Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.WCV World Capital Ventures Cyprus Limited (hierna: WCV),
Channel Crossings Limited (hierna
: CCL),
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in de vernietigingsprocedure
- de inleidende dagvaarding van 26 oktober 2023, met bijlagen, waarin WCV c.s. de vernietiging hebben gevorderd van het tussen partijen gewezen arbitrale (eind)vonnis van 26 juli 2023;
- de conclusie van antwoord, tevens houdende (voorwaardelijke) eis in reconventie, met bijlagen;
- de conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie, met bijlagen;
- de conclusie van dupliek, tevens conclusie van repliek in reconventie, met bijlagen;
- de conclusie van dupliek in (voorwaardelijke) reconventie, met bijlagen;
- de akte overlegging producties, met bijlagen, die WCV c.s. op voorhand voor de mondelinge behandeling hebben overgelegd;
- de akte overlegging aanvullende producties, met bijlagen, die Tsjechische Republiek op voorhand ten behoeve van de mondelinge behandeling heeft overgelegd.
3.Feitelijke achtergrond
Bilateral Investment Treaty, hierna: BIT). Doel daarvan was, kort gezegd, de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen door investeerders uit beide landen in elkaars territorium (art. 2). Voor eventuele geschillen over de uitleg of toepassing van dit verdrag kende art. 8 BIT Pro een arbitrageclausule.
Lotteries Act) werd gewijzigd [1] .
full protection and security’heeft geboden. Volgens WCV c.s. heeft Tsjechische Republiek gehandeld in strijd met door haar gewekte verwachtingen en WCV c.s. ten onrechte een overgangsperiode onthouden voor de afbouw van door hen verworven rechten.
liabilityfase) en werd daarom niet toegekomen aan een beoordeling van de omvang van de gestelde schade (
quantumfase). Over het beroep van WCV c.s. op art. 2 BIT Pro concludeerde het scheidsgerecht:
(…)
ingeval zij partij zijn in een gerechtelijke procedure betreffende een arbitrale uitspraak die op grond van een Bilateraal Investeringsverdrag is gedaan, de bevoegde nationale rechter – ook als het om een rechter uit een derde land gaat – te vragen om, al naargelang het geval, de arbitrale uitspraak te seponeren of te vernietigen (…).
4.Vordering
5.Beoordeling
mogelijkerwijs [13] belet dat deze geschillen op zodanige wijze worden beslecht dat de volle werking van het Unierecht is gewaarborgd. Ongeacht het door partijen gekozen door de arbiters toe te passen recht (“
The parties to the dispute may agree in writing to modify these (…) Arbitration Rules of the United Nations Commission on International Trade Law (UNCITRAL.”) wordt het tussen partijen ontstane geschil, dat nog altijd betrekking
kanhebben op de toepassing of uitlegging van Unierecht, reeds ten gevolge van de arbitrageovereenkomst onttrokken aan het voor dergelijke investeringen bestaande autonome Unierechtelijk stelsel van rechtsbescherming [14] . Het enkele
risicodat de prejudiciële procedure van art. 267 VWEU Pro wordt omzeild is daartoe al voldoende [15] . Het door partijen aangezochte arbitragegerecht maakt geen deel uit van het rechterlijk systeem van de Europese Unie. Daardoor wordt afbreuk gedaan aan de exclusieve bevoegdheid van het EU-Hof om door middel van de prejudiciële procedure van art. 267 VWEU Pro aan het Unierecht een coherente en eenvormige uitlegging te geven met betrekking tot een (Unierechtelijk) onderwerp waarbij een lidstaat is betrokken [16] . Die enkele omstandigheid is voldoende om het arbitrale vonnis, in lijn met het bepaalde in art. 7 onder Pro b van het Beëindigingsverdrag, wegens strijd met de openbare orde ex art. 1065 lid 1 onder Pro e Rv te vernietigen.
acquired rights’c.q. ‘
good faith’faalt op dezelfde gronden, nog daargelaten dat WCV c.s. niet inzichtelijk hebben gemaakt wat die
acquired rightshen nog zou kunnen brengen nu zij hun ‘verworven’ recht tot beslechting van het geschil door arbitrage al hebben uitgeoefend. Daarnaast volgt ook uit art. 4 van Pro de Beëindigingsovereenkomst dat het tussen Tsjechische Republiek en de Republiek Cyprus overeengekomen arbitragebeding reeds vanaf de datum van hun toetreding tot de Europese Unie op 1 mei 2004 niet langer als rechtsgrondslag kan dienen voor een door een van beide lidstaten met een investeerder te voeren arbitrageprocedure [18] .
favor-beginsel van) art. 10:166 BW Pro geldige overeenkomst tot arbitrage en de vernietigingsgrond van art. 1065 lid 1 onder Pro a Rv zich daarom niet voordoet, doet in het licht daarvan, wat er ook van zij, niet ter zake. Het hof wijst de voorwaardelijke tegenvordering van Tsjechische Republiek tot vernietiging van de beide arbitrale tussenvonnissen van 25 april 2018 en 29 september 2020 toe.
De stellingen van LC Corp kunnen niet de conclusie dragen dat haar belangen gaan boven de uit het Unierecht voortvloeiende verplichting om geschillen over intra-EU investeringen te beslechten in het daarvoor geldende Unierechtelijk stelsel van rechtsbescherming.”
op basis van de BITeen nieuwe arbitrage tegen de Tsjechische Republiek te starten. WCV c.s. hebben niet gesteld, en het hof is ook niet gebleken, dat hetzelfde doel (namelijk het voorkomen dat het onderhavige intra-EU geschil wordt onttrokken aan het autonoom stelsel van Unierechtelijke rechtsbescherming) kan worden bereikt door middel van het treffen van een andersluidend, minder vergaand verbod. De arbitrageclausule in de BIT bewerkstelligt immers dat een geschil over de BIT dat moet worden beslecht in het autonoom stelsel van Unierechtelijke rechtsbescherming bij verplaatsing van de arbitrage naar een zetel buiten de EU toch aan dat stelsel wordt onttrokken. Van een ontneming van door WCV c.s. op grond van de BIT verworven rechten is geen sprake. WCV c.s. hebben de uit de BIT voortvloeiende rechten immers al uitgeoefend en nul op rekest gekregen. De BIT voorziet niet in de mogelijkheid om na een afwijzend oordeel van het door partijen gekozen arbitragegerecht opnieuw een arbitrage te entameren. Het hof zal het gevraagde verbod dan ook toewijzen voor zover het ziet op het starten van een nieuwe arbitrageprocedure op basis van de BIT.
.
6.Beslissing
Het hof:
- vernietigt het bij het Permanent Hof van Arbitrage in Den Haag onder nummer PCA Case No. 2016-12 geadministreerde arbitrale (eind)vonnis van 26 oktober 2023 en de daaraan voorafgaande bevoegdheidsvonnissen van 25 april 2018 en 29 september 2020;
- verbiedt WCV c.s. om op basis van het tussen Tsjechische Republiek en de Republiek Cyprus op 15 juni 2001 gesloten bilateraal investeringsverdrag (BIT) een nieuwe arbitrageprocedure tegen Tsjechische Republiek te entameren, op straffe van een dwangsom van € 100.000,- voor iedere dag dat WCV c.s. dit verbod overtreden, tot een maximum van € 133 miljoen;
- veroordeelt WCV c.s. in de kosten van de voorwaardelijke reconventie, aan de zijde van Tsjechische Republiek begroot op € 33.140,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als WCV c.s. deze niet binnen veertien dagen na heden hebben betaald;
- bepaalt dat als WCV c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak hebben voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, WCV c.s. de kosten van die betekening moeten betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als WCV c.s. deze niet binnen veertien dagen na betekening hebben betaald;
- compenseert de proceskosten van de (conventionele) vernietigingsprocedure, aldus dat iedere partij daarvan de eigen kosten draagt;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af wat meer of anders is gevorderd.