ECLI:NL:GHLEE:2012:BW7504
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Loonvordering na ingetrokken ontslag op staande voet bij arbeidsovereenkomst ruiter/stalmedewerkster
In deze zaak staat een loonvordering centraal na een ontslag op staande voet dat door de werkgever werd ingetrokken. De werknemer, werkzaam als ruiter en stalmedewerkster, werd op 7 juli 2009 op staande voet ontslagen wegens een verstoorde arbeidsverhouding en vermeend onrechtmatig gedrag. De werknemer protesteerde tegen het ontslag en stelde zich beschikbaar voor werk. De werkgever trok het ontslag enkele dagen later in, maar stelde voorwaarden aan de hervatting van de werkzaamheden.
Het geschil spitst zich toe op de vraag voor welke periode de werkgever gehouden is tot loonbetaling, aangezien de werknemer vanaf het ontslag niet werkte. Het hof oordeelt dat het niet-werken vanaf het ontslag op staande voet tot en met 22 september 2009 voor rekening van de werkgever komt, omdat de werknemer uitdrukkelijk was verboden te werken. Vanaf 23 september 2009 tot het einde van het dienstverband op 1 december 2009 ligt het risico van niet-werken echter bij de werknemer, omdat zij toen niet zonder geldige reden haar werkzaamheden hervatte.
Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank voor wat betreft de loonbetaling over deze periode en veroordeelt de werkgever tot betaling van loon over de periode van 14 juli tot en met 22 september 2009, inclusief vakantietoeslag en wettelijke verhoging. De vordering tot betaling van niet-opgenomen vakantiedagen na deze datum wordt afgewezen. De proceskosten worden deels gecompenseerd.
Uitkomst: Werkgever moet loon betalen over 14 juli tot en met 22 september 2009, daarna ligt het risico van niet-werken bij werknemer.