Uitspraak
4. Beslissing
9 oktober 1998.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of een werknemer van eiseres bevoegd was namens haar een overeenkomst aan te gaan voor het afvoeren van vervuilde grond. Verweerder had facturen gestuurd aan eiseres die onbetaald bleven, waarna hij betaling vorderde. De rechtbank wees de vordering af, maar het hof vernietigde dit en veroordeelde eiseres tot betaling. Het hof oordeelde dat de werknemer geen wettelijke volmacht had, maar dat eiseres op grond van de gewekte schijn van volmacht toch gebonden was.
De Hoge Raad onderzocht de motivering van het hof en stelde vast dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom verweerder redelijkerwijs mocht vertrouwen op de volmacht van de werknemer, vooral gezien de aard en omvang van de overeenkomst. Ook had het hof onvoldoende aandacht besteed aan het verweer dat verweerder aanvankelijk dacht een overeenkomst met een derde partij te hebben gesloten. Hierdoor was het arrest onvoldoende gemotiveerd.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling en beslissing, waarbij ook de inhoud van de overeenkomst nader onderzocht moet worden. Verweerder werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest en verwijst zaak terug voor nadere behandeling over volmacht en overeenkomstinhoud.