ECLI:NL:PHR:2010:BL7270
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van kwijtscheldingswinstvrijstelling bij voorwaardelijk prijsgeven van vorderingen
In deze zaak staat centraal of de kwijtscheldingswinstvrijstelling van artikel 3.13(1)(a) Wet inkomstenbelasting 2001 van toepassing is op de vrijval van een schuld die voorwaardelijk is prijsgegeven. De belanghebbende had een schuld aan leden van een coöperatie die bij onderhandse akte was omgezet in een achtergestelde lening met voorwaarden waaronder aflossing afhankelijk was van het behalen van een minimale winst.
De Rechtbank en het Hof oordeelden dat de crediteuren in 2003 geen voor verwezenlijking vatbare rechten meer hadden die zij konden prijsgeven, omdat de schuld definitief verviel na afwikkeling van het boekjaar 2002. De belanghebbende stelde dat de vordering reeds in 1995 bij voorbaat was prijsgegeven onder een opschortende voorwaarde.
De Hoge Raad stelt dat civielrechtelijk de vordering inderdaad bij voorbaat is prijsgegeven, maar dat dit fiscaalrechtelijk niet leidt tot toepassing van de vrijstelling, omdat de belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de crediteuren in 1995 meenden en konden menen dat hun vordering niet voor verwezenlijking vatbaar was. De beoordeling moet plaatsvinden vanuit het oogpunt van een redelijk oordelende en zakelijk handelende crediteur op het moment van prijsgeven.
De Hoge Raad concludeert dat zolang de crediteur contractueel en feitelijk nog enige aanspraak houdt op aflossing, ook al is die voorwaardelijk, er geen sprake is van prijsgeven in de zin van de vrijstelling. De belanghebbende heeft onvoldoende bewijs geleverd dat de schuld niet voor verwezenlijking vatbaar was, zodat de vrijstelling niet van toepassing is. Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de kwijtscheldingswinstvrijstelling wordt niet toegepast.