ECLI:NL:GHDHA:2026:82

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
200.331.417/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 230 RvArt. 6:217 BWArt. 7:750 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen contractspartij bij overeenkomst tot aanneming van werk

Appellante vorderde terugbetaling en schadevergoeding van geïntimeerde wegens niet-afgemaakte werkzaamheden in een pand dat zij eigent. De rechtbank wees de vorderingen af omdat appellante geen partij was bij de overeenkomst met geïntimeerde. In hoger beroep bevestigde het hof dit oordeel.

Het geschil draaide om de vraag of appellante of haar dochters, die de verbouwing begeleidden, contractspartij waren. Geïntimeerde had de offerte aan de dochters gericht en met hen contact gehad, niet met appellante zelf. Er was geen schriftelijke volmacht of duidelijke aanwijzing dat geïntimeerde wist dat hij met appellante contracteerde.

Het hof oordeelde dat het eigendom van het pand niet bepaalt wie contractspartij is en dat de communicatie en gedragingen wezen op een overeenkomst tussen geïntimeerde en de dochters. Bewijsaanbod van appellante werd afgewezen wegens gebrek aan concrete feiten. Het hoger beroep werd verworpen en appellante werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat appellante geen contractspartij was en wijst haar vorderingen af.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.331.417/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/631409 / HA ZA 22-528
Arrest van 27 januari 2026
in de zaak van
[appellante],
wonend in [woonplaats] ,
appellante,
advocaat: mr. J.J. van Kuijk, kantoorhoudend in Den Haag,
tegen
[geïntimeerde],
wonend in [woonplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. D.B. den Hartog, kantoorhoudend in Amsterdam.
Het hof noemt partijen hierna [appellante] en [geïntimeerde] .

1.De zaak in het kort

1.1
[geïntimeerde] heeft werkzaamheden verricht in een pand van [appellante] . Een deel daarvan is betaald. [geïntimeerde] heeft het werk niet afgemaakt. [appellante] vordert terugbetaling van wat betaald is en schadevergoeding.
1.2
De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen omdat [appellante] geen partij was bij de afspraken met [geïntimeerde] . Het hof bekrachtigt het vonnis. [geïntimeerde] had de offerte over de werkzaamheden niet aan [appellante] uitgebracht, [appellante] heeft die offerte niet jegens [geïntimeerde] aanvaard en het overleg met [geïntimeerde] over de werkzaamheden ging zonder [appellante] . Er zijn geen verklaringen of gedragingen waaruit is af te leiden dat [geïntimeerde] de overeenkomst voor zijn werkzaamheden met [appellante] had gesloten.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 26 juni 2023, waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 april 2023;
  • het arrest van dit hof van 3 oktober 2023, waarin een mondelinge behandeling is gelast (deze is niet gehouden);
  • de memorie van grieven van [appellante] , met bijlagen;
  • de memorie van antwoord van [geïntimeerde] , met bijlagen.
2.2
Op 1 december 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht, mr. Van Kuijk aan de hand van pleitaantekeningen die hij heeft overgelegd. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
[appellante] is eigenares van een voormalig horecapand aan [adres 1] (hierna: het Pand). Omdat het Pand al enige tijd leeg stond, besloot [appellante] om het een nieuwe bestemming te geven. Daartoe zou de voormalige horeca op de begane grond worden verbouwd tot drie appartementen bestemd voor commerciële verhuur. [appellante] heeft haar dochters [naam dochter 1] en [naam dochter 2] gevraagd om namens haar die verbouwing te begeleiden.
3.2
[naam 1] was huurder van [appellante] van een ander pand aan de [adres 1] . Zij heeft samen met een aantal van haar personeelsleden in maart 2021 (tijdens de Covid-pandemie) als blijk van waardering en dank voor [appellante] sloopwerkzaamheden uitgevoerd in het Pand. Omdat [naam 1] voor sommige werkzaamheden een professional nodig had, heeft zij aan [geïntimeerde] verzocht om in het Pand bepaalde sloopwerkzaamheden uit te voeren (zoals verwijderen van airco-units en gas- en waterleidingen). [geïntimeerde] heeft [naam 1] voor deze werkzaamheden gefactureerd en [naam 1] heeft hem betaald.
3.3
Via [naam 1] kwamen [naam dochter 1] en [naam dochter 2] in contact met [geïntimeerde] .
3.4
Op 21 juni 2021 heeft [geïntimeerde] schriftelijk een offerte uitgebracht aan “
[naam dochter 1] , [adres 2]”. Het betrof een offerte voor het leveren en installeren van ventilatie, verwarming, sanitair- en loodgieterswerk (hierna samen kortweg aangeduid als: loodgieterswerk) voor een totaalbedrag van € 33.673,19. De offerte heeft nummer [offertenummer] . [geïntimeerde] heeft deze offerte op 9 augustus 2021 bij [naam dochter 1] thuis ( [adres 2] ) besproken met [naam dochter 1] en [naam dochter 2] . [appellante] was daar niet bij.
3.5
Op 5 oktober 2021 heeft [geïntimeerde] aan [naam dochter 1] bericht dat de werkzaamheden op 1 november zouden starten en heeft hij om betaling van de eerste termijn verzocht in verband met het bestellen van de spullen. Daarna heeft [geïntimeerde] de factuur voor “
1e termijn akkoord van offerte 20%” gestuurd naar “
[adres 1] , t.a.v. [naam dochter 1] , [adres 1]”. Deze factuur is op 1 november 2021 betaald vanaf de rekening van [bedrijf] .
Begin januari 2022 heeft [geïntimeerde] de factuur voor “
2e termijn 20% van de werkzaamheden t.b.v. offerte nr. [offertenummer]” gestuurd naar “
[adres 1] , t.a.v. [naam dochter 1] , [adres 1]”. Deze is betaald vanaf de rekening van [bedrijf] op 10 januari 2022.
3.6
[geïntimeerde] is aan het geoffreerde loodgieterswerk begonnen.
3.7
Op 22 januari 2022 heeft [naam dochter 2] in de WhatsApp-groep die [naam dochter 1] eerder die maand had aangemaakt voor de bij de verbouwing betrokkenen, bericht:
“ [naam 2] is gister met [geïntimeerde]door het pand gelopen en zowel hij als wijzelf zijn overvallen met een enorme lijst aan hak- en boorwerkzaamheden die niet eerder aan ons is medegedeeld. Gelukkig is [naam 2] bereid om voor ons deze werkzaamheden (…) uit te voeren.”
3.8
Op 25 januari 2022 heeft [naam dochter 2] via de WhatsApp-groep gevraagd of de 26ste nog iemand de vloer komt verwijderen. Hierop heeft [geïntimeerde] bericht dat de sloper pas weer komt slopen als de openstaande facturen zijn voldaan. Daarop berichtte [naam dochter 2] :
“De facturen die open staan zijn voor werkzaamheden waar wij nooit opdracht voor hebben gegeven. Op deze manier wek je bij onze andere aannemers de indruk dat wij onze afspraken niet nakomen en facturen niet betalen. Daar zijn mijn zus en ik niet van gediend. Morgen gaat je naam van het raam en je hoeft niet meer terug te komen.”
Vervolgens heeft [naam dochter 1] [geïntimeerde] verwijderd uit de WhatsApp-groep.
3.9
Op 30 januari 2022 heeft [naam dochter 2] per e-mail aan [geïntimeerde] geschreven:
“(…) Wij hebben met jou slechts één overeenkomst gesloten en die bestaat uit de aanvaarding van de geoffreerde werkzaamheden in offertenummer [offertenummer] d.d. 21 juni 2021. Een groot deel van de geoffreerde werkzaamheden zou jij al gedurende de zomermaanden uitvoeren, maar helaas heb je dit laten afweten.(…)Via deze brief geef ik je een laatste kans om je aan de afspraken te houden. Ik sommeer je dan de afgesproken werkzaamheden te hervatten, dit omvat in ieder geval het afmaken van (…). Deze specifieke werkzaamheden dienen vóór maandag 7 februari 2022 te zijn afgerond. Doe je dit niet, dan ben je in verzuim en zal ik de overeenkomst ontbinden. (…)
Groet,
[naam dochter 2] ”
3.1
Op 9 februari 2022 reageerde (de advocaat van) [geïntimeerde] hierop met een brief aan [naam dochter 1] en [naam dochter 2] waarin hij schreef dat de ingebrekestelling geen doel kan treffen, omdat zij vanaf 25 januari 2022 in schuldeisersverzuim zijn.
3.11
[geïntimeerde] heeft de geoffreerde werkzaamheden niet afgemaakt.
3.12
In maart 2022 heeft een expert van Top Expertise BV onderzoek gedaan naar de oorzaak, omstandigheden en gebreken in het Pand en daar rapport over uitgebracht aan de advocaat van [appellante] . Dit rapport vermeldt:
“uw cliënte, mevrouw [naam dochter 1] , is de eigenaresse van de opstal gelegen aan de [adres 1] .”en
“Voor het aanbrengen van de installaties heeft uw cliënte een overeenkomst gesloten met [geïntimeerde] Installatietechniek, in deze kwestie de aannemer. Aan het werk ligt een offerte ten grondslag d.d. 21 juni 2021 met offertenummer [offertenummer] .”
3.13
In de conclusie van het rapport staat onder meer:
“De kosten van de tot heden uitgevoerde werkzaamheden en de aanschaf van materialen door de aannemer ramen wij op circa € 12.500,-- inclusief btw.De werkzaamheden vertegenwoordigen ons inziens echter geen waarde, omdat de installatie niet volgens de richtlijnen en eisen is aangebracht en aannemelijk weer verwijderd moet worden.”
De herstel- en vervangingskosten zijn in het rapport geraamd op € 37.710,-.
3.14
Op 19 mei 2022 heeft (de advocaat van) [appellante] [geïntimeerde] gesommeerd om de aanneemsom terug te betalen en haar schade (voor zover toen reeds bekend) te vergoeden. [geïntimeerde] heeft dit niet gedaan.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
[appellante] heeft [geïntimeerde] op 15 juni 2022 gedagvaard en gevorderd:
terugbetaling aan haar van de reeds betaalde aanneemsom van € 13.469,26 en € 4.036,81 aan vervangende schadevergoeding, samen € 17.506,07, vermeerderd met € 950,06 aan buitengerechtelijke incassokosten en met wettelijke rente,
te bepalen dat [geïntimeerde] door zijn tekortkoming in de nakoming van de tussen partijen geldende overeenkomst tot aanneming van werk, aansprakelijk is voor de ontstane vertragingsschade, eventueel op te maken in de schadestaatprocedure,
[geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten.
4.2
[appellante] heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat zij met [geïntimeerde] een overeenkomst tot aanneming van werk (hierna: de loodgieterswerkovereenkomst) heeft gesloten en dat [geïntimeerde] ernstig tekortgeschoten is in de nakoming van deze overeenkomst, waardoor zij de overeenkomst moest ontbinden en de gevorderde schade heeft geleden.
4.3
[geïntimeerde] heeft betwist dat hij met [appellante] een overeenkomst heeft gesloten. Hij heeft aangevoerd dat [naam dochter 1] en [naam dochter 2] zijn contractspartij zijn, omdat hij de offerte aan [naam dochter 1] had gestuurd en [naam dochter 1] en [naam dochter 2] die offerte (mondeling) hebben aanvaard na bespreking ervan met hem bij [naam dochter 1] thuis. [appellante] was volgens hem niet bij het tot stand komen van deze overeenkomst betrokken. [geïntimeerde] heeft ook gemotiveerd verweer gevoerd tegen de gestelde tekortkomingen en de vorderingen.
4.4
[geïntimeerde] heeft op zijn beurt in reconventie gevorderd, voor zover in hoger beroep nog van belang, voorwaardelijk, namelijk voor het geval de rechter zou oordelen dat [appellante] zijn contractspartij is: veroordeling van [appellante] tot betaling aan hem van € 13.244,43 wegens onbetaald gelaten facturen en van € 12.071,15 wegens voortijdige opzegging van de overeenkomst, vermeerderd met rente.
4.5
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis geoordeeld dat [appellante] geen partij was bij de loodgieterswerkovereenkomst met [geïntimeerde] en de vorderingen van [appellante] afgewezen. Daarmee kwam de rechtbank niet toe aan beoordeling van de voorwaardelijke vorderingen van [geïntimeerde] .

5.Vorderingen in hoger beroep

5.1
[appellante] vordert in hoger beroep hetzelfde als bij de rechtbank. Haar bezwaren tegen het vonnis zien op de feitenvaststelling (grief 1), op het niet onderkennen door de rechtbank dat [appellante] wel contractspartij was (grief 2) en op het afwijzen van haar vorderingen zonder inhoudelijke beoordeling van de prestaties van [geïntimeerde] (grief 3).
5.2
[geïntimeerde] heeft de grieven (wederom) bestreden met het verweer dat hij geen overeenkomst met [appellante] heeft gesloten en niet wist of had moeten weten dat [naam dochter 1] als gevolmachtigde van [appellante] optrad.

6.Beoordeling in hoger beroep

Vaststelling van feiten

6.1
Met haar eerste grief voert [appellante] aan dat de rechtbank is uitgegaan van onjuiste en onvolledige feiten.
6.2
Het hof merkt hierover op dat de rechter niet verplicht is om alle feiten die partijen naar voren hebben gebracht in de uitspraak te noemen, maar slechts die feiten waarop de beslissing rust. [1] Om tot een juiste beslissing in dit hoger beroep te komen, heeft het hof acht geslagen op alle door partijen in de procedure aangevoerde feiten en omstandigheden. Vervolgens heeft het hof zelfstandig de relevante feiten en omstandigheden vastgesteld. Daarbij heeft het hof rekening gehouden met wat partijen in beide instanties hebben aangevoerd. De voor de beslissing relevante feiten zijn in dit arrest opgenomen, deels hiervóór bij de feiten en deels hierna bij de verdere beoordeling. De eerste grief behoeft geen nadere bespreking.
Partij bij de overeenkomst tot aanneming van werk?
6.3
De tweede grief van [appellante] richt zich tegen het oordeel dat [appellante] niet de contractspartij van [geïntimeerde] was ter zake van de in het geding zijnde loodgieterswerkovereenkomst. Volgens [appellante] heeft [naam dochter 1] de overeenkomst met [geïntimeerde] gesloten als gevolmachtigde namens [appellante] en is dus onjuist dat [geïntimeerde] de overeenkomst met [naam dochter 1] heeft gesloten.
Omdat [appellante] haar vorderingen baseert op de stelling dat [geïntimeerde] met
haarde in geding zijnde loodgieterswerkovereenkomst heeft gesloten en [geïntimeerde] dat heeft betwist, zal het hof beoordelen of [geïntimeerde] inderdaad de loodgieterswerkovereenkomst met [appellante] is aangegaan.
Juridisch kader
6.4
In de wet is bepaald dat een overeenkomst tot stand komt door een aanbod en de aanvaarding daarvan. [2] Tussen partijen is niet in geschil dat [geïntimeerde] de schriftelijke offerte (aanbod) heeft uitgebracht aan
[naam dochter 1] , [adres 2], en dat het in dit geding gaat om de naar aanleiding van deze offerte gesloten loodgieterswerkovereenkomst.
6.5
Het antwoord op de vraag wie partij is bij de overeenkomst hangt af van wat partijen jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Tot de omstandigheden die daarbij in aanmerking moeten worden genomen, behoort ook de voor de wederpartij kenbare hoedanigheid en de context waarin partijen optraden. Ook gedragingen, verklaringen en andere omstandigheden die hebben plaatsgevonden nadat de overeenkomst is gesloten kunnen van belang zijn. [3]
hoedanigheid van eigenares en werk voor de eigenares
6.6
[appellante] heeft in haar stellingen naar voren gebracht dat [geïntimeerde] wist of kon weten dat hij contracteerde met [appellante] , omdat hij wist dat [appellante] eigenares is van het Pand en dat de werkzaamheden haar dienden.
6.7
Het hof overweegt dat de omstandigheid dat [geïntimeerde] wist dat [appellante] eigenares was van het Pand en dat de werkzaamheden haar ten goede kwamen, niet betekent dat [geïntimeerde] daarom wist of behoorde te weten dat [appellante] partij was bij de overeenkomst met hem. Wie partij is bij een overeenkomst blijkt namelijk niet uit wie de eigendom heeft. Ook anderen dan de eigenaar kunnen overeenkomsten sluiten die (al dan niet tijdelijk) de eigendom betreffen. Of de overeenkomst [appellante] wel of niet diende, is dan ook niet bepalend voor de vraag of zij zelf partij was bij de loodgieterswerkovereenkomst.
6.8
Dat het dienen van [appellante] niet betekende dat zij contractspartij was, geldt duidelijk ook in de onderhavige zaak, omdat in het Pand, zoals [geïntimeerde] wist, al sloopwerkzaamheden voor [appellante] waren uitgevoerd op grond van een overeenkomst waarbij [appellante] (ook volgens [appellante] zelf) juist
nietpartij was. [naam 1] heeft over die eerdere overeenkomst verklaard, dat zij persoonlijk [geïntimeerde] heeft gevraagd zaken in het Pand te slopen en dat zij ( [naam 1] ) daar de facturen voor heeft betaald. Aan [geïntimeerde] is vervolgens kenbaar gemaakt dat [appellante] de facturen voor het slopen in haar Pand niet zal betalen omdat [appellante] geen sloopovereenkomst met [geïntimeerde] had gesloten. Dat het Pand eigendom was van [appellante] en dat [naam 1] daar voor [appellante] aan het slopen was, betekende dus
nietdat [geïntimeerde] [appellante] moest beschouwen als contractspartij. Het valt zonder nadere uitleg (die niet is gegeven) niet in te zien waarom [geïntimeerde] dat bij de in geding zijnde loodgieterswerkovereenkomst anders had moeten begrijpen dan bij de overeenkomst voor de sloopwerkzaamheden in hetzelfde Pand.
geen volmacht van [appellante]
6.9
Aangaande de gestelde volmacht overweegt het hof dat [appellante] niet een schriftelijke volmacht aan [geïntimeerde] heeft getoond (of doen tonen) waarmee zij [naam dochter 1] (of [naam dochter 1] en [naam dochter 2] ) machtigde om voor haar een overeenkomst met [geïntimeerde] te sluiten. [appellante] heeft ook niet
zelfrond het sluiten van de overeenkomst aan [geïntimeerde] medegedeeld dat zij daarvoor een volmacht aan [naam dochter 1] (of aan [naam dochter 1] en [naam dochter 2] ) had gegeven of zou geven. [appellante] is niet degene die naar aanleiding van de offerte gesprekken met [geïntimeerde] heeft gevoerd en contact met [geïntimeerde] over de loodgieterswerkopdracht heeft gehad.
6.1
[appellante] heeft aangevoerd dat dat [geïntimeerde] wist dat [appellante] (niet [naam dochter 1] ) zijn contractspartij was, omdat [naam dochter 1] en [naam dochter 2] in hun communicatie met [geïntimeerde] altijd duidelijk waren dat [appellante] niet langer in staat is om een ingrijpende verbouwing te begeleiden en dat [naam dochter 1] en [naam dochter 2] de honneurs voor [appellante] zouden waarnemen. [naam dochter 1] en [naam dochter 2] hebben volgens [appellante] meermalen medegedeeld dat zij optraden als gevolmachtigde van [appellante] . [appellante] heeft hiertoe gewezen op de (schriftelijke) verklaringen van [naam dochter 1] en [naam dochter 2] van 11 en 12 februari 2024.
6.11
[naam dochter 1] heeft op 11 februari 2024 verklaard:
“Wij hebben hem ook duidelijk gezegd dat het pand nog steeds van mijn moeder is, dat we alle offertes en werkzaamheden met mijn moeder moeten overleggen, aangezien zij de opdrachtgever is, maar door mentale en fysieke gezondheidsproblemen zij niet in staat is een verbouwing te leiden. Mijn zusje ( [naam dochter 2] ) en ik hebben deze taken op ons genomen.”
Het hof kan uit deze verklaring niet afleiden dat aan [geïntimeerde] is verteld dat [appellante] de contractspartij bij de loodgieterswerkovereenkomst werd. [naam dochter 1] en [naam dochter 2] vertellen hier immers dat zij de taken voor het leiden van de verbouwing op zich hebben genomen. Tot die taken kan ook het als partij sluiten van de overeenkomst(en) horen. Dat [naam dochter 1] en [naam dochter 2] vertelden dat zij voor [appellante] handelden en dat zij met [appellante] moesten overleggen over alle offertes en werkzaamheden (of dat [appellante] jegens hen moest instemmen met de offerte), betekent niet dat daarmee voor [geïntimeerde] kenbaar was dat hij een overeenkomst met [appellante] sloot; uit de mondelinge mededelingen kon hij evengoed afleiden dat [naam dochter 1] en [naam dochter 2] de verbouwing voor [appellante] deden terwijl
zij, of één van hen, de daarvoor benodigde overeenkomst met [geïntimeerde] sloten.
6.12
[naam dochter 2] heeft op 12 februari 2024 verklaard:
“Achteraf bleek dat hij voor zijn sloopwerkzaamheden werd betaald door [naam 1] en dat hij niets voor niets heeft gedaan. Vanaf dat moment heeft mijn zus intensief contact met hem onderhouden en heeft zij duidelijk gemaakt dat wij de dochters zijn van de eigenaar en opdrachtgever van het pand. Dat wij vanwege gezondheidsproblemen van mijn moeder, [appellante] , als contactpersonen en begeleiders van de verbouwing fungeerden.”
Uit deze verklaring blijkt niet méér dan dat [naam dochter 1] en [naam dochter 2] contactpersonen en begeleiders waren. Wie de opdrachtgever van [geïntimeerde] is, is hiermee niet gezegd. Dat blijkt ook niet uit het registratiesysteem van [geïntimeerde] waarin [naam dochter 1] als contactpersoon staat en waarin niet is vermeld wie de opdrachtgever is, dus ook niet dat dat iemand anders is dan [naam dochter 1] (laat staan dat dat [appellante] is). Uit een opmerking zoals “
opdrachtgever van het pand” valt op zichzelf redelijkerwijs ook niet af te leiden dat [appellante] opdrachtgever van
[geïntimeerde]was (en niet van haar dochter(s) of andere betrokkenen). Overigens kan uit deze verklaring, indien juist, wel blijken dat pas later (“
Achteraf” met “
Vanaf dat moment”) aan [geïntimeerde] duidelijk is gemaakt dat [appellante] “
opdrachtgever van het pand” was.
6.13
[naam dochter 2] heeft op 12 februari 2024 ook verklaard:
“ [geïntimeerde] was gezien zijn prille start als ondernemer dankbaar voor ons vertrouwen (…). Zijn waardering heeft hij in eerste instantie laten blijken door de hele familie [appellante] , inclusief mijn moeder, voor Kerstmis te ‘trakteren’ op een grote hoeveelheid vlees van de slager. Het feit dat hij tevens mijn moeder heeft bedankt laat zien dat [geïntimeerde] wist dat zij verantwoordelijk was voor de opdracht voor de werkzaamheden (…).”
Uit trakteren met kerst van de hele familie, inclusief [appellante] , en bedanken van ook [appellante] , valt redelijkerwijs niet af te leiden dat [geïntimeerde] wist dat [appellante] zijn contractspartij bij de loodgieterswerkopdracht was. [appellante] heeft niet uitgelegd waarom uit die attenties iets anders zou blijken dan dat [geïntimeerde] , zoals hij zelf stelt, met [naam dochter 1] en [naam dochter 2] overlegde over zijn werkzaamheden die onder
hunleiding en verantwoordelijkheid in het Pand van [appellante] plaatsvonden.
6.14
Het hof concludeert dat uit de inhoud van de overgelegde verklaringen van [naam dochter 1] en [naam dochter 2]
nietvalt af te leiden dat aan [geïntimeerde] kenbaar is gemaakt dat [appellante] de contractspartij van [geïntimeerde] was of werd bij de loodgieterswerkovereenkomst. Een uitdrukkelijke volmacht is nooit in bijzijn van [geïntimeerde] afgegeven en [naam dochter 1] en [naam dochter 2] konden [appellante] ontlasten door zelf (als partij) met [geïntimeerde] overeenkomsten te sluiten (dus door haar honneurs ook in dat opzicht waar te nemen).
overige verklaringen, gedragingen en relevante omstandigheden in deze zaak
6.15
De overige verklaringen, gedragingen en omstandigheden dragen niets bij aan het standpunt van [appellante] dat zij en [geïntimeerde] de partijen bij de loodgieterswerkovereenkomsten zijn omdat zij dat redelijkerwijs uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Hiertoe overweegt het hof het volgende:
6.16
De contacten met [geïntimeerde] over het loodgieterswerk zijn
nietdoor [appellante] geïnitieerd, maar, via [naam 1] , door [naam dochter 1] en [naam dochter 2] . [naam dochter 2] heeft hierover op 12 februari 2024 schriftelijk verklaard dat zij en [naam dochter 2] zich verplicht voelden om [geïntimeerde] de opdracht te geven voor loodgieterswerk.
6.17
Er zijn geen berichten of schriftelijke stukken waaruit [geïntimeerde] kon afleiden dat [appellante] wilde dat hij
aan haar( [appellante] ) een offerte zou uitbrengen. In de overgelegde WhatsApp-conversaties bracht [naam dochter 1] haar moeder, [appellante] , alleen ter sprake wanneer er iets anders bij [appellante] in haar woonhuis moest gebeuren (afzuigkap, keukenkraan) wat buiten de in het geding zijnde loodgieterswerkovereenkomst viel (en daarvan begreep [geïntimeerde] dat dat voor [appellante] was; zo berichtte hij bijvoorbeeld op 29-05-2021 aan [naam dochter 1] dat hij
[appellante]had geadviseerd).
Uit de WhatsApp-conversatie van [naam dochter 1] met [geïntimeerde] blijkt dat
[naam dochter 1]betrokken was bij de werkzaamheden in het Pand, dat
[naam dochter 1]en niet [appellante] jegens [geïntimeerde] de beslissingen nam over, of zorg droeg voor, uitvoeringswerk (bak voor sloopmateriaal, zonneschermen, etc.) en dat
[naam dochter 1], niet [appellante] , [geïntimeerde] op de hoogte bracht van de goedkeuring van de vereniging van eigenaars en hem opdroeg wat hij voor de vereniging van eigenaars bij de architect moest benadrukken. [naam dochter 2] berichtte op 11-11-2021 dat zij ( [naam dochter 2] , “
ik”) toestemming had van de vereniging voor eigenaren voor een offerte; [appellante] noemt zij niet. In de WhatsApp-conversaties staat niets over toestemming van [appellante] , advisering aan [appellante] of betrokkenheid van [appellante] bij de inhoud van de loodgieterswerkovereenkomst met [geïntimeerde] . Berichten die zouden kunnen duiden op het vertegenwoordigen van [appellante] bij het gaan sluiten van de loodgieterswerkovereenkomst, zijn in de overgelegde WhatsApp-conversaties nergens te vinden. [naam dochter 1] corrigeerde [geïntimeerde] ook niet, toen die op 01-04-2021 schreef: “
Hoi [naam dochter 1] , (…) Ik ben al drukvoor jebezig met uitzoeken” en: “
dus ik ga mijn best doen om voor het eind van de week een offerte neer te kunnen leggenbij jegoed?” of toen hij op 18-08-2021 over een wtw-installatie schreef: “
misschien kan ikjeuitleggen wat hier de voordelen en de nadelen van zijn” en: “
ik hoopjegenoeg geïnformeerd te hebben” [onderstrepingen hof].
6.18
Op 21 juni 2021 heeft [geïntimeerde] schriftelijk een offerte uitgebracht. Hij heeft deze gericht aan “
[naam dochter 1] , [adres 2]”, de offerte heeft de aanhef ‘
Geachte mevrouw [naam]’ in enkelvoud en [appellante] is niet in de offerte genoemd. De offerte is duidelijk en ondubbelzinnig alleen gericht aan [naam dochter 1] . De dag daarna, op 22 juni 2021, schreef [naam dochter 1] in de WhatsApp-conversatie met [geïntimeerde] : “
Heel erg bedankt voor je offerte,ikkom er volgende week even op terug.” en “
Ik heb het deze week nog even druk, maar ga hier volgende week mee aan de slag met mijn zus. Je hoort van me!” [onderstreping hof]. De naam ‘ [appellante] ’ of ‘moeder’ valt niet. Uit het schrijven kan wel worden afgeleid dat [naam dochter 1] samen met [naam dochter 2] met de offerte aan de slag zou gaan, maar niet dat ook [appellante] daaraan mee zou doen. [naam dochter 1] schreef ook toen niet aan [geïntimeerde] dat zij was gevolmachtigd door haar moeder of haar moeder zou vertegenwoordigen (dit schreven [naam dochter 1] en [naam dochter 2] nergens). Zij schreef zelfs niet dat ze eerst met haar moeder moest overleggen, dat [appellante] met de offerte aan de slag zou gaan of dat [appellante] deze moest accorderen.
6.19
Op 9 augustus 2021 kon [geïntimeerde] , bij [naam dochter 1] thuis, mondeling overleggen met [naam dochter 1] en [naam dochter 2] over de offerte. [appellante] was hier niet bij aanwezig. In de WhatsApp-conversaties van rond en na 9 augustus 2021 staat niets waaruit zou kunnen worden afgeleid dat [appellante] partij bij de overeenkomst zou (willen) zijn of worden. [naam dochter 1] berichtte over [appellante] op 11-08-2021 slechts: “
Wij lopen nu even in het pand(…) “
Mijn moeder wilde het even zien”. Het ‘even willen zien’ past bij een eigenaar die niet zelf opdrachtgever is. [naam dochter 2] bedankte [geïntimeerde] op 06-12-2021 voor suggesties en vermeldde dat zij daar aankomend weekend “
ook namens mijn zus” op zou reageren. Zij vermeldde niet dat zij daar namens
[appellante]op zou reageren.
6.2
[appellante] heeft aangevoerd dat [naam dochter 2] en [naam dochter 1] herhaaldelijk aan [geïntimeerde] hebben verzocht om de facturen op naam van [appellante] te zetten. Wanneer en hoe zij dit (herhaaldelijk) zouden hebben verzocht, heeft [appellante] , ondanks de betwisting door [geïntimeerde] , niet concreet gemaakt. In de stukken bevindt zich alleen een WhatsApp-bericht van 18-10-2021 waarin [naam dochter 1] aan [geïntimeerde] schreef: “
Adres voor de factuur appartementen [adres 1]”. Dat de facturen ook een andere
tenaamstellingdan de offerte ( [appellante] in plaats van [naam dochter 1] ) moesten krijgen, verzocht [naam dochter 1] toen niet. [appellante] (of ‘mijn moeder’) noemde zij niet. Het gewijzigde adres was het adres waar de geoffreerde loodgieterswerkzaamheden zouden plaatsvinden; het zegt niets over wie de contractspartij is. [naam dochter 1] gaf desgevraagd op 18-10-2021 op dat de facturen niet naar haar privé email-adres moesten gaan, maar naar het email-adres [naam email-adres] . Zij vroeg echter niet om een andere tenaamstelling en berichtte ook niet dat het emailadres van [appellante] of van een bedrijf van (alleen) [appellante] was of dat de facturen dan bij [appellante] terecht zouden komen. Een KVK- of btw-nummer kon ze niet direct geven omdat die bij haar zusje, niet bij [appellante] , lagen. Dat het later door haar genoemde bedrijf Confianza alleen voor [appellante] handelde, valt ook nergens uit af te leiden (daargelaten of dat een omstandigheid kan zijn waaruit een andere contractspartij zou kunnen volgen).
6.21
[naam dochter 1] berichtte op 05-10-21 over de eerste aanbetaling: “
Ikmoet even nog een nieuwe rekening openen (…). Dan zalikde betaling doen”, op 29-10-2021“
Komt goed,ikga het anders gewoon al overmaken uit de holding” en op 01-11-2021: “
Is overgemaakt hoor uit de holding”. Ook het verzoek van [geïntimeerde] op 08-01-2022 om de 2e termijn te betalen, beantwoordde [naam dochter 1] met het bericht: “
Dat zalikmorgen even overmaken” en op 09-01-2022 met: “
Wil jemijeven een nieuw factuurnummer sturen dan maakiknu gelijk de volgende 20% over” [onderstrepingen hof]. Met dit een en ander maakte [naam dochter 1] aan [geïntimeerde] kenbaar dat zij zelf de betalingen zou doen. [naam dochter 2] berichtte op 28-12-2021 aan [geïntimeerde] : “
als jij de nieuwe offerte hebt gestuurd zullenmijn zus en ikhet tweede termijn à 20% overmaken” [onderstreping hof]. Ook zij berichtte niet dat
[appellante]iets zou betalen. Uit de betalingen is niet af te leiden dat [appellante] partij bij de overeenkomst was.
6.22
Aan de WhatsApp-groep die voor “
alle betrokkenen” bij de verbouwing van het Pand was aangemaakt, was [appellante] niet toegevoegd. [appellante] wordt in deze groep niet genoemd. [naam dochter 2] berichtte over “
[naam dochter 1] en ik” en meldde dat [naam 2] bereid is “
voor ons” werkzaamheden uit te voeren. ‘ [appellante] ’, ‘volmacht’ of ‘vertegenwoordiging’ kwam niet in deze groeps-conversatie aan de orde. Een contract met [appellante] valt dus niet uit de berichten in de WhatsApp-groep af te leiden.
6.23
Op 25-01-2022 berichtte [naam dochter 2] in de WhatsApp-groep dat de openstaande facturen werkzaamheden betroffen waar “
wij nooit opdracht voor hebben gegeven. (…) Daar zijn mijn zus en ik niet van gediend.” Dat [appellante] opdracht had gegeven of ergens niet van gediend was, werd niet vermeld. Vervolgens berichtte
[naam dochter 2]dat [geïntimeerde] niet meer hoefde terug te komen en verwijderde
[naam dochter 1]hem uit de groep van betrokkenen bij de verbouwing van het Pand. Er is nergens uit af te leiden dat [appellante] hieraan te pas moest komen omdat zij de opdrachtgeefster van [geïntimeerde] was.
6.24
Alle overgelegde berichten in de WhatsApp-communicatie met [geïntimeerde] duiden eerder op beslissingen van [naam dochter 1] en [naam dochter 2] buiten medeweten van [appellante] , dan op beslissingen van [appellante] of namens [appellante] . Uit niets van de communicatie kan worden afgeleid dat [geïntimeerde] de loodgieterswerkovereenkomst met [appellante] sloot.
6.25
Anders dan [appellante] bij haar tweede grief ook heeft aangevoerd, kan het hof er niet vanuit gaan dat zonder meer al “
voor iedereen duidelijk” was dat [geïntimeerde] met [appellante] contracteerde. In hoger beroep heeft [appellante] meerdere schriftelijke verklaringen overgelegd van betrokkenen die desgevraagd uitdrukkelijk antwoorden niet te weten met wie [geïntimeerde] de loodgieterswerkovereenkomst had gesloten ( [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] ). [naam 3] schreef in zijn brief van 2 augustus 2022 over door hem uitgevoerde werkzaamheden in het Pand dat daarnaast een gat is geboord aan de [naam straat] , “
bij de opdrachtgever thuis”, daarbij dus doelend op [naam dochter 1] , niet op [appellante] . Anderen verklaren slechts dat de werkzaamheden met toestemming van [appellante] zijn uitgevoerd omdat zij de eigenaar van het Pand is ( [betrokkene 5] ) of dat [geïntimeerde] het werk “
voor [appellante]” deed of “
diende” ( [betrokkene 6] en [betrokkene 7] ), wat niet bepalend is voor de vraag wie de overeenkomst met [geïntimeerde] sloot. Al op 9 februari 2022 heeft (de advocaat van) [geïntimeerde] aan “
mevrouw [naam dochter 1] en mevrouw [naam dochter 2]” laten weten dat tussen hen en [geïntimeerde] overeenkomsten zijn gesloten in de zin van artikel 7:750 BW Pro (aanneming van werk).
6.26
[appellante] heeft ten slotte in haar tweede grief opgemerkt dat voorzover het bij [geïntimeerde] al niet duidelijk was met wie hij overeenkomsten sloot, het op zijn weg had gelegen daar navraag naar te doen, omdat hij op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (de Wwft) moest weten met wie hij contracteerde. Het hof passeert deze opmerking. Voor [geïntimeerde] was duidelijk met wie hij contracteerde. Hij kende [naam dochter 1] en [naam dochter 2] en sprak hen bij [naam dochter 1] thuis. [appellante] heeft niet aangegeven welke verplichtingen uit de Wwft bij de in geding zijnde loodgieterswerkzaamheden van toepassing zouden (kunnen) zijn en dat [geïntimeerde] díe heeft verzaakt.
Bewijsaanbod
6.27
Het hof passeert het bewijsaanbod van [appellante] om door het horen van getuigen te bewijzen dat zij een overeenkomst is aangegaan met [geïntimeerde] . [appellante] heeft geen voldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld die, als ze bewezen worden, tot een andere uitkomst van deze zaak zouden kunnen leiden.
Conclusie en proceskosten
6.28
De conclusie is dat [appellante] geen partij was bij de loodgieterswerkovereenkomst met [geïntimeerde] . Het hoger beroep van [appellante] slaagt niet. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. De derde grief, die zich tegen afwijzing van de vorderingen richt, slaagt dus ook niet.
6.29
Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen tot betaling van de proceskosten van [geïntimeerde] in hoger beroep (inclusief nakosten).
Het hof begroot de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] op:
griffierecht € 783,-
salaris advocaat € 2.428,- (2 punten × tarief II)
nakosten € 178,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.389,-
6.3
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing
.

7.Beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 april 2023;
  • veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 3.389,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellante] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • bepaalt dat als [appellante] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellante] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellante] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. G. Dulek-Schermers, mr. H.K.N. Vos en J.N. de Blécourt en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Artikel 230, eerste lid, onder e Rv.
2.Artikel 6:217 BW Pro
3.HR 29 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1615