Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
18 mei 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen een dochter en haar moeder over de terugbetaling van proceskosten die de dochter op grond van een eerder vernietigd arrest aan de moeder had voldaan. De dochter vorderde terugbetaling van € 2.314,--, stellende dat de rechtsgrond voor betaling was komen te vervallen door de onherroepelijke vernietiging van het oorspronkelijke arrest.
De kantonrechter en het hof Den Haag wezen de vordering af, waarbij het hof oordeelde dat de proceskostenveroordeling een voortbouwende beslissing is die na verwijzing door de Hoge Raad kan herleven indien het verwijzingshof tot dezelfde beslissing komt. De Hoge Raad stelde echter dat de vernietiging van de proceskostenveroordeling geen voorwaardelijke vernietiging is en dat herleven van die beslissing niet mogelijk is, ook niet bij eenzelfde beslissing na verwijzing.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof Den Haag en verwees de zaak naar het hof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing, waarbij tevens de moeder werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding. Hiermee is de rechtsgrond voor de proceskostenbetaling niet onherroepelijk komen te vervallen, en dient het verwijzingshof een nieuwe beslissing te nemen.
Uitkomst: Het arrest van het hof Den Haag wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het hof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing.