Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
3.Feitelijke achtergrond
Lange Haven 53, parterre, in 1988 gehuurd van [naam 1] . Op 1 januari 2014 hebben [geïntimeerde] en [naam 1] een nieuwe huurovereenkomst gesloten voor deze ruimte (hierna ook:
huurovereenkomst A). In de overeenkomst is niet bepaald voor welk gebruik het gehuurde is bestemd. Over de opzegging is bepaald:
“Beëindiging van de overeenkomst door opzegging dient te geschieden in overeenstemming.”
Lange Haven 51 en 55 en Westvest 42 en 44heeft [geïntimeerde] in onderdelen op verschillende momenten gehuurd van [naam 1] : Lange Haven 55 in 1991, Westvest 44 in 1993, Westvest 42 in 1996 en Lange Haven 51 in 1998. Op 1 januari 2014 hebben [geïntimeerde] en [naam 1] voor deze ruimten één nieuwe huurovereenkomst gesloten (hierna ook:
huurovereenkomst B). Over de bestemming van het gehuurde is in de overeenkomst het volgende opgenomen:
“Het gehuurde is uitsluitend bestemd om te worden gebruikt als verkoop- opslag- en kantoorruimte”.Over opzegging van de overeenkomst is het volgende opgenomen:
“Eventuele opzegging van de huur dient twee maanden voor beëindiging te worden doorgegeven. In uitzonderingsgevallen kan hier, na goed overleg, van afgeweken worden.”
Westvest 42, parterre, (hierna ook:
huurovereenkomst C). Over de bestemming van het gehuurde is in de overeenkomst bepaald:
“Het gehuurde is uitsluitend bestemd om te worden gebruikt als opslag”. Over de opzegging is bepaald:
“Beëindiging van de overeenkomst door opzegging dient te geschieden in overeenstemming.”
4.Procedure bij de rechtbank
5.Verzoeken in hoger beroep
6.Beoordeling in hoger beroep
“Een uurtje of wat rondkijken om op je gemak een mooie doos wijn uit te zoeken, is een feest op zich bij [geïntimeerde] Vins. Feestelijker nog zijn de proeverijen die regelmatig worden georganiseerd. Geef even uw naam en adres op en u wordt voor de eerstvolgende proeverij geïnviteerd.”. En op een foto uit 1995 is de zien dat op de pui van Lange Haven 53 (waar zich oorspronkelijk de ingang bevond) nog staat:
“ [geïntimeerde] VinsWijnwinkel”(cursivering toegevoegd). [9] Mevrouw [naam 2] (dochter van [naam 3] , de oprichter van [geïntimeerde] ) heeft tijdens de zitting bij het hof verklaard dat zij al meer dan 30 jaar in het gehuurde werkt, dat zij niet beter weet dan dat zij in een mooie en grote wijnspeciaalzaak werkt, dat dat altijd zo is geweest en dat de meeste inspanning en energie gaat naar de particuliere verkoop. Het hof oordeelt dat [geïntimeerde] met het voorgaande afdoende heeft onderbouwd dat de onder huurovereenkomst B vallende ruimten ook op het moment van het sluiten van de overeenkomst in 2014 al werden gebruikt als 290-ruimten, hetzij rechtstreeks (omdat ze waren ingericht en werden gebruikt als winkelruimte en/of proeflokaal), hetzij omdat zij voornamelijk werden gebruikt ten behoeve van die 290-bedrijfsruimten. Met betrekking tot de opslagruimten merkt het hof nog op dat [geïntimeerde] onweersproken heeft gesteld dat zij al vóór 2014 (te weten vanaf 2001) ten behoeve van haar groothandelsfunctie externe magazijnruimte huurde, waar geïmporteerde wijnen werden afgeleverd en opgeslagen.
“Groothandel en detailhandel in wijnen en gedistilleerde dranken, alsmede een slijterij met wijngeschenkenshowroom en een proeflokaal met een horecavergunning”. [11] [geïntimeerde] heeft ook een stuk overgelegd waaruit blijkt dat zij is aangesloten bij het Pensioenfonds Detailhandel. [12] Het hof oordeelt dat deze argumenten van Schiedamse Steen, ook gelet op de door [geïntimeerde] gegeven toelichting, onvoldoende gewicht in de schaal leggen tegenover de hiervoor besproken onderbouwing van [geïntimeerde] dat haar en verhuurder [naam 1] in 2014 bij het sluiten van de huurovereenkomst B, voor ogen stond dat die bedrijfsruimte voor 290-doeleinden gebruikt zou worden.
7.Beslissing
en opnieuw rechtdoende:
- verklaart [geïntimeerde] niet ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 7:230a BW;
- veroordeelt Schiedamse Steen in de kosten van de procedure in eerste aanleg, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 1.363,-;
- veroordeelt Schiedamse Steen daarnaast in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 3.596,-;
- bepaalt dat als Schiedamse Steen niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, Schiedamse Steen de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.