ECLI:NL:GHLEE:2004:AR6440
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Mollema
- Meijeringh
- Kuiper
- Rechtspraak.nl
Vordering geldlening en machtiging kantonrechter in hoger beroep
In deze zaak gaat het om een geldleningsovereenkomst waarbij geïntimeerde en zijn echtgenote een bedrag van €7.500 hebben geleend van de vertegenwoordigde, rechtsgeldig vertegenwoordigd door appellant. Na betaling van vijf termijnen stopte geïntimeerde met aflossen, waarna appellant de restantsom vorderde met rente. De rechtbank verklaarde appellant niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een machtiging van de kantonrechter.
In hoger beroep stelde appellant dat het ontbreken van de machtiging een formele fout was die in hoger beroep nog kon worden hersteld. Het hof oordeelde dat een ontbrekende machtiging inderdaad in hoger beroep kan worden overgelegd, ook als deze dateert van na het instellen van de vordering, mits de rechter nog geen uitspraak heeft gedaan. Het hof vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en verklaarde appellant alsnog ontvankelijk.
Daarnaast oordeelde het hof dat de gevorderde rente en boetes buitensporig waren en in strijd met de redelijkheid en billijkheid, en stelde de rente vast op maximaal 22% per jaar tot 1 februari 2004 en 21% daarna. Het hof veroordeelde geïntimeerde tot betaling van de hoofdsom met deze rente en legde de kosten van de eerste aanleg bij appellant, terwijl geïntimeerde de kosten van het hoger beroep moest dragen.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt geïntimeerde tot betaling van de hoofdsom met aangepaste rente en wijst het meer gevorderde af.