Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:545

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
200.341.163/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verwijzing na Hoge Raad
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming woonwagenstandplaats na beëindiging huurrelatie en toetsing artikel 8 EVRM

Appellant woonde zonder recht of titel in een woonwagen op een standplaats die door zijn voormalige partner van de Gemeente werd gehuurd. Na beëindiging van de relatie en opzegging van de huurovereenkomst vorderde de Gemeente ontruiming van de standplaats. De kantonrechter en het hof Amsterdam wezen de vordering toe, waarbij het hof Amsterdam een langere ontruimingstermijn gaf.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat ontruiming in strijd zou zijn met artikel 8 EVRM Pro, omdat hij vanwege zijn gezondheid en de situatie op de woningmarkt niet elders passende woonruimte kon vinden. De Hoge Raad vernietigde het eerdere arrest wegens onvoldoende motivering over de proportionaliteit van de inmenging.

Na verwijzing oordeelt het hof dat appellant onvoldoende heeft onderbouwd dat passende woonruimte elders niet beschikbaar is. Het belang van de Gemeente bij het tegengaan van illegale bewoning weegt zwaarder dan het belang van appellant. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt appellant in de proceskosten.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis tot ontruiming en wijst het hoger beroep van appellant af wegens onvoldoende onderbouwing van het artikel 8 EVRM-verweer.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.341.163/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : 8401666 / CV EXPL 20-2757
Zaaknummer hof Amsterdam : 200.288.066/01
Zaaknummer Hoge Raad : 22/04380
Arrest van 10 maart 2026 (na verwijzing door de Hoge Raad)
in de zaak van
[appellant],
wonend in [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: voorheen mr. C.C.J.L. Huurman-Ip Vai Ching, kantoorhoudend in Rotterdam, die zich als zodanig heeft onttrokken,
tegen
de Gemeente Haarlem,
gevestigd in Haarlem,
geïntimeerde,
advocaat: mr. F. Sepmeijer, kantoorhoudend in Den Haag.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en de Gemeente.

1.De zaak in het kort

1.1
[appellant] heeft met zijn toenmalige partner samengewoond in een woonwagen, op een standplaats die deze partner van de Gemeente huurde. De relatie is op enig moment verbroken waarna de partner is verhuisd. [appellant] is er blijven wonen. De Gemeente vordert in deze procedure zijn ontruiming.
1.2
De kantonrechter heeft de vordering toegewezen. [appellant] is in hoger beroep gegaan. Het gerechtshof Amsterdam was het (grotendeels) eens met de kantonrechter. In cassatie heeft de Hoge Raad (HR) de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam vernietigd, omdat die uitspraak op één onderdeel niet goed was gemotiveerd. Het gaat daarbij om de vraag of de gevraagde ontruiming in strijd is met artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Volgens [appellant] is niet voldaan aan de op grond van dat artikel geldende proportionaliteitseis, omdat geen passende vervangende woonruimte voorhanden zou zijn.
1.3
De HR heeft de zaak verwezen naar dit hof voor een verdere behandeling. Het hof geeft [appellant] ongelijk.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 30 december 2020, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland van 18 november 2020;
  • de memorie van grieven van [appellant] ;
  • de memorie van antwoord van de Gemeente, met bijlagen;
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling voor het gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof Amsterdam) op 17 mei 2022;
  • de uitspraak van het hof Amsterdam van 23 augustus 2022;
  • het arrest van de Hoge Raad van 12 januari 2024 en de daarin vermelde stukken;
  • de oproeping na verwijzing van de Gemeente van 24 april 2024;
  • het arrest van dit hof van 4 juni 2024, waarin een mondelinge behandeling is gelast;
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 november 2024;
  • de memorie na verwijzing van de Gemeente tevens akte vermeerdering grondslag van eis, met bijlage.
2.2
[appellant] heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een memorie na verwijzing te nemen. Aan hem is verval van instantie verleend.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
In 2005 heeft de Gemeente een standplaats met berging in [plaats] aan [naam] verhuurd (hierna ook: het gehuurde). Het gehuurde is uitsluitend bestemd voor het plaatsen van een woonwagen in de zin van de Woningwet. [naam] heeft een eigen woonwagen op het gehuurde geplaatst.
3.2
In 2013 is [naam] met [appellant] gaan samenwonen in de woonwagen op het gehuurde. [appellant] is in 2013 op dit adres ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie.
3.3
De relatie tussen [appellant] en [naam] is in 2015 geëindigd. [naam] is verhuisd naar een ander adres in [plaats] en heeft zich op dat adres ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. [appellant] is in de woonwagen blijven wonen.
3.4
Op 29 juli 2015 heeft de Gemeente aan [naam] geschreven:
“(...) U heeft telefonisch (...) een verzoek ingediend voor de aanpassing van de hoofdhuurder van huurovereenkomst voor een woonwagenstandplaats met contractnummer (...). Op deze huurovereenkomst zijn van toepassing de algemene huurvoorwaarden voor woonwagens en standplaatsen in eigendom bij de gemeente Haarlem (...). Onder deze voorwaarden valt het uitsterfbeleid op woonwagenplaatsen en dit betekent dat het niet mogelijk is om de plaats opnieuw te verhuren. U zult schriftelijk de huuropzegging dienen te voldoen en er zal door de afdeling Juridische Zaken worden bekeken of de aanpassing naar een andere hoofdhuurder volgens de algemene huurvoorwaarden mogelijk is. Aangezien u al uitgeschreven bent op het adres (...), verzoek ik u deze schriftelijke opzegging per omgaande aan ons te sturen. (...)”
3.5
In januari 2016 hebben [naam] en [appellant] , onder verwijzing naar hun samenlevingscontract, de Gemeente verzocht de huurovereenkomst op hun beider naam te zetten.
3.6
De Gemeente heeft de huurovereenkomst met [naam] in april 2016 opgezegd tegen 1 februari 2017 op de grond dat zij zich niet als goed huurder gedraagt door het gehuurde niet zelf te bewonen. Deze opzegging is niet gevolgd door een beëindigingsprocedure bij de kantonrechter. In de brief staat ook dat [appellant] het gehuurde zonder recht of titel bewoont en dat het [naam] op grond van algemene huurvoorwaarden niet is toegestaan het gehuurde zonder schriftelijke toestemming van de Gemeente aan derden in gebruik te geven.
3.7
In december 2019 heeft de Gemeente de huurovereenkomst met [naam] opgezegd tegen 1 juli 2020. Als grond voor de opzegging heeft de Gemeente opnieuw aangevoerd dat [naam] zich niet als goed huurder gedraagt door het gehuurde niet zelf te bewonen. De Gemeente heeft verder vermeld dat het bestemmingsplan wonen op de locatie van de woonwagenstandplaats niet langer toestaat. De Gemeente heeft [naam] dan ook verzocht de standplaats leeg en ontruimd op te leveren.
3.8
In december 2019 heeft [appellant] zich op het standpunt gesteld dat hij de huur als hoofdhuurder heeft voortgezet, althans dat tussen hem en de Gemeente een huurovereenkomst bestaat. Verder heeft hij erop gewezen dat de Gemeente geen uitsterfbeleid meer mag toepassen op woonwagenstandplaatsen. Ten slotte heeft hij de Gemeente verzocht de huurrelatie met hem voort te zetten.
3.9
De Gemeente heeft het verzoek afgewezen en meegedeeld dat [appellant] de standplaats uiterlijk 1 mei 2020 dient te verlaten. Verder heeft de Gemeente bericht dat van een uitsterfbeleid in [plaats] geen sprake is: huurders van een standplaats op het woonwagenkamp waar het gehuurde zich bevindt hebben het eerste recht op een vrijkomende standplaats elders in de stad.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
De Gemeente heeft [naam] en [appellant] eind 2020 gedagvaard. In de zaak tegen [naam] heeft zij de ontbinding van de huurovereenkomst gevorderd. Verder heeft zij zowel ten aanzien van [naam] als ten aanzien van [appellant] een veroordeling tot ontruiming gevorderd, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en betaling van een gebruiksvergoeding in de periode tussen ontbinding en ontruiming. De Gemeente heeft daarbij ook aangevoerd dat [appellant] zonder recht of titel in het gehuurde verblijft.
4.2
De kantonrechter heeft de vorderingen toegewezen. De huurovereenkomst tussen [naam] en de Gemeente is ontbonden en [naam] en [appellant] zijn veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde binnen drie maanden na betekening van het vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en tot betaling van een gebruiksvergoeding van € 245,- per maand (zoals gevorderd) over de periode tussen ontbinding en feitelijke ontruiming. [naam] en [appellant] zijn in de proceskosten veroordeeld.

5.Vorderingen in hoger beroep

5.1
[naam] heeft in deze uitspraak berust. [appellant] is in hoger beroep gekomen en heeft gevorderd dat het hof Amsterdam de vorderingen van de Gemeente alsnog af zou wijzen.
5.2
Kort gezegd zagen de grieven (bezwaren) van [appellant] op het volgende. Met grieven 1 en 2 heeft [appellant] zijn stelling gehandhaafd dat hij als medehuurder moet worden aangemerkt, dan wel dat tussen hem en de Gemeente stilzwijgend een nieuwe huurovereenkomst tot stand was gekomen. Met grief 3 heeft [appellant] zich beroepen op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (met name het vertrouwensbeginsel). Grief 4 – de enige grief die na verwijzing nog van belang is – houdt samengevat in dat artikel 8 EVRM Pro aan ontruiming in de weg staat.

6.Beslissingen van het hof Amsterdam en de Hoge Raad; eiswijziging na verwijzing

6.1
Het hof Amsterdam heeft alle grieven verworpen. Het zag wel aanleiding voor een langere ontruimingstermijn en heeft het vonnis van de kantonrechter daarom alleen in zoverre vernietigd en die termijn op zes maanden na betekening gesteld. Voor het overige heeft het hof het vonnis bekrachtigd. [appellant] is in de kosten in hoger beroep veroordeeld.
6.2
Ten aanzien van het beroep op artikel 8 EVRM Pro heeft het hof Amsterdam het volgende, voor zover van belang, overwogen:
“3.9 Metgrief IVvoert [appellant] aan dat het beroep op artikel 8 EVRM Pro ertoe moet leiden dat hem het huurgenot van de standplaats wordt verschaft althans het gebruik daarvan wordt gedoogd. Voor [appellant] is van belang dat hij op zijn huidige standplaats in familieverband kan blijven wonen. Voorts moet rekening worden gehouden met zijn gezondheid; hij loopt erg slecht, lijdt aan suikerziekte en heeft beginnende Parkinson en hartritmestoornissen.
3.9.1
Zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen, kan het beroep van [appellant] op de bescherming van artikel 8 EVRM Pro er niet toe leiden dat de Gemeente hem het huurgenot van de standplaats verschaft of zijn gebruik daarvan gedoogt. Illegale huisvesting, in dit geval het gebruik van de standplaats door [appellant] , moet immers worden tegengegaan. Aangezien voor het woonwagencentrum (...) een afbouwscenario geldt, hebben huurders (...) het eerste recht op een vrijkomende standplaats elders in de stad. [appellant] is evenwel geen huurder en hem komt dan ook geen eerste recht toe op een vrijkomende standplaats. [appellant] heeft overigens onvoldoende onderbouwd dat het voor hem op medische gronden noodzakelijk is in het gehuurde te blijven.”
6.3
[appellant] heeft in cassatie (afgezien van een voortbouwklacht) uitsluitend klachten gericht tegen de hiervoor geciteerde overweging 3.9.1. van het hof Amsterdam. Onderdeel 2 van zijn cassatiemiddel hield in dat het hof Amsterdam had miskend dat uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) volgt dat als een bewoner die uit zijn woning ontruimd dreigt te worden een ‘artikel-8-verweer’ opwerpt, de nationale rechter dat verweer gedetailleerd dient te onderzoeken en zijn oordeel over het verweer adequaat dient te motiveren.
6.4
De HR heeft [appellant] hierin gelijk gegeven en heeft daartoe samengevat het volgende overwogen. De gevorderde ontruiming vormt een inmenging op het door artikel 8 EVRM Pro gewaarborgde recht van [appellant] op eerbiediging van de woning. Het hof moest de aangevoerde relevante argumenten wat betreft de evenredigheid van die inmenging in detail onderzoeken en zijn beslissing afdoende motiveren. [appellant] heeft in dit verband aangevoerd:
(1) dat het voor hem van belang is om in familieverband te kunnen blijven wonen, omdat hij, vanwege zijn slechte gezondheid, van hen mantelzorg ontvangt en
(2) dat het voor hem, gezien de huidige situatie op de woningmarkt, vrijwel onmogelijk is om voor andere passende woonruimte in aanmerking te komen.
Het hof Amsterdam heeft die onder (1) bedoelde stellingen samengevat weergegeven in r.o. 3.9 en naar aanleiding daarvan in r.o. 3.9.1 overwogen dat “ [appellant] overigens onvoldoende [heeft] onderbouwd dat het voor hem op medische gronden noodzakelijk is in het gehuurde te blijven”. De zojuist onder (2) bedoelde stelling van [appellant] heeft het hof echter niet kenbaar in zijn overwegingen betrokken. Daardoor heeft het hof niet voldaan aan de verplichting om alle door [appellant] aangevoerde relevante argumenten betreffende de evenredigheid van de inmenging in detail te onderzoeken en zijn beslissing afdoende te motiveren.
6.5
Na verwijzing heeft op 6 november 2024 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De Gemeente heeft in zijn memorie na verwijzing onder verwijzing naar overgelegde correspondentie aangevoerd dat partijen na die zitting onvoorwaardelijk zijn overeengekomen dat [appellant] de standplaats per 30 juni 2025 zou ontruimen. Volgens de Gemeente heeft de advocaat van [appellant] later telefonisch laten weten dat [appellant] toch wilde doorprocederen en dus niet zou ontruimen. De Gemeente heeft daarom de grondslag van haar eis gewijzigd. Zij vordert nu ook ontruiming op grond van niet-nakoming van deze afspraak.

7.Beoordeling in hoger beroep na verwijzing

Inleiding: omlijning van het geschil na verwijzing

7.1
Zoals uit het voorgaande blijkt staat na verwijzing vast dat [appellant] géén huurder is en dat hij zonder recht of titel op de standplaats verblijft. Alleen het beroep artikel 8 EVRM Pro is nog aan de orde. Dat voldaan is aan de op grond van dat artikel geldende eisen ‘bij wet voorzien’ en ‘legitiem doel’ staat daarbij niet ter discussie. Het gaat slechts om de vraag of de inmenging op het door artikel 8 EVRM Pro beschermde recht op eerbiediging van de woning evenredig is gezien de hierboven in alinea 6.4. onder (2) weergegeven stelling, namelijk dat het voor [appellant] gezien de huidige situatie op de woningmarkt vrijwel onmogelijk is om voor andere passende woonruimte in aanmerking te komen. Deze stelling is door het hof Amsterdam onbesproken gelaten en moet daarom nu alsnog worden betrokken bij de uit te voeren evenredigheidstoets. Daarbij geldt dat het in een geval als dit – waarin sprake is van illegale bewoning – weliswaar doorgaans zo zal zijn dat het belang van de eigenaar het zwaarst zal wegen, maar dat niet kan worden uitgesloten dat gelet op de zeer ernstige inbreuk op het recht op de woning en de onomkeerbare gevolgen van een ontruiming, het belang van de bewoner in het concrete geval toch zwaarder weegt [1] .
Beoordeling
7.2
Hoewel het feit dat [appellant] zonder recht of titel in het gehuurde verblijft zoals gezegd niet doorslaggevend is voor de vraag of ontruiming evenredig is, weegt deze omstandigheid natuurlijk wel (zwaar) mee in het voordeel van de Gemeente. Een eigenaar hoeft in beginsel niet te dulden dat iemand zonder toestemming in zijn eigendom woont. Dat zou anders kunnen zijn als juist zou zijn dat het voor [appellant] (vrijwel) onmogelijk is om andere passende woonruimte te vinden, maar zoals het hof hierna zal uitleggen, is het van oordeel dat [appellant] deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof acht het beleid van de Gemeente te billijken en naar zijn oordeel zijn de gevolgen voor [appellant] niet disproportioneel in verhouding tot het door de Gemeente gediende dringende maatschappelijke belang van het tegengaan van illegale bewoning.
7.3
Het hof neemt in aanmerking dat [appellant] jarenlang in een gewone woning heeft gewoond. Dat betekent dat hij niet is gebonden aan een woonwagenkamp, althans dat het voor hem in elk geval minder bezwaarlijk is dan voor andere woonwagenbewoners om niet in een woonwagen te wonen. Er kan dan ook niet worden gezegd dat voor hem alleen een woonwagen op een woonwagenkamp passend is.
7.4
Verder geldt dat weliswaar vaststaat en dus moet worden meegewogen dat sprake is van krapte op de woningmarkt, maar dat daar tegenover staat dat [appellant] inmiddels al een geruime periode de tijd heeft gehad zich voor te bereiden op een mogelijke verhuizing. Zowel voor als na verwijzing zijn veel vragen onbeantwoord gebleven. Zo heeft hij niets gesteld over eventuele pogingen om elders passende woonruimte te vinden en heeft hij geen uitleg gegeven over de vermelding in zijn patiëntendossier ‘8 mnd per jaar in Spanje’, waar in eerste aanleg al op is gewezen door de Gemeente. Bovendien heeft [appellant] niet gesteld dat door de ontruiming een noodsituatie zou ontstaan (in de zin dat hij op straat terecht zou komen).
7.5
Op de mondelinge behandeling na verwijzing was [appellant] niet aanwezig. Zijn advocaat heeft destijds verklaard dat hij die ochtend van de dochter van [appellant] had gehoord dat [appellant] zich met hartklachten had moeten melden bij de cardioloog en daarom niet bij de zitting kon zijn. Op vragen van de rechter-commissaris heeft de advocaat slechts kunnen verklaren
"voor zover ik weet heeft cliënt geen lange inschrijfduur voor sociale huurwoning"en
“ik weet niet of het klopt dat cliënt acht maanden per jaar in Spanje verblijft”. Onduidelijk is dus of [appellant] ergens staat ingeschreven en zo ja hoe lang, en of hij inderdaad zo’n grote periode per jaar in Spanje woont, en zo ja, in wat voor soort woning. [appellant] heeft ook geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een memorie na verwijzing te nemen.
7.6
Alles afwegende acht het hof dan ook onvoldoende onderbouwd dat het gehuurde de enige passende woonruimte voor [appellant] is en dat het voor hem niet mogelijk is elders passende woonruimte te vinden. Ontruiming is voor hem uiteraard ingrijpend, maar mede gezien de tijd die al is verstreken en waarin hij zich dus op die ontruiming heeft kunnen voorbereiden, is naar het oordeel van het hof van onevenredigheid geen sprake.
7.7
Gelet op het voorgaande komt het hof niet toe aan de hierboven onder 6.5. vermelde eiswijziging.
Conclusie en proceskosten
7.8
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Het hof zal het vonnis van de kantonrechter bekrachtigen. Omdat [appellant] in het ongelijk is gesteld, moet hij in de proceskosten worden veroordeeld. De vernietiging door de HR van de uitspraak van het hof Amsterdam brengt mee dat ook de beslissing over de proceskosten zijn kracht heeft verloren. Het hof is dan ook gehouden de proceskosten van het hoger beroep opnieuw te begroten, zowel wat betreft de proceshandelingen die aan de vernietiging zijn voorafgegaan, als die welke na verwijzing zijn verricht (ECLI:NL:HR:2018:728). Dit betekent dat het hof [appellant] zal veroordelen in de proceskosten in hoger beroep die in de appelprocedure bij het hof Amsterdam zijn gemaakt en in de proceskosten die in de procedure bij dit hof zijn gemaakt.
7.9
Het hof begroot de proceskosten bij het hof Amsterdam aan de zijde van de Gemeente op:
verschotten € 760,00
salaris advocaat € 2.228,00
nakosten € 163,00
Totaal € 3.151,00
7.1
Het hof begroot de proceskosten bij dit hof aan de zijde van de Gemeente op:
oproeping na verwijzing € 137,15
salaris advocaat € 2.580,00 (2 punten × tarief II)
nakosten € 89,00(+ verhoging als vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.906,15
De totale proceskosten bedragen dus € 3.151,00 + € 2906,15 = € 6.057,15.
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing
.

8.Beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland van 18 november 2020;
  • veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure, aan de zijde van de Gemeente in totaal begroot op € 6.057,15, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald.
  • verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. E.M. Dousma-Valk, mr. A.A. Muilwijk-Schaaij en mr. J.N. de Blécourt en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9880, onder 3.5.7.