Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:498

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
200.317.021/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof wijst vorderingen over en weer in geschil over arbeidsovereenkomst en bedrijfseigendommen

Deze civiele zaak betreft een geschil tussen [appellante] en Key Knowledge & Skills B.V. (KKS) over achterstallig salaris, vakantiegeld, overuren, huur- en onkostenvergoedingen, verbouwwerkzaamheden en de koopprijs van een auto, alsmede een reconventionele vordering van KKS tot teruggave van bedrijfseigendommen en terugbetaling van leningen.

In eerste aanleg wees de kantonrechter de meeste vorderingen van [appellante] af, behalve een klein bedrag aan niet opgenomen vakantiedagen en onkostenvergoeding. Beide partijen gingen in hoger beroep. Het hof oordeelde dat KKS onvoldoende bewijs leverde dat het salaris en vakantiegeld volledig waren betaald, waardoor het achterstallig salaris en een deel van het vakantiegeld aan [appellante] moesten worden toegekend. De vorderingen voor overuren, huur, onkosten en verbouwwerkzaamheden werden afgewezen wegens gebrek aan bewijs.

De vordering van [appellante] tot betaling van het restant van de koopprijs van de Range Rover werd eveneens afgewezen, omdat geen koopovereenkomst was vastgesteld. In het incidentele hoger beroep werd [appellante] veroordeeld tot betaling van € 100,- aan KKS wegens niet ingeleverde bedrijfseigendommen. De overige vorderingen van KKS werden afgewezen. Het hof compenseerde de proceskosten in het principale beroep en veroordeelde KKS in de kosten van het incidentele hoger beroep.

Uitkomst: KKS wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig salaris en vakantiegeld aan appellante, terwijl appellante een beperkte schadeloosstelling aan KKS moet betalen voor niet ingeleverde bedrijfseigendommen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.317.021/02
Zaak- en rolnummer rechtbank : 9573109 CV EXPL 21-40034
Arrest van 7 april 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[appellante],
wonend in [woonplaats],
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. D.J. Elshof, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
Key Knowledge & Skills B.V.,
gevestigd in Bleiswijk,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. S. van Buuren, kantoorhoudend in Strijen.
Het hof noemt partijen hierna [appellante] en KKS.

1.De zaak in het kort

1.1
Deze zaak gaat over een stukgelopen (zaken)relatie. Partijen vorderen in deze procedure over en weer het nodige van elkaar. Het hof wijst de vorderingen over en weer op onderdelen toe respectievelijk af.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 21 september 2022, waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 24 juni 2022;
  • het arrest van dit hof van 29 november 2022, waarin een mondelinge behandeling is gelast, welke behandeling niet is doorgegaan;
  • de memorie van grieven van [appellante];
  • de memorie van antwoord tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel van KKS, met bijlagen;
  • de antwoordmemorie incidenteel appel tevens akte uitlaten producties van [appellante];
  • de akte hervatting rechtsgeding ex artikel 22 Rv Pro van 4 februari 2025;
  • de brief van 30 januari 2026 (door het hof ontvangen op 2 februari 2026) met bijlagen 1, 9, 10, 25 en 35 tot en met 66 die [appellante] ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd;
  • de akte houdende aanvullende producties (met producties 4 en 5) die KKS ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd.
2.2
Op 13 februari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Mr. Elshof heeft de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij heeft overgelegd.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
KKS wordt via JEMB Holding B.V. (hierna: JEMB) bestuurd door [bestuurder] (hierna: [bestuurder]). [bestuurder] is via JEMB ook voor 60% aandeelhouder en middellijk bestuurder van het inmiddels failliete Key Knowledge B.V. (hierna: KK). Van KK zijn de andere 40% van de aandelen, na aanvankelijk houderschap door de zoon van [appellante], verkocht en overgedragen aan Key Knowledge Box Ltd en Key Knowledge Ltd., welke vennootschappen naar Engels recht bestuurd worden door [appellante].
3.2
[appellante], destijds woonachtig op het adres [adres], is op 1 februari 2014 bij KKS, toen gevestigd te Bleiswijk, in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, aanvankelijk voor zes uur per week tegen een salaris van € 10,- per uur, en later voor een salaris van € 240,- per maand, te vermeerderen met vakantiegeld.
3.3
Op 22 december 2017 heeft KKS na daartoe verkregen toestemming de arbeidsovereenkomst met [appellante] opgezegd per 1 februari 2018.
3.4
Bij brief van 30 december 2020, geadresseerd aan KKS en JEMB, heeft [appellante] zich gewend tot [bestuurder] en hem meegedeeld dat zij nog achterstallig loon en andere kosten tegoed heeft van zijn BV’s.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
[appellante] heeft KKS gedagvaard en (onder meer) verschillende bedragen gevorderd in verband met openstaand salaris over de periode van 1 december 2015 tot en met 1 februari 2018, niet betaald vakantiegeld, niet betaalde overuren, vergoeding voor niet opgenomen vakantiedagen, onkostenvergoeding / huur en vergoeding voor elektra voor het kantoor Breukelen, bouwkosten en een restantbedrag in verband met de verkoop van haar auto aan KKS.
4.2
Volgens [appellante] heeft zij tijdens haar dienstverband met KKS (vrijwel) nooit salaris ontvangen. Er werden wel salarisspecificaties opgesteld, waarop melding is gemaakt van kastransacties, maar rond de data van salarisbetaling ging [bestuurder] met de bedrijfscreditcard naar het pinapparaat, pinde daar het salarisbedrag en stak het geld dan vervolgens in eigen zak. In de boekhouding werd vermeld: salaris [appellante] met een bankrekeningnummer. Daarom vordert [appellante] nu betaling van € 6.135,66 netto aan achterstallig salaris. Ook maakt zij aanspraak op betaling van vakantiegeld. Tevens stelt [appellante] dat zij 1.217 overuren heeft gemaakt van € 10,- netto per uur. In verband hiermee vordert zij € 12.170,- netto. Omdat [appellante] in 2015, 2016 en 2017 vakantie-uren heeft opgebouwd maar die niet genoten heeft, wil [appellante] ook daarvoor een vergoeding. Het gaat om 5,5 uur à € 10,- netto, hetgeen uitkomt op € 55,- netto. Eveneens maakt [appellante] op grond van haar arbeidsovereenkomst aanspraak op € 504,- aan vergoeding voor haar mobiele telefoon en reiskosten, te weten € 474,50 over 2017 en € 29,50 over 2018. Daarnaast stelt [appellante] dat het pand in Breukelen waar KKS gevestigd was door een familielid van haar was gehuurd en dat zij met [bestuurder] heeft afgesproken dat KKS voor het gebruik van het pand inclusief nutsvoorzieningen € 250,- per maand zou betalen. In verband hiermee vordert [appellante] € 2.125,- omdat over de periode van 1 december 2015 tot en met 15 augustus 2016, dus achteneenhalve maand, het bedrag van € 250,- niet is betaald. Voorts stelt [appellante] uit eigen middelen € 988,19 te hebben betaald voor verbouwwerkzaamheden in het pand, verricht ten behoeve en in opdracht van KKS, welk bedrag zij vergoed wenst te zien. Tot slot stelt [appellante] dat zij haar privé-auto in 2017 verkocht heeft aan KKS voor € 5.000,- maar dat van die koopsom € 3.500,- onbetaald is gebleven. Ook in verband daarmee eist zij betaling.
4.3
KKS heeft de vorderingen van [appellante] betwist.
4.4
KKS heeft op haar beurt in reconventie gevorderd dat [appellante] aan haar gelden betaalt dan wel goederen verstrekt.
4.5
KKS stelt daartoe dat [appellante] bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst is gevraagd bedrijfseigendommen toebehorend aan KKS te retourneren. Dat heeft zij niet gedaan. KKS heeft daarvoor ook geen financiële compensatie ontvangen. Het precieze bedrag in verband hiermee zal nog worden toegelicht.
4.6
[appellante] heeft de vordering van KKS betwist.
4.7
De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellante] toegewezen tot een bedrag van € 559,- (in verband met niet opgenomen vakantiedagen en een deel van de gevorderde onkostenvergoeding gebaseerd op haar arbeidsovereenkomst) en het overige afgewezen. De vordering van KKS in reconventie is door de kantonrechter niet-ontvankelijk verklaard. De kantonrechter heeft verder bepaald dat elke partij zijn eigen kosten draagt.

5.Vorderingen in hoger beroep

Principaal beroep

5.1
[appellante] heeft in hoger beroep haar eis op onderdelen gewijzigd en vordert nu:
  • € 6.135,66 netto aan openstaand salaris over de periode van 1 december 2015 tot en met 1 februari 2018;
  • een bedrag van € 1.143,60 netto aan achterstallig vakantiegeld;
  • een bedrag van € 12.350,- netto aan niet uitbetaalde overuren;
  • € 2.125,- ter zake van huur, elektra en aan onkostenvergoeding voor het toenmalige kantoor van KKS in Breukelen;
  • € 988,19 wegens verbouwwerkzaamheden aan het kantoor in Breukelen;
  • een bedrag van € 3.500,- als restant van de koopprijs van de Range Rover welke KKS had overgenomen van [appellante];
  • alle bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 november 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;
  • voor het overige het bestreden vonnis te bekrachtigen met veroordeling van KKS in de kosten van beide instanties.
5.2
Kort gezegd zien de bezwaren van [appellante] op het volgende: uitgangspunt is dat de werkgever moet aantonen dat het salaris is betaald en dat is niet gebeurd. [appellante] heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB bij de Belastingdienst en na onderzoek heeft de Belastingdienst geconcludeerd dat zij inderdaad het salaris niet had ontvangen en is de aanslag aangepast (grief 1). Het gevorderde vakantiegeld is onvoldoende betwist en had daarom moeten worden toegewezen (grief 2). De gevorderde overuren heeft [appellante] vooral besteed aan het opknappen van de woning in Breukelen. De taxatiewaarde van die woning is tussen 1 oktober 2015 en 12 juni 2016 opgelopen van € 500.000,- naar € 615.000,-. Daaruit volgt dat sprake is geweest van een aanzienlijke verbetering van het pand en die verbetering was het gevolg van de werkzaamheden die [appellante] in opdracht van [bestuurder] heeft verricht (grief 3). [appellante] heeft ook materialen moeten aanschaffen om het pand in Breukelen op te knappen (grief 4). Het was de intentie van [bestuurder] om het pand in Breukelen te kopen. Daarop vooruitlopend heeft hij met [appellante] afgesproken dat hij alvast gebruik kon maken van een deel van het pand waar zij woonde en daar is ook een vergoeding voor afgesproken (tweede deel grief 4). Partijen zijn voor de Range Rover een koopprijs overeengekomen van € 5.000,-, daarvan is slechts € 1.500,- betaald. Op KKS rust de bewijslast dat de koopprijs is voldaan (grief 6). Grief 5 ontbreekt.
5.3
KKS heeft ook in hoger beroep de vordering van [appellante] bestreden.
Incidenteel beroep
5.4
KKS eist in incidenteel hoger beroep opnieuw dat [appellante] aan haar gelden betaalt dan wel goederen verstrekt die KKS toebehoren op straffe van een dwangsom van € 150,- per dag met een maximum van € 10.000,-. Het gaat om bedrijfseigendommen (HP Laptop 450, Software Licenties memoory uitbreiding, HP Pro Printer, Philips FC9192, KPN Netwerkkastjes, Braun Blender, Canon Scanner, HP DT 6200 ProSFF, sleutel berging Shurgard en external HD Seagate slim 500 Gb) die tezamen een waarde van € 2.577,21 vertegenwoordigen. Daarnaast eist KKS betaling van in totaal € 3.750,49, in verband met twee geldleningen die niet aan haar zijn terugbetaald en betaling van een bedrag van € 4.480,- excl. btw vanwege gemaakte arbeidsuren om verweer te voeren tegen de vorderingen van [appellante]. KKS vordert verder nog voorwaardelijk veroordeling van [appellante] tot betaling van een bedrag van € 5.000,- ter zake van de factuur van 26 juni 2017. Ten slotte vordert KKS veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding.
5.5
[appellante] heeft de vordering van KKS betwist.

6.Beoordeling in hoger beroep

6.1
Het hof bespreekt eerst het principaal beroep.
Openstaand salaris van 1 december 2015 tot en met 1 februari 2018 (grief 1 principaal hoger beroep)
6.2
[appellante] vordert een bedrag van € 6.135,66 netto aan salaris over de periode 1 december 2015 tot en met 1 februari 2018. Volgens haar heeft zij over die periode geen salaris ontvangen. De afspraak was dat haar salaris feitelijk zou worden uitbetaald als de gezamenlijke vennootschap KK haar eerste order zou krijgen. Nadat KK, door toedoen van [bestuurder], is gefailleerd, heeft [appellante] alsnog aanspraak gemaakt op het salaris bij KKS. Dat [appellante] het salaris niet heeft ontvangen, volgt ook uit het feit dat de Belastingdienst na onderzoek diezelfde conclusie heeft getrokken en vervolgens de aanslagen heeft aangepast.
6.3
KKS betwist dat sprake is van achterstand. Er was sprake van uitbetaling van salaris, zowel per kas als per bank. Op de salarisstroken staat ook duidelijk vermeld of uitbetaling per kas of per bank plaatsvond. Ter zitting heeft KKS zich op het standpunt gesteld dat het vakantiegeld steeds per bank is overgemaakt, terwijl het maandelijkse salaris steeds contant is uitbetaald. Volgens KKS is het salaris van [bestuurder] volledig (contant) voldaan.
6.4
Het hof overweegt als volgt. Uit de verklaring van KKS volgt dat zij erkent dat zij ten aanzien van het gevorderde salaris betalingsplichtig is jegens [appellante]. KKS betwist niet de omvang van de salarisvordering, maar volgens haar is het salaris van [appellante] steeds betaald. [appellante] heeft bankafschriften overgelegd van de bankrekening waarop blijkens (een aantal) salarisstroken het salaris zou worden gestort. Daaruit volgt niet dat de salarisbetalingen zijn gedaan. KKS heeft hier ter zitting desgevraagd over verklaard dat [appellante] verschillende rekeningen had. Dat verklaart echter niet waarom zo’n ander rekeningnummer dan niet op de salarisstrook stond. Bovendien heeft KKS ter zitting ook verklaard dat alleen het vakantiegeld naar een bankrekening is overgemaakt en dat álle salarisbetalingen contant zijn verricht. De stelling van [appellante] dat haar salaris niet is betaald, wordt ondersteund door de door haar overgelegde uitspraken (op bezwaar) van de Belastingdienst over 2015 en 2016 waarin het inkomen van [appellante] is vastgesteld op respectievelijk € 505,- en € 388,-. [appellante] heeft hiermee de stelling van KKS dat haar salaris wél is betaald, voldoende betwist. Nu KKS ter zitting van het hof desgevraagd te kennen heeft gegeven niet over bewijs (bijvoorbeeld in de vorm van kwitanties) te beschikken en zij verder ook geen op deze stelling toegesneden bewijsaanbod heeft gedaan, brengt dat mee dat het hof niet kan vaststellen dat het salaris is voldaan. Dat betekent dat grief I slaagt en dat de vordering in zoverre zal worden toegewezen.
6.5
[appellante] heeft wettelijke rente gevorderd over alle toe te wijzen bedragen vanaf 26 november 2021 tot aan de dag der algehele voldoening. Nu hiertegen door KKS geen verweer is gevoerd, zal het hof de vordering ook in zoverre toewijzen.
Achterstallig vakantiegeld (grief 2 principaal hoger beroep)
6.6
[appellante] vordert in totaal een bedrag van € 1.143,60 netto aan achterstallig vakantiegeld. Daarvan heeft een bedrag van € 153,60 betrekking op de periode 1 juni 2017 tot en met januari 2018 (= einde dienstverband) over de contracturen (zes per week). Een bedrag van € 988,- betreft vakantiegeld over de door haar gestelde overuren.
6.7
KKS stelt zich op het standpunt dat [appellante] in grief 2 een eiswijziging probeert mee te nemen zonder dat zij daartoe een vermeerdering van eis in haar memorie van grieven heeft ingediend. [appellante] is daarom niet-ontvankelijk in haar eisvermeerdering. Volgens KKS heeft [appellante] ten aanzien van de oorspronkelijke eis ter zake geen aparte grief ingesteld, waardoor de grief in haar geheel buiten beschouwing moet blijven. Overigens blijft KKS bij haar standpunt dat zij het verschuldigde vakantiegeld aan [appellante] heeft uitbetaald. Het vakantiegeld over de overuren wordt betwist, omdat KKS betwist dat er overuren zijn gemaakt.
6.8
Het hof overweegt als volgt. Vooropgesteld moet worden dat het hoger beroep er mede toe strekt de partij die in hoger beroep komt de gelegenheid te bieden tot het verbeteren en aanvullen van hetgeen hij zelf bij de procesvoering in eerste aanleg heeft gedaan of nagelaten. De oorspronkelijk eiser heeft dus de bevoegdheid om in hoger beroep zijn eis te veranderen of te vermeerderen.
6.9
[appellante] heeft in haar memorie van grieven uiteengezet over welke periode zij vakantiegeld vordert. Dat deze periode, en daarmee het bedrag, afwijkt van hetgeen in eerste aanleg is gevorderd, doet gelet op de herkansingsfunctie van het hoger beroep niet ter zake. Evenmin valt in te zien dat de grief (volledig) buiten beschouwing moet worden gelaten.
6.1
Volgens KKS heeft zij het verschuldigde vakantiegeld betaald, ook over de periode juni 2017 tot januari 2018. Het hof leidt uit de door KKS in eerste aanleg overgelegde bankafschriften af dat de gebruikelijke gang van zaken dat vakantiegeld achteraf wordt uitbetaald, ook door KKS werd gehanteerd. Immers, na de indiensttreding in 2014 volgt uitbetaling van (het eerste) vakantiegeld in 2015. Er is ook niet gebleken van afspraken dat dat hier anders zou zijn. Dat betekent dat moet worden aangenomen dat de betaling van vakantiegeld in mei 2017 betrekking had op de daaraan voorafgaande periode van juni 2016 tot en met mei 2017. Het vakantiegeld over de periode juni 2017 tot en met januari 2018 zou dan zijn uitgekeerd bij het einde van het dienstverband. Er zijn evenwel geen stukken overgelegd waaruit volgt dat dat ook is gebeurd. Evenmin heeft KKS een ter zake doend bewijsaanbod gedaan. Dat betekent dat, nu niet is gebleken dat het vakantiegeld over de periode juni 2017 tot aan het einde van het dienstverband is betaald, de vordering in zoverre zal worden toegewezen. Grief 2 slaagt daarmee voor zover zij betrekking heeft op het gevorderde vakantiegeld over het reguliere salaris. Het gevorderde vakantiegeld over de overuren deelt het lot van de overuren die onder grief 3 worden besproken,
Niet betaalde overuren (grief 3 in principaal hoger beroep)
6.11
[appellante] vordert een bedrag van € 12.350,- netto aan niet uitbetaalde overuren. Dit betreft in het bijzonder de uren die zij volgens haar stelling vanaf april 2016 heeft besteed aan het opknappen van de woning in Breukelen. [appellante] heeft in verband hiermee verwezen naar een ‘overzicht extra uren’.
6.12
KKS betwist dat er sprake is geweest van opgebouwde overuren. Op de salarisstroken staan geen overuren vermeld en de gestelde overuren blijken ook nergens uit.
6.13
Het hof overweegt als volgt. Van een opdracht door KKS aan [appellante] tot het verrichten van overuren is niet gebleken. Op basis van het door [appellante] zelf opgestelde ‘overzicht extra uren’, dat door KKS wordt betwist, kan niet worden vastgesteld dat [appellante] inderdaad deze (over)uren voor KKS heeft gemaakt. Ter zitting heeft [appellante] verklaard dat zij gedurende haar dienstverband steeds overuren heeft verricht en dat zij dat ook steeds per mail aan KKS heeft doorgegeven, evenals de specificatie daarvan. [appellante] heeft echter ook verklaard dat zij niet in staat is deze mails over te leggen en een relevant bewijsaanbod is op dit punt uitgebleven.
6.14
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat niet is komen vast te staan dat er door [appellante] in opdracht van KKS overuren zijn gemaakt. De vordering zal op dit punt dan ook worden afgewezen en dat geldt daarmee ook voor de vordering vakantiegeld over de gestelde overuren. In zoverre falen dus de grieven 2 en 3.
Huur, elektra en onkostenvergoeding (grief 4 in principaal hoger beroep)
6.15
[appellante] vordert € 2.125,- ter zake van huur, elektra en onkostenvergoeding voor het toenmalige kantoor van KKS in Breukelen. KKS was van plan om het pand in Breukelen te kopen. Daarop vooruitlopend sprak [bestuurder] met [appellante] af dat hij alvast gebruik kon maken van een deel van het pand waar zij woonde en daar is ook een vergoeding voor afgesproken van € 250,- per maand. KKS heeft servers geplaatst in de door haar gebruikte ruimte (energieverbruik) en KKS heeft cursussen gegeven in het pand, aldus [appellante].
6.16
Volgens KKS had niet zij, maar een andere vennootschap van [bestuurder], JEMB het voornemen om het pand in Breukelen te kopen. Dat betrof een zakelijk voornemen buiten [appellante] om. Dat KKS met [appellante] is overeengekomen om huur, elektra en onkosten te vergoeden, wordt door KKS betwist. Desgevraagd heeft KKS ter zitting verklaard niet te weten waar het ‘voorschot onkosten vergoeding’ van € 1.000,- betrekking op had. [appellante] deed regelmatig een verzoek om een voorschot, dus dat ‘kan van alles zijn’.
6.17
Het hof overweegt als volgt. De gestelde vaste afspraak tussen [appellante] en KKS, inhoudend dat KKS huur en elektra zou vergoeden voor het gebruik (van een deel) van het pand in Breukelen, wordt door KKS betwist. Deze afspraak blijkt verder ook nergens uit. De enkele omstandigheid dat er eenmalig een bedrag is overgemaakt met als omschrijving ‘voorschot onkosten vergoeding’ is daarvoor in elk geval onvoldoende. [appellante] heeft verder ook op dit punt geen bewijsaanbod gedaan. De gestelde afspraak kan daarom niet als vaststaand worden aangenomen. Dit leidt tot de conclusie dat de grief faalt en daarmee strandt de vordering op dit punt.
Verbouwwerkzaamheden (grief 4 in principaal hoger beroep)
6.18
Volgens [appellante] heeft [bestuurder] haar opdracht gegeven om (verbouw)werkzaamheden uit te voeren in het pand in Breukelen. [appellante] heeft die werkzaamheden ook uitgevoerd en zij heeft daarvoor ook materialen moeten aanschaffen. Zij vordert daarom een bedrag van € 988,19 en verwijst voor een specificatie van de kosten naar een overzicht van hetgeen zij ten behoeve van het pand heeft aangeschaft.
6.19
KKS betwist dat zij [appellante] opdracht heeft gegeven voor het verrichten van werkzaamheden in het pand, dat blijkt ook nergens uit. Volgens KKS heeft [appellante] wel een badkamer laten realiseren voor haar zoon.
6.2
Het hof overweegt als volgt. [appellante] heeft niet betwist dat een badkamer voor haar zoon is gemaakt. Op grond van hetgeen [appellante] verder heeft gesteld kan niet worden vastgesteld dat de verbouwing in het pand in Breukelen ten behoeve of in opdracht van KKS is gedaan en ook niet dat de gemaakte kosten ten behoeve van KKS zijn gemaakt. Ook hier is door [appellante] geen specifiek bewijsaanbod gedaan, zodat de vordering ook op dit punt zal worden afgewezen.
Range Rover (grief 6 principaal hoger beroep)
6.21
[appellante] stelt zich op het standpunt dat KKS in 2015 haar auto (een Range Rover) heeft overgenomen voor een bedrag van € 5.000,-. De koopprijs is echter nooit voldaan, maar de auto werd wel op de balans van KKS gezet. In 2017 is de auto verkocht voor € 1.500,-, welk bedrag [appellante] heeft ontvangen. [appellante] vordert nu een bedrag van € 3.500,- als restant van de koopprijs van de Range Rover. Het overschrijven van de auto is een sterke indicatie voor de koopovereenkomst en het in de eigen boeken opnemen van het bedrag van € 5.000,- is een bevestiging van de door [appellante] gestelde koopprijs, aldus [appellante].
6.22
KKS betwist dat sprake was van een koopovereenkomst met betrekking tot de Range Rover. Volgens KKS hadden partijen een mondelinge overeenkomst om de auto te laten opknappen en door te verkopen met een geprognosticeerde winst van € 40.000,-. KKS heeft echter nooit de afspraak gemaakt om de auto te kopen. Het voertuig had een fictieve economische waarde van € 5.000,- en moest volgens de boekhouder verplicht (als investeringsobject) worden opgevoerd in de administratie. Toen herstel van de auto een kansloze onderneming bleek, heeft KKS een factuur opgemaakt om de auto weer uit de boeken te krijgen. [appellante] is steeds de enige geweest die auto gebruikte, terwijl KKS de kosten betaalde.
6.23
Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat de Range Rover in 2014 op naam van KKS is gesteld en voor € 5.000,- is opgenomen op de balans van KKS. De door KKS geschetste achtergrond hiervan, kort gezegd: opknappen en met winst doorverkopen, is door [appellante] niet bestreden. Evenmin is door [appellante] betwist dat KKS de reparatiefacturen (ten bedrage van € 15.000,-) heeft betaald. Dat tussen partijen (ook) een koopovereenkomst is gesloten, waarbij KKS € 5.000,- aan [appellante] zou betalen voor de auto, blijkt nergens uit. Het volgt ook niet uit de door [appellante] genoemde omstandigheid dat KKS de Range Rover voor dat bedrag in de boeken heeft opgenomen. Daarvoor is immers door KKS een verklaring gegeven die, zoals gezegd, door [appellante] verder niet is bestreden. [appellante] heeft tegenover het verweer van KKS dus onvoldoende gesteld om het bestaan van een koopovereenkomst tussen partijen aan te nemen. Ook grief 6 faalt. De vordering zal op dit punt worden afgewezen.
6.24
Met afwijzing van de vordering op dit punt is de voorwaarde voor de reconventionele vordering van KKS niet vervuld. Het hof komt hier dus niet aan toe.
Incidenteel hoger beroep
6.25
KKS vordert bedrijfseigendommen terug danwel de vergoeding van de waarde daarvan. Ook vordert KKS terugbetaling van leningen aan [appellante]. Meer in het bijzonder gaat het hierbij om:
een HP Laptop 450;
Software Licenties memoory uitbreiding;
HP Pro Printer;
Philips FC 9192 (= stofzuiger);
KPN Netwerkkastjes;
Braun Blender;
Canon Scanner;
HP DT 6200 PRO SFF;
Sleutel berging Shurgard;
External HD Seagate slim 500 Gb;
twee geldleningen, totaal € 3.750,49.
6.26
[appellante] betwist de vordering van KKS. Volgens haar zijn de printer en de stofzuiger door KKS aangeboden als vervanging voor de privé-eigendommen van [appellante]. De stofzuiger was daarbij ook een verjaardagscadeau van [bestuurder] aan [appellante]. De laptop was een kerstcadeau van [bestuurder] aan haar. De leningen betroffen privé-leningen tussen [appellante] en [bestuurder].
6.27
Het hof overweegt als volgt. In haar brief van 22 december 2017 heeft KKS [appellante] verzocht alle bedrijfseigendommen uiterlijk 31 december 2017 te retourneren. Bij die brief zit een bijlage met een overzicht van de bedrijfseigendommen. Met uitzondering van de ‘software Licenties memoory uitbreiding’, waarvan KKS nu ook de teruggave of vergoeding vordert, heeft KKS in de opzegbrief al laten weten dat [appellante] de onder rov. 6.25 bedoelde spullen moet retourneren.
6.28
Nu de ‘software Licenties memoory uitbreiding’ niet is opgenomen op de lijst van bedrijfseigendommen die [appellante] eind 2017 moest inleveren en verder nergens uit blijkt dat [appellante] dit (gestelde) eigendom van KKS onder zich heeft, wordt de vordering van KKS op dit punt afgewezen. KKS heeft op dit punt onvoldoende gesteld.
6.29
KKS heeft niets ingebracht tegen het verweer van [appellante] dat de printer, de stofzuiger en de laptop bij verschillende gelegenheden aan haar (cadeau) zijn gegeven. De vordering zal daarom ook in zoverre worden afgewezen. Ten aanzien van de overige spullen (KPN netwerkkastjes, Braun Blender, Canon Scanner, HP DT 6200 ProSFF, sleutel berging Shurgard en External HD Seagate slim 500 Gb) heeft [appellante] onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij deze eigendommen van KKS in bezit had. Evenmin is gebleken dat deze spullen (in 2017 of op een later moment) aan KKS zijn geretourneerd en [appellante] heeft op dit punt ook geen bewijsaanbod gedaan. Dat brengt mee dat deze goederen in beginsel terug moeten naar KKS.
6.3
KKS heeft teruggave van de goederen gevorderd of een vergoeding daarvoor. [appellante] heeft zich op het standpunt gesteld dat zij deze goederen niet (meer) in haar bezit heeft. Het hof zal de vordering tot teruggave van de goederen bij gebreke van voldoende aanwijzingen voor het tegendeel daarom afwijzen. Nu [appellante] de door KKS gestelde prijzen heeft betwist, en de gevorderde waardevergoeding van de bedrijfseigendommen feitelijk neerkomt op schadevergoeding, zal het hof in verband met de vergoeding van deze spullen daarvan zelf de waarde schatten. Gelet op de aard van de spullen en inmiddels verstreken tijd (sinds 2017) zal het hof die waarde vaststellen op € 100,-. De vordering van KKS zal in zoverre worden toegewezen.
6.31
Met betrekking tot de leningen waarvan KKS terugbetaling vordert, overweegt het hof het volgende. Tegen het verweer van [appellante], dat deze leningen zijn gesloten tussen [appellante] en [bestuurder] in privé, is door KKS niets ingebracht. Dit verweer wordt ondersteund door de door KKS zelf ingebrachte schuldbekentenissen van [appellante] waarin is opgenomen dat zij van [bestuurder] in privé geld heeft geleend in oktober 2012 en in februari 2014. Nu beide leningen (kennelijk) zijn verstrekt door [bestuurder] in privé, kan de terugbetaling hiervan niet door KKS worden teruggevorderd. De vordering zal daarom op dit punt worden afgewezen.
Arbeidsuren KKS ten bedrage van € 4.480,- excl BTW
6.32
KKS vordert ook een bedrag van € 4.480,- exclusief btw in verband met gemaakte arbeidsuren om verweer te voeren. [appellante] heeft de vordering op dit punt betwist.
6.33
Het hof zal deze vordering afwijzen. De vordering betreft feitelijk een schadeloosstelling, maar KKS heeft niet toegelicht dat zij door het besteden van tijd aan het voeren van verweer tegen de vordering van [appellante] schade heeft geleden.
Conclusie en proceskosten
6.34
De conclusie is dat het principale hoger beroep van [appellante] gedeeltelijk slaagt. Daarom zal het hof het vonnis vernietigen voor zover daarin de vordering tot betaling van achterstallig salaris is afgewezen en bepalen dat KKS het achterstallige salaris over de periode 1 december 2015 tot februari 2018 (een bedrag van € 6.135,66 netto), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 26 november 2021, aan [appellante] moet betalen. Het hof zal KKS ook veroordelen het vakantiegeld over de periode 1 juni 2017 tot en met januari 2018, een bedrag van € 153,60 netto, aan [appellante] te betalen.
6.35
In het incidentele hoger beroep is de conclusie dat [appellante] zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 100,- aan KKS in verband met schadeloosstelling voor niet ingeleverde bedrijfseigendommen.
6.36
Het hof zal het vonnis voor het overige bekrachtigen. Nu [appellante] en KKS in het principale hoger beroep over en weer in het (on)gelijk worden gesteld, zal het hof de proceskosten in het principale hoger beroep compenseren. In het incidentele hoger beroep wordt KKS grotendeels in het ongelijk gesteld. Het hof zal daarom KKS veroordelen in de kosten van het incidentele hoger beroep.
6.37
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van [appellante] (in het incidentele beroep) op:
salaris advocaat € 645,- (1 punt × tarief II)
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 834,-.

7.Beslissing

Het hof:
  • vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 24 juni 2022, uitsluitend met betrekking tot het (afwijzend) oordeel ten aanzien van het achterstallig salaris en in zoverre opnieuw rechtdoende:
  • veroordeelt KKS tot betaling aan [appellante] van een bedrag van € 6.135,66 netto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van 26 november 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;
  • bekrachtigt het vonnis voor het overige;
  • veroordeelt KKS tot betaling aan [appellante] van een bedrag van € 153,60 netto;
  • veroordeelt [appellante] tot betaling aan KKS van een bedrag van € 100,- en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
  • compenseert de proceskosten in het principale hoger beroep;
  • veroordeelt KKS in de kosten in het incidentele hoger beroep, aan de zijde van [appellante] begroot op € 834,-;
  • bepaalt dat als KKS niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, KKS de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. R.G.C. Veneman, R.J.F. Thiessen en P.Th. Sick en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.