ECLI:NL:GHSGR:2004:AO9002
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- De Wild
- Beyer-Lazonder
- Husson
- Rechtspraak.nl
Vordering wegens blootstelling aan asbest verjaard ondanks mesothelioomdiagnose
Appellante, erfgename van wijlen werknemer, vordert schadevergoeding wegens blootstelling aan asbest tijdens diens dienstverband bij de rechtsvoorgangster van P&O, wat mesothelioom veroorzaakte. De werknemer was van 1958 tot 1960 in dienst en kreeg in 1998 de diagnose mesothelioom, een ziekte die vrijwel uitsluitend door asbest wordt veroorzaakt en doorgaans snel fataal is.
De rechtbank wees de vordering af vanwege verjaring, waarbij het principe van rechtszekerheid en billijkheid jegens P&O zwaarder woog dan individuele gerechtigheid. Appellante stelde dat het beroep op de dertigjarige verjaringstermijn onaanvaardbaar was op grond van het EVRM en een arrest van de Hoge Raad.
Het hof nam de feiten van de rechtbank over en ging ervan uit dat blootstelling aan asbest heeft plaatsgevonden en de ziekte veroorzaakte. Het hof oordeelde dat de werknemer pas circa negentien maanden na bekendwording van de ziekte en aansprakelijke persoon P&O aansprakelijk stelde, wat niet binnen een redelijke termijn was. Er waren geen bijzondere omstandigheden die deze termijn rechtvaardigden.
Daarom was het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. De vorderingen van appellante werden afgewezen en het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd. Appellante werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De vordering wegens blootstelling aan asbest en de daaropvolgende mesothelioomziekte is verjaard en wordt afgewezen.