ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ1389
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- G. Van Rijssen
- R.A. Zuidema
- K.H.A. Heenk
- Rechtspraak.nl
Geschil over contractuele beëindiging en saneringsbijdrage tussen houders tankstation en BP
In deze zaak staat een geschil centraal tussen houders van een tankstation en BP over de beëindiging van hun contractuele relatie en de betaling van een saneringsbijdrage en een geldlening. De overeenkomst betrof de koop en verkoop van motorbrandstoffen en smeermiddelen, met bijzondere voorwaarden waaronder een bijdrage in bodemsanering en een lening die in tien jaar zou worden afgelost.
Appellanten stelden dat BP gebonden was aan een kwijtschelding van de saneringsbijdrage door de Retail manager [Z], en dat de vordering tot betaling van de saneringsbijdrage was verjaard. Het hof oordeelde dat er geen toereikende volmacht of schijn van volmacht was voor kwijtschelding door [Z]. De verjaring van de saneringsvordering was door BP tijdig gestuit jegens [appellante sub 2], maar niet jegens [appellante sub 1].
Ten aanzien van de lening stelde BP dat de overeenkomst tussentijds was beëindigd, waardoor de lening opeisbaar werd. Het hof oordeelde dat de overeenkomst wel eerder eindigde, maar niet tussentijds, zodat de lening niet opeisbaar werd. Het hof vernietigde het vonnis voor zover het de geldlening betrof en wees die vordering af. Voor het overige werd het vonnis bekrachtigd. Partijen dragen ieder hun eigen kosten, behalve BP die in het incidenteel appel in de kosten wordt veroordeeld.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering tot terugbetaling van de geldlening af en bekrachtigt het vonnis voor de saneringsbijdrage; er was geen volmacht voor kwijtschelding door de Retail manager.