Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:72

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
BK-25/483
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:56 AwbArt. 4:3 BWArt. 4:10 BWArt. 4:11 BWArt. 4:13 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van erfbelastingaanslag na afwijzing uitstelverzoek en onwaardigheidsstelling erfgenaam

Belanghebbende is in hoger beroep gegaan tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag die de ambtshalve vastgestelde erfbelastingaanslag heeft verminderd tot een bedrag van € 26.449. De Inspecteur had eerder een hogere aanslag opgelegd, die na bezwaar en rechtbankuitspraak werd verminderd. Belanghebbende stelde dat hij cruciale informatie miste over de omstandigheden rond het overlijden van erflater en dat een broer onwaardig zou zijn om te erven, wat volgens hem invloed zou moeten hebben op de aanslag.

Het Hof heeft het verzoek om uitstel van de zitting afgewezen omdat de redenen van belanghebbende onvoldoende gewicht hadden en de zittingsdatum tijdig bekend was. Ook is het verzoek om terugwijzing naar de Rechtbank afgewezen. De stelling dat een erfgenaam onwaardig is om te erven is verworpen wegens gebrek aan bewijs. Daarnaast is geoordeeld dat advocaatkosten niet in mindering kunnen worden gebracht op de nalatenschap.

Het Hof bevestigt dat de omvang van de nalatenschap juist is vastgesteld en dat de aanslag terecht is gebaseerd op de wettelijke verdeling van de nalatenschap. De belastingrente is eveneens terecht in rekening gebracht. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond, waarbij de erfbelastingaanslag wordt gehandhaafd.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/483

Uitspraak van 22 januari 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 22 april 2025, nummer SGR 24/5106.

Procesverloop

1.1.
De Inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag in de erfbelasting opgelegd naar een ambtshalve vastgestelde belaste verkrijging van € 354.151 (de aanslag). Bij gelijktijdig genomen beschikking is € 5.954 aan belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag verminderd tot een berekend naar een belaste verkrijging van € 198.693. De in rekening gebrachte belastingrente is verminderd tot € 2.760.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De beslissing van de Rechtbank luidt als volgt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag tot een bedrag van € 26.449;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 143 geheven. Bij brief van 15 juli 2025 heeft belanghebbende een aanvulling op het hoger beroep ingediend. Verder heeft hij op 21 november 2025 en op 2 december 2025 nadere stukken ingediend. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 4 december 2025. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 15 september 2025, aan het adres [postadres] , onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Uit de nadien ingediende brieven van 21 november 2025 en 2 december 2025 blijkt dat belanghebbende op de hoogte was van de zittingsdatum. Belanghebbende is – zonder bericht – niet ter zitting verschenen. De Inspecteur is verschenen. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt.
1.6.
Belanghebbende heeft daags na de zitting, op 5 december 2025, en daarna op 19 januari 2026 nogmaals nadere stukken ingediend. Het Hof zal deze stukken buiten beschouwing laten. Wat betreft de stukken van 5 december 2025 geldt dat deze deels reeds eerder zijn ingediend en het Hof daarop acht heeft geslagen. Wat betreft de overige stukken van 5 december 2025 en de stukken van 19 januari 2026 heeft het Hof in aanmerking genomen dat het onderzoek ter zitting op 4 december 2025 is gesloten en het Hof partijen geen gelegenheid heeft geboden daarna nog nieuwe stukken in te dienen. Voor zover belanghebbende met het indienen van deze stukken heeft verzocht om heropening van het onderzoek ziet het Hof daartoe om voornoemde reden en omdat de stukken geen nieuwe informatie bevatten, geen aanleiding.

Feiten

2.1.
[A] , de vader van belanghebbende, is op [overlijdensdatum] 2021 overleden (hierna te noemen: erflater). Erflater was gehuwd met [B] (de echtgenote). Erflater en de echtgenote hadden drie kinderen, [C] en [D] en belanghebbende. Erflater had niet bij uiterste wil over zijn nalatenschap beschikt, zodat de echtgenote en de drie kinderen op grond van het erfrecht de erfgenamen zijn. Belanghebbende en de echtgenote hebben de nalatenschap zuiver aanvaard. De twee broers van belanghebbende hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard.
2.2.
Op 16 juni 2023 is [C] uitgenodigd tot het doen van aangifte erfbelasting. Naar aanleiding van die brief heeft belanghebbende bij brief van 17 juli 2023 de Inspecteur bericht dat hij als gemachtigde optreedt voor zijn moeder, [B] , en heeft hij de Inspecteur verzocht verdere correspondentie naar hem te sturen.
2.3.
Er is geen aangifte erfbelasting ingediend. Aan belanghebbende is met dagtekening 21 november 2023 de aanslag opgelegd naar een ambtshalve vastgesteld te betalen bedrag aan erfbelasting van € 57.955 en een bedrag aan belastingrente van € 5.954.
2.4.
De Inspecteur is bij het vaststellen van de aanslag uitgegaan van de volgende bestanddelen:
[adres 1] te [woonplaats 1] € 393.000
[adres 2] te [woonplaats 2] € 1.281.000
[adres 3] te [woonplaats 3] € 245.000
Overige vermogensbestanddelen
€ 226.339
Saldo van de nalatenschap € 2.145.339
Verkrijging van belanghebbende 1/4 € 536.334
Af te trekken waarde wettelijke boedelverdeling
€ 160.901
Totale verkrijging uit de erfenis € 375.433
Vrijstelling
€ 21.282
Belaste verkrijging € 354.151
Erfbelasting
10% van € 128.751 € 12.875
20% van € 225.400
€ 45.080
Te betalen erfbelasting € 57.955
2.5.
Bij uitspraak op bezwaar van 15 april 2024 heeft de Inspecteur de aanslag verminderd. Daarbij is het saldo van de nalatenschap verminderd tot een bedrag van € 1.257.000, als volgt bepaald:
Gemeenschappelijk Privévermogen
[adres 1] te [woonplaats 1] € 393.000
[adres 2] te [woonplaats 2] € 1.281.000
[adres 3] te [woonplaats 3] € 245.000
Overige vermogensbestanddelen
€ 150.000 € 100.000
Bestanddelen nalatenschap € 1.824.000 € 345.000
Het saldo van de nalatenschap bedraagt dan € 912.000 (€ 1.824.000 : 2) + 345.000 = € 1.257.000
Verkrijging van belanghebbende 1/4 € 314.250
Af te trekken waarde wettelijke boedelverdeling
€ 94.275
Totale verkrijging uit de erfenis € 219.975
Vrijstelling
€ 21.282
Belaste verkrijging € 198.693
Erfbelasting
10% van € 128.751 € 12.875
20 % van € 69.942
€ 13.988
Te betalen erfbelasting € 26.863
2.6.
De Rechtbank heeft de uitspraak op bezwaar vernietigd en het saldo van de nalatenschap berekend op € 1.245.169. Bij beschikking van 16 mei 2025 is de aanslag verminderd tot een belaste verkrijging van € 196.622, hetgeen leidt tot een te betalen bedrag aan erfbelasting van € 26.449. Daarbij is de belastingrente verminderd tot een bedrag van € 2.717.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft – voor zover in hoger beroep van belang – geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“1. Eiser heeft op 25 maart 2025 verzocht om uitstel van de zitting, wat door de rechtbank is afgewezen om de volgende redenen. Aan eiser is op 13 februari 2025 een vooraankondiging voor de zitting van 8 april 2025 gezonden. In deze vooraankondiging is uitdrukkelijk vermeld dat eiser tot 20 februari 2025 kon aangeven dat de zitting moest worden uitgesteld. Op 17 maart 2025 is de uitnodiging voor de zitting verzonden. Eiser heeft verzocht om uitstel van de zitting omdat er eerst duidelijkheid moet komen over een aantal feiten/omstandigheden rond het overlijden van zijn vader. Nu deze reden geen invloed heeft op de hoogte van de in geschil zijnde aanslag vormt deze reden derhalve geen grond voor uitstel van de zitting.
(…)
8. Vast staat dat er door eiser namens zijn moeder geen aangifte erfbelasting is ingediend. Uit de overgelegde stukken blijkt echter niet dat er een herinnering en een aanmaning zijn gestuurd tot het doen van aangifte erfbelasting, zodat anders dan verweerder stelt, geen sprake is van omkering van de bewijslast.
9. Nu eiser echter niets heeft aangevoerd tegen de hoogte van de aanslag, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat de aanslag te hoog is vastgesteld. De rechtbank stelt echter wel vast dat bij de ambtshalve aanslag de verkrijging ten aanzien van de roerende zaken is vastgesteld op € 226.339 en bij de uitspraak op bezwaar op € 250.000, zodat deze alsnog te hoog is vastgesteld. Nu aannemelijk is dat het vermogen ziet op het gemeenschappelijk vermogen, en derhalve na vermindering van € 23.661 (€ 250.000 - € 226.339) nog € 126.339 (€ 150.000 -/- € 23.661) bedraagt. De totale nalatenschap bedraagt dan € 1.245.170. In zoverre is het beroep gegrond.
10. De aanslag dient als volgt te worden verminderd tot:
Te verdelen nalatenschap € 1.245.170
Erfdeel 1/4 deel van € 1.245. 170 € 311.293
Af te trekken waarde wettelijke boedelverdeling
€ 93.388
Totale verkrijging uit de erfenis € 217.905
Vijstelling af
€ 21.282
Belaste verkrijging uit de erfenis € 196.623
Verschuldigde belasting
10% over € 128.751 € 12.875
20% over € 67.872 (€ 196.623 -/- € 128.751)
€ 13.574
Totaal € 26.449
11. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In geschil is of de aanslag na vermindering bij uitspraak op bezwaar en bij uitspraak van de rechtbank, terecht en naar het juiste bedrag is vastgesteld. De Inspecteur beantwoordt deze vragen bevestigend en belanghebbende in tegenovergestelde zin.
4.2.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij nog geen conclusie kan nemen ten aanzien van de aanslag omdat hij cruciale informatie mist over de omstandigheden rond het overlijden van erflater en de erfrechtelijke gevolgen van het overlijden. Belanghebbenden concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Uitstel van de zitting bij het Hof
5.1.
Belanghebbende heeft kort voor de zitting – bij brief van 2 december 2025 – het Hof verzocht de zitting uit te stellen. Belanghebbende heeft daarbij verwezen naar zijn brief van 21 november 2025 waarin is opgenomen dat zijn broer [D] belanghebbendes computer met daarop alle voorbereiding en gegevens heeft meegenomen, waardoor hij zich niet goed kan voorbereiden. Bij de brief van 21 november 2025 heeft belanghebbende tevens een aantal nadere stukken bijgesloten waaronder het verslag van de obductie van erflater en correspondentie tussen belanghebbende en het ziekenhuis naar aanleiding van het overlijden van erflater. Belanghebbende heeft het Hof verzocht uitstel te verlenen totdat hij zijn gegevens terug heeft en met de artsen heeft kunnen spreken die betrokken waren bij de behandeling en het overlijden van erflater.
5.2.
Bij brieven van 26 november 2025 en van 3 december 2025 heeft het Hof belanghebbende bericht dat de zitting doorgang zal vinden en dat de zaak op de zitting zal worden besproken. De brief van 3 december 2025 is per gewone post verzonden naar het adres van belanghebbende en vanwege het korte tijdsbestek op dezelfde dag ook om 11.40 uur per e-mailbericht verzonden naar de door belanghebbende in de stukken vermelde e-mailadressen: [e-mailadres 1] en [e-mailadres 2]
5.3.
Het Hof stelt voorop dat indien een belanghebbende tijdig, onder aanvoering van gewichtige redenen waarom hij niet op de voor de behandeling van de zaak vastgestelde zittingsdag aanwezig kan zijn of hij zich daarop niet kan voorbereiden, verzoekt die behandeling op een nader te bepalen dag te doen plaatsvinden, de rechter dat verzoek dient in te willigen, tenzij hij oordeelt dat zwaarder wegende belangen aan uitstel in de weg staan. Dit oordeel dient de rechter in zijn uitspraak te motiveren. [1]
5.4.
De redenen die belanghebbende ten grondslag heeft gelegd aan zijn verzoek om uitstel, geven het Hof geen aanleiding om dat verzoek te honoreren. Uit het dossier volgt dat belanghebbende al sinds het overlijden van erflater vragen heeft over de oorzaak daarvan, en over de situatie rondom het overlijden en de handelwijze van de artsen en zijn broer(s). Hij heeft een aantal medische stukken en een afschrift van de door hem gevoerde correspondentie met het ziekenhuis gevoegd bij zijn brief van 21 november 2025. Zonder nadere toelichting is niet vast te stellen of en zo ja, welke invloed het antwoord op de bij belanghebbende levende vragen rondom het overlijden van erflater, heeft op de hoogte van de aanslag. Aangezien verder de omvang van de nalatenschap niet in geschil is, maar kennelijk alleen de rol van de artsen en eventueel de (vermeende) betrokkenheid van één van de erfgenamen bij het overlijden van erflater, ziet het Hof geen aanleiding het verzoek om uitstel toe te wijzen. Er zijn in het uitstelverzoek geen redenen van voldoende gewicht aangevoerd die daartoe nopen.
Uitstel van de zitting bij de Rechtbank
5.5.
Belanghebbende verzoekt het Hof de zaak terug te wijzen naar de Rechtbank omdat ten onrechte geen uitstel van de zitting is verleend, ondanks het verzoek daartoe. Belanghebbende heeft daartoe het volgende aangevoerd. Erflater is overleden door handelen van een arts waarbij een broer van belanghebbende betrokken was. Deze broer is volgens belanghebbende onwaardig om te erven, omdat door het handelen van die broer is verhinderd dat erflater voor zijn overlijden nog een testament kon laten opmaken. Belanghebbende wenst hierover eerst meer duidelijkheid te verkrijgen. Verder heeft de Rechtbank de afwijzing van het verzoek om uitstel niet of onvoldoende gemotiveerd.
5.6.
Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank het verzoek om uitstel op goede gronden heeft afgewezen. Hoewel belanghebbende het verzoek om uitstel acht dagen na de uitnodiging voor de zitting heeft gedaan, was hem de zittingsdatum al langer bekend. Bij bericht van 13 februari 2025 was een vooraankondiging van de zitting aan belanghebbende verzonden waarin hem expliciet de mogelijkheid was geboden te verzoeken om een andere zittingsdatum. Een dergelijk verzoek heeft belanghebbende niet gedaan. Ook de feiten en omstandigheden waaraan belanghebbende in zijn verzoek om uitstel refereert, namelijk dat zijn vader is overleden door het handelen van een arts waardoor zijn vader geen testament meer heeft kunnen laten opmaken, waren belanghebbende al veel langer bekend en niet pas kort voor de zitting. Ook in de bezwaarfase zijn deze omstandigheden door belanghebbende aangevoerd. Nu belanghebbende bovendien niet opkwam tegen de door de Inspecteur vastgestelde omvang van de nalatenschap, heeft de Rechtbank op goede gronden geoordeeld dat geen sprake is van een tijdig verzoek, noch van gewichtige redenen op grond waarvan het verzoek om uitstel moest worden gehonoreerd. De Rechtbank heeft deze beslissing voldoende gemotiveerd in rechtsoverweging 1 van de uitspraak. Deze beslissing is ook niet in strijd met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro en evenmin in strijd met het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken. Tot slot volgt uit het proces-verbaal van de zitting en het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak dat belanghebbende niet ter zitting is verschenen bij de Rechtbank. De beslissing kon dus niet ter zitting aan belanghebbende worden medegedeeld en is daarom terecht in de uitspraak gegeven. Het Hof wijst het verzoek om de zaak terug te wijzen naar de Rechtbank daarom af.
Wettelijke bepalingen
5.7.
Artikel 4:10 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt:
“1. De wet roept tot een nalatenschap als erfgenamen uit eigen hoofde achtereenvolgens:
a. de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot van de erflater tezamen met diens kinderen;
(…)”
5.8.
Artikel 4:11 BW Pro bepaalt – voor zover van belang – :
“1. Degenen die tezamen uit eigen hoofde tot een nalatenschap worden geroepen, erven voor gelijke delen.”
5.9.
Artikel 4:13 BW Pro bepaalt over de verdeling van de nalatenschap:
“1. De nalatenschap van de erflater die een echtgenoot en een of meer kinderen als erfgenamen achterlaat, wordt, tenzij de erflater bij uiterste wilsbeschikking heeft bepaald dat deze afdeling geheel buiten toepassing blijft, overeenkomstig de volgende leden verdeeld.
2. De echtgenoot verkrijgt van rechtswege de goederen van de nalatenschap. De voldoening van de schulden van de nalatenschap komt voor zijn rekening. Onder schulden van de nalatenschap zijn hier tevens begrepen de ten laste van de gezamenlijke erfgenamen komende uitgaven ter voldoening aan testamentaire lasten.
3. Ieder van de kinderen verkrijgt als erfgenaam van rechtswege een geldvordering ten laste van de echtgenoot, overeenkomend met de waarde van zijn erfdeel. Deze vordering is opeisbaar:
a. indien de echtgenoot in staat van faillissement is verklaard of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard;
b. wanneer de echtgenoot is overleden.
(…)”
Nalatenschap erflater
5.10.
Belanghebbende stelt dat hij niet akkoord kan gaan met de verdeling waarop de aanslag is gebaseerd. Volgens belanghebbende is zijn vader een niet natuurlijke dood gestorven en heeft een broer van hem en wettelijke erfgenaam van erflater om financiële redenen de medische zorg voor erflater gefrustreerd. Als gevolg van verkeerd voorgeschreven medicatie door de huisarts is erflater overleden. Volgens belanghebbende had zijn vader door de wijze waarop hij is overleden geen kans om zelf alsnog een testament op te maken of iets anders (schriftelijk) te regelen. Wanneer dit is bewezen leidt dit tot een andere verdeling van de nalatenschap en een andere fiscale behandeling, aldus belanghebbende. Een reservering voor advocaatkosten ligt volgens belanghebbende in de rede.
5.11.
Vast staat dat geen aangifte erfbelasting is ingediend en dat de aanslag ambtshalve is vastgesteld op basis van een redelijke schatting. De Rechtbank heeft in dat verband in onderdeel 8 van haar uitspraak terecht geoordeeld dat van omkering van de bewijslast geen sprake kan zijn. De Inspecteur heeft bij de samenstelling van de nalatenschap de onroerende zaken die op naam stonden van erflater en/of de echtgenote in aanmerking genomen en verder overige vermogensbestanddelen, waaronder roerende zaken en bank- en spaartegoeden van erflater. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd, op grond waarvan de conclusie kan worden getrokken dat de omvang van de nalatenschap op een te hoog bedrag is vastgesteld. De hoogte van de nalatenschap staat immers los van de personen die optreden als erfgenaam.
5.12.
Belanghebbende heeft voor het eerst in hoger beroep aangevoerd dat tenminste één van de erfgenamen onwaardig is om te erven. Artikel 4:3, lid 1, letter d, BW bepaalt dat van rechtswege onwaardig zijn om uit een nalatenschap voordeel te trekken, hij die de overledene door een feitelijkheid of door bedreiging met een feitelijkheid heeft gedwongen of belet een uiterste wilsbeschikking te maken. Voor de stelling dat één van de erfgenamen onwaardig is om te erven, heeft belanghebbende geen begin van bewijs aangedragen. Verder kan de stelling, indien deze juist zou zijn, niet leiden tot de conclusie dat de aanslag naar een te hoog bedrag is vastgesteld. In dat geval zou de nalatenschap immers over minder erfgenamen worden verdeeld.
5.13.
Ook de stelling dat de aanslag moet worden verminderd met de kosten van een advocaat, faalt. Er is geen enkel bewijs overgelegd dat belanghebbende advocaatkosten heeft gemaakt in verband met de afhandeling van de nalatenschap. Ook als daarvan wel sprake zou zijn, kan geen rekening gehouden worden met deze kosten, aangezien deze kosten niet vallen onder de schulden van de nalatenschap als bedoeld in artikel 4:7 BW Pro. Evenmin zijn dit lasten en schulden in de zin van artikel 20 van Pro de Successiewet 1956. Deze kosten verminderen de omvang van de nalatenschap dus niet.
Belastingrente
5.14.
Tegen de belastingrente heeft belanghebbende geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Dat de belastingrente in strijd met de daartoe strekkende wettelijke bepalingen of enige andere regel van geschreven of ongeschreven recht in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
Slotsom
5.15.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

5.16.
Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door I. Reijngoud, R.C.H.M. Lips en A.J. Kromhout, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema-van der Koogh.
De griffier, de voorzitter,
Y. Postema-van der Koogh I. Reijngoud
De beslissing is op 22 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Zie HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:358, HR 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:789, rechtsoverweging 2.2.2 en HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3529, rechtsoverweging 3.3.1.