ECLI:NL:GHLEE:2002:AE4419
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Knijp
- Bax-Stegenga
- De Bock
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van onderhandse verkoop van verpande roerende zaken in faillissement en de afdracht van omzetbelasting
In deze civiele procedure stond centraal de vraag of bij onderhandse verkoop van bezitloos verpande roerende zaken door een curator, op basis van een overeenkomst met de pandhouder, de verschuldigde omzetbelasting direct aan de Ontvanger moet worden afgedragen of dat de pandhouder aanspraak kan maken op de volledige opbrengst na aftrek van de boedelbijdrage.
De Ontvanger stelde dat de bank als pandhouder niet als separatist kon worden beschouwd omdat geen sprake was van 'eigenlijke lossing' volgens art. 58 lid 2 Faillissementswet Pro, en dat de omzetbelasting als bijzondere faillissementskosten direct aan haar moest worden afgedragen. Het hof oordeelde echter dat de handelwijze van de curator en de bank moest worden aangemerkt als een vorm van lossing in de zin van art. 58 lid 2 Fw Pro, waarbij de bank materieel als separatist handelde.
Het hof verwees naar eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad en concludeerde dat de bank zich kan verhalen op de gehele opbrengst, inclusief de daarin begrepen omzetbelasting. Het beroep van de Ontvanger faalde, en het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank Groningen van 8 oktober 1999. De Ontvanger werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het beroep van de Ontvanger af.