ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ7793
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing hoger beroep tegen omgangsregeling na bodemuitspraak
In deze zaak stond een omgangsregeling voor een minderjarig kind centraal. Appellanten, de broer en schoonzus van de vader van het kind, waren in eerste aanleg veroordeeld tot het naleven van een omgangsregeling met de moeder van het kind, geïntimeerde. De voorzieningenrechter had een omgangsregeling vastgesteld waarbij het kind eens per veertien dagen een weekend bij de moeder verbleef, met een dwangsom bij niet-nakoming.
Appellanten stelden in hoger beroep meerdere grieven aan de orde, waaronder de verplichting tot halen en brengen van het kind, de opgelegde dwangsom en de frequentie van de omgangsregeling. Het hof stelde vast dat de voorlopige omgangsregeling door de bodemrechter was vervangen en dat er geen dwangsommen waren verbeurd.
Gezien de uitspraak van de bodemrechter en het ontbreken van belang bij de dwangsommen, oordeelde het hof dat appellanten geen belang meer hadden bij het hoger beroep. Het hof wees het hoger beroep af en bepaalde dat elke partij haar eigen kosten draagt. De uitspraak werd gedaan door het gerechtshof Leeuwarden op 14 juni 2011.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen omdat de bodemrechter inmiddels heeft beslist en er geen dwangsommen zijn verbeurd.