Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:943

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
200.365.578/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Haags KinderontvoeringsverdragArt. 11 lid 1 Uitvoeringswet internationale kinderontvoeringArt. 12 lid 1 Haags KinderontvoeringsverdragArt. 13 lid 1 sub b Haags KinderontvoeringsverdragArt. 13 lid 4 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging teruggeleiding minderjarige naar Polen bij internationale kinderontvoering

Deze zaak betreft een geschil over de teruggeleiding van een minderjarige vanuit Nederland naar Polen, waarbij de moeder het verzoek tot terugkeer had ingediend en de vader hiertegen in hoger beroep ging. De rechtbank had de terugkeer van het kind naar Polen gelast en Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering belast met de voorlopige voogdij.

Het hof bevestigt dat de gewone verblijfplaats van het kind onmiddellijk voorafgaand aan de overbrenging naar Nederland in Polen lag, mede door de instemming van de vader met de verhuizing en de duurzame integratie van het kind in Polen. De vader had het kind zonder toestemming naar Nederland overgebracht, wat een ongeoorloofde overbrenging vormt volgens het Haags Kinderontvoeringsverdrag.

De vader voerde een beroep op de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b van Pro het Verdrag aan, stellende dat het kind door terugkeer in een ondraaglijke toestand zou verkeren. Het hof verwierp dit beroep op basis van het ontbreken van direct contact van de psycholoog met het kind, de positieve bevindingen van de voorlopige voogdes en de bijzondere curator over het contact tussen moeder en kind, en het niet aannemelijk maken van de vader van zijn stellingen.

Het hof bekrachtigt de beschikking tot teruggeleiding en de voorlopige voogdij, wijst het aanvullende verzoek van de moeder af wegens strijd met de goede procesorde, en bepaalt dat de vader het kind uiterlijk op 22 april 2026 aan de moeder in Polen moet overdragen. De proceskosten worden gecompenseerd en de bijzondere curator wordt ontslagen van haar taak.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep van de vader af en bekrachtigt de teruggeleiding van de minderjarige naar Polen met behoud van de voorlopige voogdij.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie
zaaknummer : 200.365.578/01
rekestnummer rechtbank : FA RK 25-9315
zaaknummer rechtbank : C/09/695887
beschikking van de meervoudige kamer van 8 april 2026
inzake
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. J.A.M. Schoenmakers te Breda,
tegen
[de moeder] ,
wonende te Polen ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. Y.M. Schrevelius te Rotterdam.
Als belanghebbende is aangemerkt:
[de bijzondere curator] ,
kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
in haar hoedanigheid van bijzondere curator over het hierna te noemen kind [de minderjarige] ,
hierna te noemen: de bijzondere curator.
Als informant is aangemerkt:
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna ook te noemen: de voorlopige voogdes.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming, regio Haaglanden,
hierna te noemen: de raad.

1.De zaak en de beschikking in het kort

1.1
Deze zaak gaat over de teruggeleiding van het hierna te noemen kind [de minderjarige] vanuit Nederland naar Polen. De rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) heeft in de beschikking van 17 februari 2026 (hierna: de bestreden beschikking) het verzoek van de moeder tot terugkeer van [de minderjarige] naar Polen toegewezen. Daarbij heeft de rechtbank Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering belast met de voorlopige voogdij over [de minderjarige] .
1.2
De vader heeft hoger beroep ingesteld tegen de bestreden beschikking. Hij wil dat het verzoek van de moeder tot teruggeleiding van [de minderjarige] naar Polen alsnog wordt afgewezen. De moeder heeft hiertegen verweer gevoerd.
1.3
Het hof wijst in deze beschikking het hoger beroep van de vader af en bekrachtigt de bestreden beschikking.
1.4
Het hof geeft hierna eerst een beschrijving van het verloop van de procedure tot nu toe en het geschil in hoger beroep. Daarna geeft het hof de standpunten van partijen weer en motiveert het hof zijn beslissing.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De vader is op 2 maart 2026 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De moeder heeft op 16 maart 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
  • een journaalbericht van de zijde van de vader van 10 maart 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
  • een brief van de zijde van de bijzondere curator van 17 maart 2026, ingekomen op 19 maart 2026;
  • een brief van de zijde van de voorlopige voogdes van 19 maart 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
  • een journaalbericht van de zijde van de vader van 20 maart 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
  • een e-mailbericht van de zijde van de moeder van 20 maart 2026 met bijlagen;
  • een journaalbericht van de zijde van de vader van 23 maart 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
  • een e-mailbericht van de zijde van de vader van 23 maart 2026 met bijlage;
  • een e-mailbericht van de zijde van de moeder van 24 maart 2026 met bijlagen;
  • een journaalbericht van de zijde van de vader van 24 maart 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
  • een e-mailbericht van de zijde van de moeder van 24 maart 2026 met bijlagen.
2.4
De mondelinge behandeling heeft op 25 maart 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat en de tolk [tolk] (tolk Pools);
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat en de tolk [tolk] (tolk Pools);
  • de bijzondere curator;
  • [de voorlopige voogdes] namens de voorlopige voogdes (via een digitale verbinding);
  • de raad, vertegenwoordigd door [raadsvertegenwoordiger] .
De advocaat van de vader heeft ter zitting een pleitnotitie voorgedragen en overgelegd.
2.5
De advocaat van de moeder heeft reeds op voorhand, bij het verweerschrift in hoger beroep, bezwaar gemaakt tegen het op een later tijdstip nog inbrengen door de vader van nadere bewijsstukken. Volgens haar brengt het pas op het allerlaatste moment overleggen van bewijsstukken die de vader reeds bij het beroepschrift had kunnen inbrengen, de moeder in een nadeliger positie om die bewijsstukken onderbouwd te kunnen weerleggen. Het hof ziet, gelet op de aard van deze procedure en hetgeen van die stukken al bekend was in eerste aanleg, geen reden om de van de zijde van de vader na de indiening van het beroepschrift overgelegde stukken niet toe te laten in de procedure. Deze stukken zijn niet zodanig laat ingebracht dat toelating daarvan in strijd is met de goede procesorde.

3.De feiten

3.1
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.2
De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
3.3
Zij zijn de ouders van [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] , Polen. De vader heeft [de minderjarige] erkend.
3.4
De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] uit.
3.5
De vader, de moeder en [de minderjarige] hebben de Poolse nationaliteit.
3.6
De moeder heeft van september 2021 tot mei 2022 bij de vader in Nederland gewoond. In mei 2022 is zij naar Polen gegaan. Daar is [de minderjarige] op [geboortedatum] geboren en eind 2022 is de moeder met [de minderjarige] teruggekeerd naar de vader in Nederland.
3.7
De moeder is vervolgens op 16 juli 2024 met [de minderjarige] vanuit Nederland naar Polen vertrokken. De moeder is sindsdien niet meer naar Nederland teruggekeerd.
3.8
Op 30 mei 2025 heeft de vader [de minderjarige] opgehaald van de kleuterschool/crèche in Polen, waarna hij in de loop van juni 2025 [de minderjarige] , zonder toestemming van de moeder, naar Nederland heeft overgebracht. Sindsdien verblijft [de minderjarige] bij de vader in Nederland.
3.9
De moeder heeft zich, door tussenkomst van de Poolse Centrale Autoriteit, op 14 oktober 2025 gewend tot de Nederlandse Centrale Autoriteit (hierna: CA).
3.1
Bij beschikking van 30 december 2025 oordeelt de rechtbank dat zij over onvoldoende informatie beschikt om inhoudelijk op het verzoek tot voorziening in de voorlopige voogdij te beslissen en houdt zij iedere verdere beslissing aan in afwachting van de resultaten van de crossborder mediation.
3.11
Bij beschikking van de rechtbank van 13 januari 2026 is de bijzondere curator benoemd over [de minderjarige] .

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de terugkeer gelast van [de minderjarige] naar Polen uiterlijk op 6 maart 2026, waarbij de vader [de minderjarige] dient terug te brengen naar Polen, en is bevolen dat, indien de vader nalaat [de minderjarige] terug te brengen naar Polen, de vader [de minderjarige] met de benodigde geldige reisdocumenten aan de moeder zal afgeven uiterlijk op 6 maart 2026, opdat de moeder [de minderjarige] zelf mee terug kan nemen naar Polen. Verder heeft de rechtbank Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering belast met de voorlopige voogdij over [de minderjarige] en bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. Het meer of anders verzochte is afgewezen.
4.2
De vader is het niet eens met deze beslissing. Zoals op de mondelinge behandeling toegelicht, verzoekt hij het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en de in eerste aanleg gedane verzoeken van de moeder tot teruggeleiding van [de minderjarige] naar Polen en het uitspreken van de voorlopige voogdij over [de minderjarige] af te wijzen, met veroordeling van de moeder tot vergoeding aan de vader van de door hem gemaakte kosten in beide instanties.
4.3
De moeder verweert zich hiertegen. Zij verzoekt het hof om het hoger beroep van de vader ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.4
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder het hof aanvullend verzocht om in het kader van de teruggeleiding te bepalen dat de vader [de minderjarige] in Nederland aan haar zal overdragen. De vader heeft zich daartegen verweerd.

5.De motivering van de beslissing

Vooraf
5.1
Het verzoek tot teruggeleiding van [de minderjarige] is gebaseerd op het Haags verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980, Trb. 1987, 139 (hierna: het Verdrag), waarbij zowel Nederland als Polen partij zijn.
5.2
Aangezien [de minderjarige] zijn werkelijke verblijfplaats heeft in Nederland, heeft de Nederlandse rechter op basis van het Verdrag rechtsmacht om kennis te nemen van het teruggeleidingsverzoek. Op grond van artikel 11 lid 1 van Pro de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet) is de rechtbank Den Haag, en daarmee als enige appelinstantie het Hof Den Haag, bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag over het kind toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.
5.3
Het Verdrag heeft tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.
Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van Pro het Verdrag
Wat staat er in het Verdrag?
5.4
Op grond van artikel 3 van Pro het Verdrag is sprake van een ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren van het kind geschiedt in strijd met het gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden.
Gewone verblijfplaats
5.5
De ouders zijn het niet eens over de vraag in welk land [de minderjarige] onmiddellijk voorafgaand aan het moment dat de vader hem in juni 2025 van Polen naar Nederland overbracht, zijn gewone verblijfplaats had. Tussen de ouders staat vast dat [de minderjarige] eind 2022 zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft gekregen en volgens de vader is die gewone verblijfplaats nimmer naar Polen verschoven. Hij stelt daartoe dat hij nooit heeft ingestemd met een verhuizing van [de minderjarige] naar Polen. De vader wijst in dit kader ook op de tussen de ouders gewezen uitspraak van de Poolse rechtbank te [plaats] van 1 augustus 2025 en die van de Poolse rechtbank te [plaats] van 9 oktober 2025. Volgens hem is in beide uitspraken geoordeeld dat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland ligt. De moeder heeft een en ander gemotiveerd betwist en stelt dat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] onmiddellijk voorafgaande aan zijn overbrenging in juni 2025 door de vader naar Nederland, in Polen lag.
5.6
Het hof stelt, net zoals de rechtbank, voorop dat het conflictenrechtelijke begrip 'gewone verblijfplaats van het kind' een feitelijk begrip is waaraan inhoud wordt gegeven door de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Daarbij gaat het, kort gezegd, om de plaats waarmee het kind onmiddellijk voorafgaand aan zijn overbrenging maatschappelijk de nauwste bindingen heeft. Tot de voor de bepaling van de gewone verblijfplaats van het kind in aanmerking te nemen factoren kunnen, naast de fysieke aanwezigheid van het kind in een lidstaat, in het bijzonder worden gerekend omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of toevallig is en dat de verblijfplaats van het kind een zekere integratie in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Daarbij moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat en van de verhuizing van het gezin naar die staat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat. De leeftijd van het kind en zijn sociale en familiale omgeving zijn van wezenlijk belang voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats. Doorgaans is de omgeving van een jong kind in wezen een familiale omgeving, waarvoor de persoon of personen bij wie het kind woont, die daadwerkelijk gezag over hem uitoefenen en voor hem zorgen, bepalend is of zijn (zie HR 17 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4833). Voorts kan de bedoeling van de ouders om zich met het kind in een andere lidstaat te vestigen, waaraan uiting is gegeven door maatregelen, zoals de koop of de huur van een woning in de lidstaat van ontvangst, een aanwijzing voor de verplaatsing van de gewone verblijfplaats zijn. Wanneer het kind twee ouders met gezag heeft, moet rekening worden gehouden met de intenties van beide ouders. De bedoeling van de ouders is echter in beginsel niet doorslaggevend omdat de vaststelling van de gewone verblijfplaats van een kind in wezen berust op objectieve omstandigheden. De bedoeling van de ouders is, in voorkomend geval, slechts een aanwijzing die een reeks van met elkaar overeenstemmende factoren kan aanvullen. (Zie HvJ EU 28 juni 2018, zaak C-512/17, ECLI:EU:C:2018:513.)
5.7
Het hof is van oordeel dat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] onmiddellijk voorafgaande aan de overbrenging naar Nederland in juni 2025, in Polen lag. Het hof legt hierna uit waarom.
5.8
[de minderjarige] verbleef ten tijde van de overbrenging in juni 2025 inmiddels circa elf maanden onafgebroken in Polen. Hij was op dat moment ruim twee en een half jaar oud. Gedurende die elf maanden woonde [de minderjarige] samen met zijn moeder bij zijn grootouders moederszijde. De moeder droeg in die tijd (al dan niet samen met haar ouders) de zorg voor [de minderjarige] . De moeder zelf heeft, afgezien van de perioden van samenwoning met de vader van september 2021 tot mei 2022 en van eind 2022 tot 16 juli 2024, haar hele leven in Polen gewoond. Zij heeft geen familie in Nederland. De vader heeft evenmin familie in Nederland. [de minderjarige] , de moeder en de vader hebben uitsluitend de Poolse nationaliteit. [de minderjarige] bezocht voorafgaande aan de overbrenging naar Nederland een kleuterschool/crèche in Polen, waar hij in januari 2025 is ingeschreven. Hij had sinds in elk geval september 2024 een huisarts in Polen en bezocht daar met zijn moeder een kinderarts. Hij is in Polen geboren waar hij samen met de moeder ook de eerste maanden van zijn leven heeft doorgebracht. Verder blijkt uit het door de vader in eerste aanleg overgelegde “Afschrift van gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP)” van de gemeente [plaats] dat [de minderjarige] per 30 september 2024 is uitgeschreven uit de BRP van de gemeente [plaats] , met vermelding per die datum van het Poolse adres in [plaats] .
5.9
De ouders verschillen van mening over de vraag wat de bedoeling was van het vertrek van de moeder en [de minderjarige] op 16 juli 2024 naar Polen. Volgens de moeder had de vader haar het huis uitgezet, was het vertrek vanwege de relatieproblemen tussen de ouders definitief en geschiedde de verhuizing met [de minderjarige] naar Polen met toestemming van de vader. Volgens de vader was het de bedoeling dat de moeder en [de minderjarige] slechts een paar weken in Polen zouden verblijven, bij wege van vakantie.
5.1
Voor zover de vader daarmee wil betogen dat [de minderjarige] ’ verblijf in Polen nooit een duurzaam karakter heeft gekregen omdat de vader niet zou hebben ingestemd met een verhuizing van [de minderjarige] naar Polen, faalt dit betoog. Allereerst merkt het hof op dat de vader pas op 6 juni 2025, elf maanden na het vertrek van de moeder en [de minderjarige] naar Polen, in Polen een teruggeleidingsprocedure is gestart. Verder concludeert het hof uit de door de moeder overgelegde WhatsApp correspondentie, voorzien van een beëdigde vertaling, dat de vader wel degelijk heeft ingestemd met een verhuizing van [de minderjarige] naar Polen. Uit die correspondentie blijkt namelijk het volgende. De vader schrijft op 17 augustus 2024 aan de moeder dat zij vanaf de volgende maand bij de gemeente uitgeschreven moet worden en dat hij nog met iemand zal praten hoe dat moet. Op 20 september 2024 schrijft hij de moeder welke documenten zij moet voegen bij een door haar te versturen e-mailbericht en dat zij in de onderwerpregel van dat emailbericht moet invullen de woorden “Emigratie-verhuizen naar buitenland”. Op 30 september 2024 schrijft de vader aan de moeder dat hij haar volledige adres in [plaats] nodig heeft “voor dit verhuizing gerelateerd document”. De vader vraagt haar vervolgens op diezelfde dag nog of zij even naar haar e-mail wil kijken, het wil printen en haar handtekening wil zetten op de eerste bladzijde. De moeder schrijft daarop diezelfde dag nog aan de vader dat zij het zal uitprinten en zal opsturen. Vervolgens vindt op diezelfde dag de uitschrijving van de moeder en van [de minderjarige] uit de BRP in Nederland plaats. Uit deze WhatsApp berichten, gelezen in samenhang met het door de moeder als productie II bij haar verweerschrift in hoger beroep ingebrachte formulier “Emigratie-verhuizen naar het buitenland” van de gemeente [plaats] alsmede de door de moeder daarop gegeven toelichting, volgt naar het oordeel van het hof dat de vader wist, sterker nog, eraan heeft meegewerkt dat niet alleen de moeder maar ook [de minderjarige] zou worden uitgeschreven uit de BRP in Nederland. Verder heeft de vader aan de integratie van [de minderjarige] in Polen meegewerkt dan wel dit toegestaan. Zo schrijft de vader op 30 september 2024 aan de moeder dat hij niet begrijpt waarom de moeder met [de minderjarige] (hof: in Polen) tegen betaling naar een privé kinderarts gaat, nu de moeder al zo lang in Polen is dat [de minderjarige] al lang zijn eigen huisarts had moeten hebben. Verder blijkt uit de bewuste WhatsApp correspondentie dat de moeder op 10 januari 2025 aan de vader schrijft dat zij hoopt dat de handtekening van de vader voor de inschrijving op de kleuterschool (hof: in Polen) niet nodig is omdat de vader dan zou moeten komen en dat de vader daarop antwoordt dat hij denkt dat de handtekening van de moeder wel genoeg zal zijn. Weliswaar blijkt uit de bewuste correspondentie ook dat de vader op 18 oktober 2024 aan de moeder schrijft dat zolang de moeder geen (naar het hof begrijpt:) mediation regelt, de vader binnen één jaar na haar vertrek van het Verdrag van Den Haag gebruik kan maken, maar het hof acht dit bericht, in het licht van het voorgaande, onvoldoende om daaruit te concluderen dat de moeder destijds zonder enige vorm van instemming van de vader met [de minderjarige] naar Polen is verhuisd. De vader beroept zich nog op een door hem genoemd WhatsApp bericht van 26 juli 2024, waarin hij de moeder zou hebben geschreven dat zij [de minderjarige] heeft ontvoerd en met hem moet terugkeren. De vader heeft in dit kader ter mondelinge behandeling bij het hof verwezen naar de door hem als productie 4 bij het journaalbericht van 20 maart 2026 overgelegde WhatsApp berichten. Het hof kent aan deze berichten geen betekenis toe omdat deze niet zijn voorzien van een beëdigde vertaling en bovendien nauwelijks leesbaar zijn. Ten aanzien van de door de vader in eerste aanleg als productie 3 bij zijn verweerschrift overgelegde WhatsApp berichten merkt het hof op dat ook deze berichten niet zijn voorzien van een beëdigde vertaling, terwijl bovendien niet valt te verifiëren op welke data die berichten daadwerkelijk zijn verzonden. Daarom wordt ook aan deze stukken voorbij gegaan. De vader beroept zich verder nog op de door hem in hoger beroep overgelegde productie 6, volgens de vader een verklaring van zijn advocaat in Polen. Deze productie maakt het oordeel van het hof niet anders. Zoals de moeder terecht opmerkt is de bewuste tekst niet op briefpapier van de daar genoemde advocaat gesteld en is het stuk niet van een handtekening voorzien. Bovendien geeft het stuk geen relevante, nieuwe informatie ten aanzien van de vraag of de moeder destijds met instemming van de vader met [de minderjarige] naar Polen is verhuisd.
5.11
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat [de minderjarige] onmiddellijk voorafgaande aan zijn overbrenging naar Nederland maatschappelijk de nauwste bindingen met Polen had en dat zijn verblijf in Polen toen niet als tijdelijk of toevallig was aan te merken. De gewone verblijfplaats van [de minderjarige] lag op dat moment derhalve in Polen. De vader beroept zich tevergeefs op de tussen de ouders gewezen uitspraak van de rechtbank te [plaats] en die van de rechtbank te [plaats] . Anders dan de vader betoogt heeft de rechtbank te [plaats] , alwaar de vader op 6 juni 2025 een procedure tot teruggeleiding van [de minderjarige] op de voet van het Verdrag had ingeleid, zich in haar uitspraak van 1 augustus 2025 niet uitgelaten over de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] . Die rechtbank heeft uitsluitend geoordeeld dat er geen plaats was voor een inhoudelijke beoordeling van het teruggeleidingsverzoek van de vader omdat [de minderjarige] inmiddels door de vader naar Nederland was overgebracht zodat de vader geen belang had bij zijn verzoek tot teruggeleiding naar Nederland. Ten aanzien van de uitspraak van de rechtbank te [plaats] van 9 oktober 2025 merkt het hof op dat de moeder daarvan in hoger beroep is gegaan zodat deze uitspraak niet onherroepelijk is. Overigens is het hof in de onderhavige procedure voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] onmiddellijk voorafgaande aan de overbrenging naar Nederland ook niet gebonden aan een uitspraak van de Poolse rechter te dien aanzien.
5.12
Aangezien de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] onmiddellijk voorafgaande aan de overbrenging naar Nederland in Polen lag, die overbrenging is geschied in strijd met het gezagsrecht van de moeder naar Pools recht en dit gezagsrecht werd uitgeoefend op het tijdstip van de overbrenging, is sprake van een ongeoorloofde overbrenging van [de minderjarige] naar Nederland in de zin van artikel 3 van Pro het Verdrag.
Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 lid 1 van Pro het Verdrag
5.13
Ingevolge artikel 12 lid 1 van Pro het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.
5.14
Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van [de minderjarige] naar Nederland en de indiening van het verzoek in eerste aanleg door de moeder, dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van [de minderjarige] naar Polen te volgen, tenzij sprake is van een van de in het Verdrag genoemde weigeringsgronden. De vader beroept zich in hoger beroep wederom op de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b van Pro het Verdrag.
Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van Pro het Verdrag
5.15
Ingevolge artikel 13 lid 1 sub b van Pro het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondraaglijke toestand wordt gebracht.
5.16
Het hof stelt voorop dat artikel 13 lid 1 sub b van Pro het Verdrag restrictief moet worden uitgelegd en dat een beroep daarop slechts in uitzonderlijke situaties kan worden gehonoreerd. Als uitgangspunt geldt dat, in geval van kinderontvoering, terugkeer naar de Staat van de gewone verblijfplaats in het belang van het kind is en dat de verzochte terugkeer alleen in bijzondere omstandigheden geweigerd wordt. De rechter van de aangezochte Staat mag de in voornoemde verdragsbepaling gestelde voorwaarde niet reeds vervuld achten louter op grond van zijn oordeel dat het belang van het kind in het land van herkomst minder goed gediend is dan in het land van de aangezochte rechter. De belangenafweging bij de vraag waar en bij wie van de ouders het kind zijn uiteindelijke verblijfplaats moet hebben, moet immers plaatsvinden in een bodemprocedure en past niet in de onderhavige procedure, waarin slechts een ordemaatregel wordt getroffen (zie HR 20 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4795).
5.17
Volgens de vader heeft de rechtbank ten onrechte zijn beroep op de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b van Pro het Verdrag verworpen. Hij voert daartoe kort samengevat het volgende aan. Uit de door hem in eerste aanleg overgelegde verslaglegging van de in Polen gevestigde psycholoog [de psycholoog] blijkt dat [de minderjarige] bij terugkeer naar Polen in een ondraaglijke toestand wordt gebracht. [de minderjarige] is namelijk niet bestand tegen contact met de moeder, hij wil ook geen contact met haar, en dat contact roept ernstige angstreacties bij hem op. Daarom kan contact met de moeder slechts geleidelijk plaatsvinden. Ook uit de in hoger beroep overgelegde verklaring van dezelfde psycholoog van 10 maart 2026 blijkt dat het contact tussen de moeder en [de minderjarige] zorgelijk is en dat een terugkeer van [de minderjarige] naar Polen ernstige emotionele gevolgen voor [de minderjarige] kan hebben. De moeder heeft tegen een en ander gemotiveerd verweer gevoerd.
5.18
Het hof verwerpt het beroep van de vader op artikel 13 lid 1 sub Pro van het Verdrag. Het hof stelt daarbij voorop dat de genoemde psycholoog geen direct contact met [de minderjarige] heeft gehad en geen diagnostisch onderzoek heeft uitgevoerd. Naar het hof begrijpt zijn de verslagen van deze psycholoog uitsluitend gebaseerd op videobelmomenten tussen de psycholoog en [de minderjarige] (en tussen de psycholoog en de vader) en op videobelmomenten tussen [de minderjarige] en de moeder. De psycholoog heeft geen enkel contact met de moeder zelf gehad. Reeds om voormelde redenen dienen de conclusies in de bewuste verslagen met de nodige terughoudendheid te worden bezien.
5.19
Verder is van belang dat de bevindingen van voornoemde psycholoog over het contact tussen de moeder en [de minderjarige] haaks staan op de bevindingen van de voorlopige voogdes. Vanuit de voorlopige voogdes zijn in de periode van 5 maart 2026 tot en met 16 maart 2026 drie videobelmomenten en één fysiek omgangsmoment van twee en een half uur tussen [de minderjarige] en de moeder begeleid. De betrokken jeugdbeschermer schrijft hierover onder meer het volgende. Tijdens de videobelmomenten wordt gezien dat [de minderjarige] het leuk vindt om met zijn moeder te bellen. Tweemaal heeft [de minderjarige] uit zichzelf aangegeven dat hij langer met de moeder wilde bellen. Tijdens de videobelmomenten en de fysieke omgang blijkt noch [de minderjarige] noch de moeder aansturing of nabijheid van de jeugdbeschermer nodig te hebben. In de samenwerking met de jeugdbeschermer stelt de moeder de belangen van [de minderjarige] voorop, boven haar eigen belangen. De jeugdbeschermer schrijft dat ondanks dat de vader mondeling toezegt ruimte aan [de minderjarige] te geven voor contact met de moeder, de vader in zijn gedragingen het tegenovergestelde laat zien. Het lijkt alsof de vader met allerlei kopieën van gesprekken, verslagen e.d. wil bewijzen dat [de minderjarige] bang is voor zijn moeder en contact tussen hen alleen onder strikte voorwaarden mogelijk is. De vader laat daarmee zien dat hij niet coöperatief kan samenwerken met de moeder en dat hij haar rol in het leven van [de minderjarige] minimaliseert. Onduidelijk is nog of de vader zich hiervan bewust is, aldus de jeugdbeschermer. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de jeugdbeschermer nog verklaard dat sprake lijkt van een veilige hechting tussen de moeder en [de minderjarige] , dat een liefdevolle interactie wordt gezien en dat over de omgang met de moeder geen zorgen bestaan.
5.2
De bevindingen van de psycholoog in Polen laten zich evenmin rijmen met de recente bevindingen van de bijzondere curator. In haar verslag aan het hof schrijft de bijzondere curator naar aanleiding van het door haar op 16 maart 2026 bijgewoonde fysieke omgangsmoment dat het contact tussen de moeder en [de minderjarige] heel natuurlijk en warm verloopt. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de bijzondere curator verklaard het eens te zijn met de bevindingen van de jeugdbeschermer en dat er met betrekking tot de omgang met de moeder geen zorgen zijn. Ook de bijzondere curator vraagt zich af of de vader [de minderjarige] emotioneel wel de toestemming tot contact met de moeder geeft en, zo ja, in welke mate.
5.21
De vader voert in het kader van zijn beroep op artikel 13 lid 1 sub b van Pro het Verdrag nog aan dat de moeder niet over woonruimte noch een inkomen beschikt en dat evenmin is aangetoond dat zij gelet op haar psychische problemen in staat is voor [de minderjarige] te zorgen. Hieraan gaat het hof voorbij. In het kader van voormelde verdragsbepaling rusten de stelplicht en de bewijslast op de vader. Hij heeft zijn stellingen, tegenover de gemotiveerde en met stukken onderbouwde betwisting daarvan door de moeder, niet aannemelijk gemaakt.
5.22
Verder betoogt de vader nog dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat in Polen, indien nodig, maatregelen voor hulpverlening kunnen worden getroffen. Hij stelt dat niet is gebleken van enige adequate voorziening in Polen en dat de moeder in dit kader ook niets heeft aangeboden. Ook dit betoog faalt. Er wordt namelijk pas toegekomen aan de beoordeling of sprake is van adequate voorzieningen in het land waarheen teruggeleiding wordt verzocht, indien de teruggeleidingsrechter overweegt de terugkeer op grond van artikel 13 lid 1 sub b van Pro het Verdrag te weigeren (zie artikel 27 lid 3 van Pro de Verordening Brussel II-ter). Die weigeringsgrond doet zich in het onderhavige geval evenwel, zoals hierboven overwogen, niet voor. De wijze waarop een zorgvraag door (jeugd)instanties in Polen wordt opgepakt, en in hoeverre dit afwijkt van de hulpverlening in Nederland, kan geen grond opleveren voor het oordeel dat sprake is van een ondraaglijke toestand. Overigens heeft de raad tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank verklaard dat in Polen voldoende mogelijkheden voor hulpverlening bestaan en dat de raad mogelijk ook een zorgmelding zou kunnen doen. En na de overbrenging van [de minderjarige] door de vader naar Nederland is al een zorgmelding vanuit Polen gedaan, zodat de situatie rond [de minderjarige] reeds bij de Poolse instanties bekend is.
Tussenconclusie
5.23
Op basis van hetgeen hiervoor is overwogen faalt het beroep van de vader op de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b van Pro het Verdrag. Nu de vader [de minderjarige] in strijd met het gezagsrecht van de moeder naar Nederland heeft overgebracht en geen sprake is van enige in het Verdrag genoemde weigeringsgrond, dient de onmiddellijke teruggeleiding van [de minderjarige] naar Polen te worden gelast.
5.24
Zoals eerder overwogen heeft de moeder het hof tijdens de mondelinge behandeling aanvullend verzocht te bepalen dat de vader [de minderjarige] in Nederland aan haar zal overdragen. Zij vreest dat de vader [de minderjarige] niet aan haar zal afgeven. Vader heeft zich daartegen verweerd, primair op processuele gronden.
5.25
Het hof wijst het bewuste aanvullende verzoek van de moeder af nu dit verzoek in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Immers de moeder heeft het aanvullende verzoek eerst mondeling ter zitting in hoger beroep gedaan. Niet is gebleken dat sprake is van feiten en omstandigheden die zich eerst na indiening van het verweerschrift hebben voorgedaan of van samenhang met door de vader nadien naar voren gebrachte standpunten/grieven, die maken dat de moeder haar aanvullende verzoek niet eerder en schriftelijk had kunnen doen.
Voorlopige voogdij
5.26
De teruggeleidingsrechter kan op grond van artikel 13 lid 4 van Pro de Uitvoeringswet op verzoek of ambtshalve een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet belasten met de voorlopige voogdij over het kind, indien gevaar bestaat dat het wordt onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een bevel tot teruggeleiding zoals bedoeld in lid 5 van dat artikel.
5.27
De vader komt in hoger beroep ook op tegen de door de rechtbank uitgesproken voorlopige voogdij over [de minderjarige] . Er is naar zijn mening geen risico dat hij zich aan de tenuitvoerlegging van een teruggeleidingsbevel zal onttrekken. De moeder heeft zich hiertegen verweerd.
5.28
Het hof verwerpt de bewuste grief van de vader en overweegt in dit kader als volgt. De vader heeft de uitspraak in de door hem op 6 juni 2025 bij de Poolse rechter aanhangig gemaakte teruggeleidingsprocedure niet willen afwachten, hij heeft [de minderjarige] in juni 2025 enige dagen/weken bij de moeder weggehouden zonder dat zij wist waar [de minderjarige] verbleef en hij heeft [de minderjarige] vervolgens, buiten medeweten en toestemming van de moeder, meegenomen naar Nederland. Verder lijkt de vader, gelet op de hierboven genoemde bevindingen van de voorlopige voogdes, de rol van de moeder in het leven van [de minderjarige] te minimaliseren. De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep geadviseerd de voorlopige voogdij in stand te houden en verklaard zorgen te hebben of de vader wel in staat is om aan een teruggeleiding mee te werken. Van de zijde van de voorlopige voogdes is eveneens bepleit de voorlopige voogdij in stand te laten omdat sturing in de teruggeleiding nodig wordt geacht. Het voorgaande in acht genomen acht het hof het gevaar aanwezig dat de vader [de minderjarige] aan de daadwerkelijke teruggeleiding naar Polen zal onttrekken. De in de bestreden beschikking uitgesproken voorlopige voogdij zal dan ook worden bekrachtigd.
Bewijsaanbod
5.29
De vader heeft ook in hoger beroep een bewijsaanbod gedaan. Het hof passeert dit bewijsaanbod. Het aanbod is algemeen en ongespecificeerd. Bovendien is de onderhavige procedure een spoedprocedure, gericht op het treffen van een ordemaatregel tot onverwijlde teruggeleiding van een kind ingeval van kinderontvoering.
Proceskosten
5.3
De vader heeft het hof verzocht om de moeder te veroordelen tot vergoeding van de door de vader gemaakte proceskosten in beide instanties. Het hof zal dit verzoek afwijzen reeds omdat de vader ook in hoger beroep in het ongelijk wordt gesteld. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren.
Conclusie
5.31
Gelet op al het voorgaande zal het hof het hoger beroep van de vader afwijzen. Dit betekent dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen en, net als de rechtbank, de teruggeleiding van [de minderjarige] naar Polen zal gelasten. Ook zal het hof de door de rechtbank uitgesproken voorlopige voogdij bekrachtigen, evenals de door de rechtbank uitgesproken proceskostencompensatie.
5.32
Nu de door de rechtbank bepaalde datum van teruggeleiding als gevolg van dit hoger beroep inmiddels is verstreken, zal het hof bepalen dat de vader [de minderjarige] uiterlijk op 22 april 2026 naar de moeder in Polen dient te brengen. Indien de vader dit nalaat, beveelt het hof dat de vader [de minderjarige] met de benodigde geldige reisdocumenten aan de moeder zal afgeven uiterlijk op 22 april 2026, zodat de moeder [de minderjarige] zelf mee kan nemen naar Polen.
5.33
De bijzondere curator zal worden ontslagen van haar taak met ingang van de datum van de beschikking van het hof. De voorlopige voogdij verliest haar kracht wanneer de teruggeleidingsbeslissing ten uitvoer is gelegd.
5.34
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met dien verstande dat het hof:
de terugkeer van [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] , Polen, gelast naar Polen, uiterlijk op 22 april 2026, waarbij de vader [de minderjarige] naar Polen dient te brengen en beveelt, indien de vader nalaat [de minderjarige] naar Polen te brengen, dat de vader [de minderjarige] op uiterlijk 22 april 2026 met de benodigde geldige reisdocumenten aan de moeder zal afgeven;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
ontslaat de bijzondere curator van haar taak met ingang van de datum van deze beschikking;
compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep tussen de partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. I. Reijngoud, L. Koper en P.M.M. Mostermans, bijgestaan door mr. J. van Gaalen als griffier, en is op 8 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.