de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken, is deze regeling omtrent verknochtheid ongewijzigd opgenomen in het huidige artikel 1:94 lid 5 BW Pro (vgl. Kamerstukken II 2013-2014, 33 987, nr. 6, p. 16). In dit geding is nog artikel 1:94 lid Pro 3 (oud) BW van toepassing.
5.22
Volgens vaste rechtspraak is het antwoord op de vragen of een goed dan wel een schuld, wegens het hoogstpersoonlijke karakter daarvan, in afwijking van de hoofdregel van art. 1:94 lid Pro 2 (oud) BW aan een van de echtgenoten is verknocht en, zo ja in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed, respectievelijk de schuld in de gemeenschap valt (art. 1:94 lid Pro 3 (oud) BW) afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder met name de aard van dat goed respectievelijk die schuld, zoals deze mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald (vgl. HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0957, HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1293 en HR 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:270).
5.23
Indien een der echtgenoten een vergoeding ontvangt voor schade die deze echtgenoot heeft geleden als gevolg van een ongeval, is niet reeds sprake van verknochtheid in de zin van art. 1:94 lid Pro 3 (oud) BW indien die vergoeding naar haar aard uitsluitend is afgestemd op de aan de persoon van die echtgenoot verbonden nadelige gevolgen van het ongeval. Omdat ook dan de omstandigheden van het geval in aanmerking dienen te worden genomen, zal de echtgenoot die zich op art. 1:94 lid Pro 3 (oud) BW beroept, ten minste (tevens) moeten stellen op welke schade(n) van de bij het ongeval betrokken echtgenoot de vergoeding betrekking heeft, opdat de rechter kan vaststellen of, en zo ja in hoeverre, die vragen ten aanzien van één of meer componenten van de vergoeding bevestigend moeten worden beantwoord. Zo is bijvoorbeeld van belang of de vergoeding betrekking heeft op schade die de betrokken echtgenoot als gevolg van het ongeval na ontbinding van de gemeenschap in de toekomst zal lijden, zoals toekomstige inkomensschade wegens door het ongeval blijvend verloren arbeidsvermogen (HR 3 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX8843 en HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0957).
5.24
Om tot verknochtheid te kunnen concluderen is verder vereist dat aangetoond wordt dat ten tijde van de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap als gevolg van echtscheiding die in geld ontvangen schadevergoeding nog te identificeren is, in die zin dat aangetoond kan worden dat de ten titel van schadevergoeding ontvangen geldsom geheel of althans voor een deel nog aanwezig is.
5.25
Vaststaat dat de man op 21 februari 2018 zijn pols heeft gebroken en door de spoedeisende hulp van Medisch Centrum Haaglanden hiervoor conservatief is behandeld met onderarmgips. Achteraf is gebleken dat het ziekenhuis een verkeerde inschatting heeft gemaakt en is de man alsnog geopereerd. De man heeft het ziekenhuis in 2019 aansprakelijk gesteld. Op 10 april 2022 heeft de man een vaststellingsovereenkomst (productie 12 bij journaalbericht van 17 april 2025 van de man in eerste aanleg) met De Onderlinge Waarborgmaatschappij voor Instellingen in de Gezondheidszorg MediRisk B.A. gesloten waarin is vastgesteld dat hij als gevolg van deze verkeerde inschatting van het ziekenhuis een bedrag van € 40.000,- aan schadevergoeding ontvangt. In de vaststellingsovereenkomst is geen uitsplitsing gemaakt naar de diverse posten waaruit deze schadevergoeding is samengesteld.
5.26
Het hof overweegt als volgt. De man heeft naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd gesteld dat de door de man ontvangen schadevergoeding ziet op immateriële schadevergoeding/smartengeld. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij sinds de foutieve behandeling van het ziekenhuis pijn heeft aan zijn pols als gevolg waarvan hij zijn pols, ook in de toekomst, niet goed kan bewegen omdat de fijne motoriek is aangetast. Desondanks is de man sinds de breuk en de operatie niet minder gaan werken en is er zodoende geen sprake van wegvallende arbeidsinkomsten. Niet gesteld of gebleken is dat deze schadevergoeding ziet op (een schadevergoeding voor) materiële schade. Uit de vaststellingsovereenkomst blijkt daarnaast dat de man naast het bedrag van € 40.000,- nog een bedrag van € 11.248,32 heeft ontvangen voor materiële schade, zijnde de kosten van deskundige bijstand (artikel 4 van Pro de vaststellingsovereenkomst). Het enkele (blote) standpunt van de vrouw dat het aan de man is om aan te tonen dat de letselschadevergoeding niet in de gemeenschap valt, nu de vrouw de stellingen van de man voorts niet heeft betwist met enige onderbouwing of specificering, volstaat daartegenover niet. Het hof overweegt dat een smartengelduitkering naar maatschappelijke normen kan worden aangemerkt als een verknocht goed. De strekking van het goed op het moment van de verkrijging is bepalend voor de beantwoording van de vraag of het goed verknocht is.
5.27
Tussen partijen is voorts niet in geschil dat het bedrag van € 40.000,- is overgeboekt naar de gemeenschappelijke bankrekening van partijen. Uit het door de vrouw overgelegde overzicht van het saldo op de gemeenschappelijke bankrekening op de peildatum (productie 8 bij haar verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken van 25 maart 2024 in eerste aanleg) blijkt dat er op de peildatum (in ieder geval) een bedrag van € 40.443,91 aanwezig was. In zoverre kan niet worden vastgesteld dat het bedrag, zoals de vrouw stelt, is besteed aan gemeenschappelijke uitgaven, wat daar verder ook van zij.
5.28
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat door de man voldoende onderbouwd is gesteld dat de letselschadeschadevergoeding dient ter compensatie voor de pijn en hinder die de man tot op heden ervaart als gevolg van de foutieve behandeling van het ziekenhuis, en daarmee wegens het hoogstpersoonlijke karakter aan de man is verknocht en buiten de gemeenschap valt. Daarmee slaagt de vierde grief van de man. Het hof zal op dit punt dan ook overgaan tot vernietiging van de bestreden beschikking.
Belastingteruggave 2023/2024
5.29
De vrouw stelt dat de man onterecht in zijn aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2024 de volledige hypotheekrente heeft afgetrokken, alsof hij deze zelf heeft betaald. De vrouw wil een verrekening van het bedrag dat de man aan haar verschuldigd zal zijn in verband met de correctie van zijn onjuiste aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2024 met het bedrag van € 1.419,- dat de vrouw uit hoofde van de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2023 (en door de man afgeloste belastingschuld) aan de man verschuldigd is.
5.3
De man betwist niet dat hij onterecht de volledige hypotheekrente heeft afgetrokken in zijn inkomstenbelasting over het jaar 2024 maar stelt dat indien de belastingdienst constateert dat de man een foutieve aangifte heeft gedaan, de belastingdienst dit zal corrigeren.
5.31
Het hof stelt voorop dat de man tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft verklaard dat hij inmiddels een afspraak heeft staan bij de belastingdienst voor een aanpassing van zijn aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2024.
5.32
Het hof overweegt voorts als volgt. Het hof kan op dit moment niet vaststellen of de vrouw, door het handelen van de man, wordt benadeeld. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat zij nog geen voorlopige aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2024 heeft ontvangen. Tot september 2024 zijn de hypotheeklasten door partijen samen, ieder voor de helft, betaald. Bovendien geldt dat de rechtbank heeft bepaald dat vanaf dat moment de door de vrouw aan de man te betalen gebruiksvergoeding (vanwege het feit dat de man geen gebruik van de woning heeft) gelijk wordt gesteld aan de helft van de hypotheek- en eigenaarslasten van de echtelijke woning (die de man aan de vrouw dient te vergoeden en uiteindelijk – in ieder geval netto – zal moeten dragen). De vrouw heeft dus weliswaar feitelijk in deze periode de volledige hypotheeklasten betaald, maar de verplichting van de man om bij te dragen in de hypotheekrente is daarbij weggestreept tegen de verplichting van de vrouw tot betaling van een even grote gebruiksvergoeding aan de man. Daarmee heeft de man de hypotheeklasten ook in deze periode uiteindelijk voor de helft gedragen. Voor het hof is onvoldoende duidelijk hoe de belastingdienst met deze situatie omgaat en of de man in deze situatie niet ook recht heeft op aftrek van het door hem gedragen deel van de hypotheeklasten. Al met al is, zeker nu de vrouw nog geen voorlopige aanslag over 2024 heeft ontvangen en de man alleen nog maar een afspraak heeft gemaakt voor aanpassing van zijn aangifte over 2024, voor het hof niet vast te stellen of er sprake zal zijn van een eventuele benadeling van de vrouw die niet meer op tijd zou kunnen worden rechtgezet, en zo ja, hoe groot deze zal zijn.
5.33
Gelet op het vorenstaande zal het hof het verzoek van de vrouw afwijzen.
Door de man opgenomen gelden
5.34
Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen is als gezegd niet in geschil dat de peildatum voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap 30 januari 2024 betreft. Voorts is niet in geschil dat het saldo van de bankrekening bij de ING met bankrekeningnummer [rekeningnummer] tussen partijen bij helfte dient te worden verdeeld, zoals door de rechtbank bepaald, en dat de vrouw deze rekening na de peildatum als eigen rekening heeft voortgezet. Uit het door de vrouw overgelegde e-mailbericht van 5 maart 2025 van de man aan de vrouw (productie 19 bij journaalbericht van 17 april 2025 in eerste aanleg) blijkt dat de man bij de vrouw aangeeft dat hij op die dag, zijnde ná de peildatum, € 1.000,- van voornoemde bankrekening heeft afgehaald. Gelet op het vorenstaande dient de man aan de vrouw een bedrag van € 1.000,- te vergoeden, zoals ook door hem is toegezegd. Het hof zal overeenkomstig beslissen.
Proceskosten
5.35
Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.
5.36
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking voor wat betreft de kinderalimentatie, de letselschadevergoeding en de teruggave van de door de man opgenomen €1.000,- en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige van € 473,- per maand zal betalen;
bepaalt dat de door de man ontvangen letselschadevergoeding van € 40.000,- aan de man verknocht is en buiten de gemeenschap van goederen is gebleven;
bepaalt dat de man aan de vrouw, met betrekking tot de door de man opgenomen gelden, een bedrag van € 1.000,- dient te vergoeden;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.E. Sutorius-Van Hees, A.F. Mollema en A.J.I. Mullenders, bijgestaan door mr. F. van Wijk-Spieker als griffier, en is op 11 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.