ECLI:NL:GHLEE:2011:BT7510
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake aanslag inkomstenbelasting en heffingskorting 2006
Belanghebbende heeft in hoger beroep betwist dat de Inspecteur bij het opleggen van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2006 en de uitspraak op bezwaar heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Tevens stelde belanghebbende dat de Inspecteur onrechtmatig heeft gehandeld.
De feiten betreffen de voorlopige teruggaaf van de algemene heffingskorting aan belanghebbende, de aangifte van haar fiscale partner met een hogere aftrek wegens buitengewone uitgaven, en de daaropvolgende definitieve aanslag waarbij een bedrag van € 1.631 moest worden betaald. Belanghebbende en haar partner zijn financieel niet-draagkrachtig. De gemachtigde voerde aan dat zij gewezen hadden moeten worden op een tijdelijke tegemoetkomingsregeling buitengewone uitgaven.
Het Hof oordeelt dat de aanslag overeenkomstig de wet is opgelegd en dat de voorlopige teruggaaf en definitieve aanslag niet onzorgvuldig zijn. De genoemde tegemoetkomingsregeling leidt niet tot vermindering van de aanslag en staat los van de aanslagprocedure. De motivering van de aanslag is voldoende, mede gelet op de brief van 18 december 2009. De rechtbank heeft deze overwegingen ook al gemaakt en het Hof sluit zich daarbij aan.
Het beroep op heffingsrente wordt eveneens ongegrond verklaard omdat geen onjuiste toepassing is gebleken. Belanghebbende komt niet in aanmerking voor schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.