ECLI:NL:GHLEE:2009:BI6214
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- G.M. van der Meer
- D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo
- C.L. van Lindonk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank over waardering geldlening en vrijval schuld in vennootschapsbelasting
Belanghebbende heeft op 2 november 1995 aandelen in D BV verworven waarbij een geldlening met specifieke voorwaarden werd overgenomen. De kern van het geschil betrof of deze geldlening onderdeel uitmaakt van de kostprijs van de deelneming en de juiste waardering en timing van de vrijval van de schuld in 2003.
Het hof volgt de rechtbank in haar oordeel dat de geldlening een reële vordering is die niet tot de kostprijs van de aandelen behoort, maar tot de kostprijs van de vordering zelf. Ook wordt geoordeeld dat de vrijval van de schuld pas definitief plaatsvindt na afwikkeling van het boekjaar 2002, waardoor de winst uit vrijval in 2003 moet worden verantwoord.
Belanghebbende voerde meerdere subsidiële argumenten aan, waaronder een eerdere waardering van de schuld en toepassing van de kwijtscheldingswinstvrijstelling, maar het hof verwierp deze. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond.