Conclusie
Moor c.s./Zwitserlandbetoogt, niet in strijd met art. 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). Het hof is op grond van een weging van de gezichtspunten uit het arrest van Uw Raad
[...] /De Scheldetot het oordeel gekomen dat het beroep op verjaring door Maersk niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In cassatie wordt geklaagd over de verwerping van het beroep op art. 6 EVRM Pro en over de weging van de gezichtspunten uit
[...] /De Schelde. Naar mijn mening heeft het hof de door Uw Raad ontwikkelde maatstaven correct aangelegd. De weging van het gezichtspunt (a) lijkt echter op een verkeerde lezing van de uitspraak in eerste aanleg te berusten. Daarom strekt mijn conclusie tot vernietiging en verwijzing. Het arrest
Moor c.s./Zwitserlanddoet ook de principiële vraag rijzen of de bescherming van slachtoffers van mesothelioom bij wie de ziekte pas na (of zeer kort vóór) het verstrijken van de lange verjaringstermijn wordt ontdekt op peil is. In deze conclusie geef ik Uw Raad in overweging om hun rechtspositie binnen de bestaande kaders te verduidelijken.
1.De feiten
maligne mesothelioomvastgesteld. Deze diagnose is op 17 september 2010 door het Nederlands Mesothelioom Panel bevestigd (productie 2 bij inleidende dagvaarding). Van deze ziekte is slechts één oorzaak bekend, te weten blootstelling aan asbest.
2.Het procesverloop
mesothelioomrisicovan de blootstelling aan asbest, is Maersk op grond van de arresten van de Hoge Raad in de zaken
Cijsouw /De Schelde Ivan 25 juni 1993 (
NJ1993/686) en
Cijsouw /De Schelde IIvan 2 oktober 1998 (
NJ1999/682) toch aansprakelijk. Maersk heeft namelijk nagelaten passende veiligheidsmaatregelen te nemen ter bescherming van reeds bekende risico’s van asbest in de vorm van
asbestoseen
longkanker.
Naleving van de zorgplicht door Maersk
en Maersk. Het IAS heeft medio januari 2011 de bemiddeling afgerond. Vervolgens heeft de gemachtigde van [verzoekster] zich in februari 2011 bij Maersk gemeld. Bij dagvaarding van 31 mei 2012 is de vordering tot schadevergoeding ingesteld. De kantonrechter volgt Maersk niet in haar stelling dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen een tweetal termijnen, waarbij de eerste termijn betrekking heeft op de periode tussen de diagnose en de aansprakelijkheidstelling en de tweede termijn betrekking heeft op de periode tussen het moment waarop het IAS haar werkzaamheden staakt en het instellen van de vordering bij de rechter. Weliswaar heeft [verzoekster] nadat het IAS haar bemiddeling had gestaakt niet direct een vordering tot schadevergoeding ingesteld, wel heeft zich direct namens [verzoekster] een gemachtigde gemeld. Naar het oordeel van de kantonrechter is, nu binnen een termijn van twee jaar na de diagnose de aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden en de vordering tot schadevergoeding is ingesteld, voldoende voortvarend gehandeld. Dit gezichtspunt brengt aldus gewicht in de schaal ten gunste van de doorbreking van de verjaring.”
g(er is binnen redelijke termijn een vordering ingesteld) tegen toepassing van de verjaringsregel pleit evenals gezichtspunt
a(de schade komt aan een nauw betrokken nabestaande toe). De gezichtspunten
b(uitkering uit andere hoofde),
c(geringe mate van verwijtbaarheid als gevolg van geen of slechts geringe schending van de zorgplicht), d (de voorzienbaarheid van mogelijke aansprakelijkheid) en
e(de mogelijkheid om verweer te voeren) pleiten daarentegen voor toepassing van de verjaringsregel. Gezichtspunt ƒ (het waarschijnlijk ontbreken van verzekeringsdekking) wordt als neutraal gewogen. Hierdoor pleit de overgrote meerderheid van de gezichtspunten voor toepassing van de verjaringsregel. Gelet op alle overige omstandigheden wordt geoordeeld dat in het onderhavige geval geen sprake is van een zodanig uitzonderlijk geval dat het belang van rechtszekerheid daarvoor moet wijken. Het beroep van Maersk op verjaring van de vordering is dan ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar, waardoor geconcludeerd moet worden dat de vordering van [verzoekster] is verjaard. De vordering en nevenvorderingen worden daarom afgewezen.”
Moor c.s./Zwitserland. [16] Met grief II komt [verzoekster] op tegen de toepassing en interpretatie van de zeven gezichtspunten uit het arrest van Uw Raad in de zaak
[...] /De Schelde(arrest 15 september 2015, rov. 4.6.). [17] Maersk heeft de grieven bestreden. Partijen hebben de zaak op 3 juli 2015 doen bepleiten.
[...] /De Scheldegeoordeeld dat een beroep op verjaring onder bijzondere omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het hof overweegt:
Moor c.s./Zwitserlandis het EHRM tot het oordeel gekomen dat (kort weergegeven) sprake is van schending van artikel 6 § 1 van het EVRM als een benadeelde die compensatie verlangt voor schade als gevolg van maligne mesothelioom, zijn vordering tot schadevergoeding ziet stranden op grond van de in Zwitserland geldende (objectieve) verjaringstermijn van tien jaar, die aanvangt op de dag waarop inademing van asbestvezels heeft plaatsgevonden. Hoewel het EHRM het belang van de rechtszekerheid in het algemeen onderkende, achtte het schending van genoemde verdragsbepaling aanwezig omdat deze Zwitserse objectieve verjaringsregel het mesothelioomslachtoffers in de praktijk onmogelijk maakte een vordering tot schadevergoeding in te stellen, omdat de ondergrens van de zogenaamde latentieperiode overeenkomt met deze verjaringstermijn.
Moor c.s./Zwitserland.Het Nederlandse recht kent voor gevallen als het onderhavige een objectieve verjaringstermijn van 30 jaar (artikel 3:310 lid 2 BW Pro). Gelet op de zojuist genoemde latentieperiode van mesothelioom, die varieert van 10 tot 60 jaar, is er in Nederland voor benadeelden bij wie zich de ziekte openbaart voordat 30 jaar verstreken is, een kans tegen een aansprakelijk geachte persoon een vordering in te stellen (althans de verjaring van die vordering te stuiten) binnen genoemde termijn. In zijn arrest
[...] /Schelde(HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5635) heeft de Hoge Raad zich gebogen over de vraag of de objectieve verjaringstermijn van 30 jaar van artikel 3:310 lid 2 BW Pro in gevallen waarin de benadeelde voor het verstrijken van de termijn nog niet bekend is met de schade, in strijd is met artikel 6 § 1 van het EVRM. De Hoge Raad kwam tot de conclusie dat de relatief lange, objectieve verjaringstermijn van 30 jaar, bezien in het licht van de met de verjaringregel gediende rechtszekerheid, bleef binnen de “margin of appreciation” die verdragsluitende staten hebben om grenzen te stellen aan het recht op toegang tot de rechter. In dat arrest heeft de Hoge Raad niettemin nadrukkelijk houvast geboden voor een onder bijzondere omstandigheden te aanvaarden beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid wanneer (de nabestaande van) een mesothelioom-benadeelde wordt geconfronteerd met een beroep op de objectieve verjaringstermijn door de aansprakelijk gestelde persoon. Dit laatste betekent uiteraard geenszins dat de door [verzoekster] verdedigde ‘manifestatieleer’ voor schadegevallen die hun oorzaak vinden in asbestbesmettingen van voor 1 februari 2004 (zie artikel 3:310 lid 5 BW Pro) in feite is geïncorporeerd in het Nederlandse aansprakelijkheidsrecht in zaken als deze, maar leidt er wel toe dat in uitzonderlijke gevallen ondanks de voltooiing van de, relatief lange, objectieve verjaringstermijn een actie aan de benadeelde ter beschikking kan staan.
[...] /De Scheldein onderlinge samenhang moeten worden gewogen. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter deze maatstaf blijkens zijn afweging aangelegd (rov. 4.6.). In rov. 4.7. heeft het hof het vonnis van de kantonrechter samengevat als volgt:
a)
gaat het om vergoeding van vermogensschade dan wel van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, en-
mede in verband daarmede - of de gevorderde schadevergoeding ten goede komt aan het slachtoffer zelf, diens nabestaanden dan wel een derde;
b)
in hoeverre voor het slachtoffer respectievelijk zijn nabestaanden ter zake van de schade een aanspraak op een uitkering uit anderen hoofde bestaat;
c)
de mate waarin de gebeurtenis de aangesprokene kan worden verweten;
d)
in hoeverre de aangesprokene reeds vóór het verstrijken van de verjaringstermijn rekening heeft gehouden of had behoren te houden met de mogelijkheid dat hij voor de schade aansprakelijk zou zijn;
e)
heeft de aangesprokene naar redelijkheid nog de mogelijkheid zich tegen de vordering te verweren;
f)
is de aansprakelijkheid (nog) door verzekering gedekt;
g)
of na het aan het licht komen van de schade binnen redelijke termijn een aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden en een vordering tot schadevergoeding is ingesteld.
Cijsouw/De Schelde(in r.o. 3.6) neergelegde regel (kort samengevat: ook aansprakelijkheid wanneer als gevolg van wel vereiste maar niet getroffen veiligheidsmaatregelen een op dat moment onbekend risico zich verwezenlijkt, tegen welk risico de geëigende veiligheidsmaatregelen bescherming geboden zouden hebben) is in dit geval niet aan de orde. [betrokkene 1] kwam, naar moet worden aangenomen op basis van hetgeen in deze zaak bekend is, slechts incidenteel in aanraking met asbestvezels, zodat voor hem in de periode tot zijn laatste Afrika-reis voor VNS, op basis van de toen bekende asbestrisico’s, geen bijzondere veiligheidsmaatregelen getroffen behoefden te worden.
[betrokkene 1] (althans door oud-werknemers die in een vergelijkbare functies werkzaam zijn geweest voor VNS) aansprakelijk te worden gesteld. Het gaat er dus om of Maersk met deze mogelijkheid rekening had
behorente houden. Het hof volgt [verzoekster] niet in haar pleidooi dat dit het geval is omdat Maersk er al voor 1995 van op de hoogte was dat er in civiele zaken over mesothelioomclaims was geoordeeld en Maersk dus had kunnen weten dat zij ook door asbestslachtoffers onder het personeel zou kunnen worden aangesproken. Van Maersk mocht mogelijk onderzoek naar aansprakelijkheidsrisico’s verlangd worden voor 1995, maar Maersk kan niet verweten worden dat zij zich daarbij heeft (of zou hebben) gericht op technische functies aan boord van de schepen van haar rechtsvoorganger en – zo veronderstelt het hof – op uitvoerende functies. Uit voornoemde Bijlage C moet worden afgeleid dat asbestbesmetting van functionarissen zoals een stuurman niet voor de hand lag. Weliswaar is juist, zoals [verzoekster] naar voren brengt, dat Bijlage C geen limitatieve opsomming behelst, maar bijzondere omstandigheden die Maersk dwongen om al voor 1995 ook een risicoanalyse op te stellen voor het type functionaris als de stuurman op schepen, zijn echter gesteld noch gebleken, zodat Bijlage C en de daarin vermelde beroepen als houvast kan gelden.
De weging van alle gezichtspunten: het eindoordeel
3.De cassatieklachten
subonderdeel 1.1zou het hof daarmee blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Uit het arrest
Moor c.s./Zwitserlandzou volgen dat verjaring van een vordering waarvan vast staat dat deze niet binnen de verjaringstermijn kon worden ingesteld, omdat de gelaedeerde niet kon weten dat hij of zij leed aan de ziekte en dus niet eerder bekend kon zijn met de schade, in strijd moet worden geacht met art. 6 § 1 EVRM en de redelijkheid en billijkheid.
[...] /De Schelde. Het arrest
Moor c.s./Zwitserlanddateert immers van na het arrest
[...] /De Schelde.
[...] /De Scheldeonvoldoende rechtszekerheid bieden.
tweede onderdeelkomt op tegen de overwegingen over gezichtspunt (a) in rov. 4.7. en 4.15.
derde onderdeelricht zich tegen de beoordeling van gezichtspunt (b) in rov. 4.9. [20] Het betreft hier de overweging dat de toekenning van de (voorwaardelijke) TAS-uitkering dient te worden meegeteld in de afweging.
subonderdeel 3.1getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting aangezien in het kader van gezichtspunt (b) alleen betekenis kan toekomen aan een onvoorwaardelijke en onherroepelijke uitkering.
vierde onderdeelbestrijdt de beoordeling van gezichtspunt (c) in rov. 4.10. en 4.15. Het gaat hierbij om de overweging dat geen sprake is van ernstige verwijtbaarheid.
subonderdeel 4.1heeft het hof daarmee miskend dat ook niet ernstige verwijtbaarheid grond kan zijn om aan dit gezichtspunt gewicht toe te kennen ten gunste van doorbreking van verjaring, althans dit gezichtspunt neutraal te wegen.
niet voordoorbreking van de verjaring pleiten (en dus neutraal worden gewogen).
4.Verjaringsproblematiek bij mesothelioomclaims
long tail ziekte. [21]
[...] /De Scheldegeformuleerde gezichtspunten (hierna 4.12). [22]
Moor c.s./Zwitserland, een ruimhartiger verjaringsregime voor de vorderingen van (de nabestaanden van) slachtoffers van mesothelioom is aangewezen.
[...] /De Scheldelag bij Uw Raad in volle omvang de vraag voor of deze hoofdregels van verjaring onverkort toepassing vinden bij een vordering tot vergoeding van schade als gevolg van de ziekte mesothelioom die volgens de normale regels reeds is verjaard, voordat de ziekte zich heeft geopenbaard.
nooitop grond van art. 6:2 lid 2 BW Pro buiten toepassing zou kunnen blijven. Gelet op de belangen die deze regel beoogt te dienen, waaronder in het bijzonder het belang van de rechtszekerheid, zal echter van onaanvaardbaarheid als in die bepaling bedoeld slechts in uitzonderlijke gevallen sprake kunnen zijn. Een zodanig uitzonderlijk geval kan zich voordoen wanneer onzeker is of de gebeurtenis die de schade kan veroorzaken – hier: de blootstelling aan asbest – inderdaad tot schade – hier: de ziekte mesothelioom – zal leiden, die onzekerheid zeer lange tijd is blijven bestaan en de schade in die zin
naar haar aardverborgen is gebleven dat zij daadwerkelijk is ontstaan en dus pas kon worden geconstateerd nadat de verjaringstermijn reeds was verstreken.”
tenietgaanvan een rechtsvordering, en dat niet blijkt dat de wetgever zich ook het geval voor ogen heeft gesteld waarin de schade pas na het verstrijken van de verjaringstermijn is ontstaan, zodat de benadeelde in het geheel geen vordering tot schadevergoeding zou kunnen instellen: vóór het verstrijken van de termijn niet, omdat er toen nog geen schade was, en na het verstrijken van de termijn niet omdat toen de rechtsvordering verjaard was. Dit geval zou hierop neerkomen dat de verjaring het
ontstaanvan een rechtsvordering verhindert, en dat het daarna voorvallen van de schade niet meer dan een natuurlijke verbintenis in het leven roept.”
[...] /DeSchelde leert dus het volgende. De ziekte mesothelioom wordt in een relatief groot aantal gevallen pas na het verstrijken van de lange verjaringstermijn geconstateerd. Onverkorte handhaving van deze verjaringstermijn zou er dan toe leiden dat nooit een gelegenheid heeft bestaan om een rechtsvordering in te stellen en dat uitsluitend een natuurlijke (rechtens niet afdwingbare) verbintenis ontstaat (art. 6:3 BW Pro). Het beroep op verjaring kan in dat geval onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Dit is echter geen gelopen race: het beroep op onaanvaardbaarheid van het verjaringsverweer wordt lang niet in alle gevallen door de feitenrechter gehonoreerd. Zijn oordeel berust in beginsel op een afweging van alle relevante omstandigheden van het geval. Deze beoordeling wordt in de praktijk gedomineerd door de zeven gezichtspunten uit de catalogus van het arrest
[...] /De Scheldedie de feitenrechter van Uw Raad moet hebben meegewogen. [29]
[N] / [O]werd vergeefs getracht bij Uw Raad ingang te doen vinden dat het ontbreken van een verzekering zonder meer meebrengt dat het beroep op verjaring niet onaanvaardbaar is. In het arrest
[...] /Optimodalwerd Uw Raad zonder succes uitgenodigd om de lange verjaringstermijn in gevallen als de onderhavige in het algemeen buiten toepassing te laten. Uw Raad overwoog:
nietonaanvaardbaar wordt geacht. [31] Verder zijn er ontwikkelingen in de tijd, waarmee ik bedoel dat feitenrechters sinds 2000 binnen de gezichtspuntencatalogus andere accenten zijn gaan leggen. Ik licht die beide aspecten hierna per gezichtspunt toe.
hetzijin het nadeel van de vorderende partij geacht, [36] hetzijneutraal c.q. van beperkt gewicht geacht. [37] In de recentere feitenrechtspraak lijkt echter steeds meer als lijn te ontwaren dat gezichtspunt (a) niet in het nadeel van de vorderende partij dient te worden uitgelegd als de vordering is ingesteld door (een) nauw betrokken nabestaande. [38]
voorwaarde of omstandigheid van zeer groot gewichtvoor het doorbreken van de verjaring. [58] Er is in de feitenrechtspraak nimmer een vaste termijn aanvaard. In 2009 is op verzoek van het IAS door de Commissie Hijma gerapporteerd over onder meer dit knelpunt uit de praktijk van de afwikkeling van mesothelioomclaims. Deze commissie heeft ervoor gepleit om een dagvaarding binnen twee jaar na de diagnose tijdig te achten. [59] In de feitenrechtspraak lijkt thans eveneens [60] de lijn te zijn dat het instellen van een rechtsvordering binnen twee jaar na het ontdekken van de ziekte tijdig is. [61] Het aanhouden van een langere termijn wordt vaak niet gesauveerd. [62]
[...] /De Scheldeis in de literatuur uitvoerig besproken. De mogelijkheid van doorbreking van de verjaring bij mesothelioomclaims is in het algemeen [64] met instemming ontvangen. [65] Er is echter ook kritiek op de vorm waarin de bescherming van mesothelioomslachtoffers is gegoten. Diverse auteurs hebben kanttekeningen geplaatst bij (techniek én inhoud van) de gezichtspuntencatalogus. De kritiek kan als volgt worden samengevat:
[...] /De Scheldeerg onzeker is [72] en dat hierover daarom (vaak langdurig) moet worden geprocedeerd hetgeen uiteraard belastend is voor de zwaar getroffen eiser (of zijn nabestaanden). [73] Er is dan ook wel gepleit voor een
hard and fast rulein die zin dat de benadeelde na ontdekking van mesothelioom een bepaalde periode heeft om de vordering in te stellen. [74] Deze problematiek is ook bij de wetgever niet onopgemerkt gebleven.
[...] /De Schelde.
[...] /De Scheldeen
[Q] / [N]): [80]
[...] /De Scheldestaat (het recht op een uitkering op basis van) de TAS er niet aan in de weg dat het beroep op verjaring gezien de omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Uw Raad wijst er in dat verband op dat de regeling slechts voorziet in
beperkteuitkeringen aan een specifieke groep van werknemers: [88]
Stcrt.2000, 16, in werking getreden op 26 januari 2000), ingevolge welke regeling tegemoetkomingen kunnen worden uitgekeerd aan asbestslachtoffers met maligne mesothelioom die niet op grond van het burgerlijk recht schadevergoeding kunnen krijgen onder meer wegens verjaring van de vordering. Deze regeling voorziet immers slechts in beperkte uitkeringen aan werknemers die op 6 juni 1997 - de datum van het kabinetsbesluit tot het treffen van deze regeling - nog in leven zijn.”
Moor c.s./Zwitserland, dat juist in deze zaak door [verzoekster] naar voren wordt geschoven, maakt die vraag ook vanuit het perspectief van art. 6 EVRM Pro actueel. Op dat aspect ga ik hierna in.
access to courtmogen slechts beperkingen worden verbonden als deze proportioneel zijn en een legitiem doel dienen. Het hanteren van een verjaringstermijn vormt een beperking van
access to court.
access to courtis onder meer aan de orde gesteld in de zaak
Stubbings c.s./Verenigd Koninkrijkuit 1996. [90] In die zaak staan de volgende feiten centraal. Leslie Stubbings vordert schadevergoeding vanwege seksueel misbruik in hun kinderjaren. Naar Engels recht geldt voor die vordering een verjaringstermijn van 6 jaar te rekenen vanaf het moment van meerderjarigheid. Stubbings stelt na het verstrijken van die termijn een vordering in en heeft in dat verband aangevoerd dat zij zich pas na behandeling van een psychiater heeft gerealiseerd dat hun psychische problemen verband houden met het misbruik. De House of Lords acht de vordering verjaard, waarna de zaak aan het EHRM wordt voorgelegd.
Stubbings c.s./Verenigd Koninkrijkvoorop dat Verdragsluitende staten aan het recht op
access to courtbeperkingen mogen verbinden, dat de Verdragsluitende staten hierbij beoordelingsruimte (
margin of appreciation) toekomt, maar dat de beperkingen het vorderingsrecht niet illusoir mogen maken (
impair the very essence of the right). Het EHRM overweegt:
red.) and, more recently, the Bellet v. France judgment of 4 December 1995, Series A no. 333–B, p. 41, § 31).”
Stubbings c.s./Verenigd Koninkrijkdat het hanteren van verjaringstermijnen ook in het geval van personenschade een legitiem doel kan dienen. Daartoe worden drie redenen genoemd: (i) de verjaring dient de rechtszekerheid, (ii) de verjaring beschermt de aangesprokene tegen vorderingen waartegen hij zich niet meer kan verweren en (iii) de verjaring voorkomt onrechtvaardige uitkomsten die kunnen ontstaan doordat de bewijsmiddelen vanwege het tijdsverloop incompleet en onbetrouwbaar zijn geworden:
Stubbings c.s./Verenigd Koninkrijkop twee gronden tot het oordeel dat geen sprake is van een schending van art. 6 EVRM Pro. In de eerste plaats wordt de termijn van 6 jaar vanaf het tijdstip van meerderjarigheid niet onredelijk kort geacht. In de tweede plaats kan in een strafrechtelijke procedure nog compensatie worden toegewezen. Het vorderingsrecht is dus niet illusoir gemaakt. Het EHRM overweegt:
[...] /De Scheldeheeft Uw Raad de uitspraak van het EHRM inzake
Stubbings c.s./Verenigd Koninkrijkuitdrukkelijk betrokken. Uw Raad is daarbij tot het oordeel gekomen dat de Nederlandse verjaringstermijn van 30 jaar voor vorderingen van (onder meer) slachtoffers van mesothelioom naar huidige inzichten zeer lang is, dat met die termijn het belangrijke doel van rechtszekerheid is beoogd en dat daarom niet kan worden gezegd dat deze termijn de
margin of appreciationvan de Verdragsluitende staten overschrijdt: [91]
NJ 1997, 449), na tot uitgangspunt te hebben genomen dat het recht een vordering in te stellen 'is not absolute, but may be subject to limitations; these are permitted by implication since the right of access by its nature calls for regulation by the State. In this respect the Contracting States enjoy a certain margin of appreciation (…)', hierop de uitzondering heeft aanvaard dat de beperkingen niet zo ver mogen gaan dat 'the very essence of the right is impaired', terwijl de beperking voorts in strijd is met art. 6 EVRM Pro 'if it does not pursue a legitimate aim and if there is not a reasonable relationship of proportionality between the means employed and the aim sought to be achieved'. Gelet op de — naar huidige inzichten zeer lange — duur van de termijn van art. 3:310 lid 2 en Pro het met de verjaring beoogde belangrijke doel van de rechtszekerheid, kan niet worden gezegd dat de onderhavige beperking van de toegang tot de rechter buiten de 'margin of appreciation' van de verdragsluitende Staten valt. Dit neemt evenwel niet weg dat de in 3.3.1 voorziene mogelijkheid van het buiten toepassing blijven van de verjaringstermijn van dertig jaar wel in lijn is met het in art. 6 § 1 EVRM belichaamde recht op toegang tot de rechter.”
[...] /De Scheldetot de slotsom neigde dat onverkorte toepassing van de lange verjaringstermijn, ongeacht de verdere omstandigheden van het geval, zich bij mesothelioomclaims niet altijd verdraagt met art. 6 EVRM Pro: [92]
kunneninstellen en hadden bovendien in een strafrechtelijke procedure hun recht op schadevergoeding geldend kunnen maken.
in de kernvan hun recht op toegang tot de rechter getroffen wanneer de verjaringstermijn kan zijn verstreken voordat de ziekte aan het licht treedt. Anders dan de slachtoffers van sexueel misbruik hebben zij
op geen enkel momenttoegang tot de rechter gehad: ten tijde van de schadeveroorzakende gebeurtenis niet omdat zij van een vorderingsrecht, voorzover dat toen al bestond, niet op de hoogte konden zijn; na de manifestatie van de ziekte niet omdat het vorderingsrecht — zou de termijn van art. 3:310 leden Pro 2 en 3 BW strikt worden toegepast — reeds was verjaard.
kankomen onbevredigend vindt. Twee rechters weken af, terwijl de Commissie unaniem tot het oordeel was gekomen dat er strijd met art. 6 EVRM Pro was.
[...] /De Scheldeook niet voor een onverkorte toepassing van de lange verjaringstermijn bij mesothelioomclaims gekozen. Het beroep op verjaring kan naar het oordeel van Uw Raad immers onder omstandigheden onaanvaardbaar zijn.
Moor c.s./Zwitserland [93] te oordelen over de verjaring van een vordering tot vergoeding van schade als gevolg van mesothelioom. In deze zaak gaat het om de volgende feiten. Hans Moor is in 2005 overleden aan mesothelioom die is veroorzaakt door blootstelling aan spuitasbest tijdens zijn werk als turbinemonteur. Kort voor zijn overlijden heeft Moor een procedure aangespannen tegen zijn voormalig werkgever. Zijn nabestaanden zetten deze procedure voort. Naar Zwitsers recht geldt een absolute verjaringstermijn van 10 jaar te rekenen vanaf het moment van blootstelling. Moor was pas na het verstrijken van die termijn ziek geworden en kon dus volgens het Zwitserse recht geen vordering effecturen. Het EHRM komt tot de slotsom dat het recht op toegang tot de rechter in de kern is aangetast en dat art. 6 EVRM Pro hiermee is geschonden.
Moor c.s./Zwitserland– die alleen in het Frans beschikbaar is – wederom voorop dat de Verdragsluitende staten beperkingen mogen aanbrengen op het recht van art. 6 EVRM Pro mits deze proportioneel zijn en een legitiem doel hebben en dat zij hierbij een zekere
margin of appreciationhebben en dat verjaring een legitiem doel kan dienen. Het EHRM heeft in dat verband als volgt overwogen (rov. 71):
García Manibardo c. Espagne, no 38695/97, § 36, CEDH 2000-II). Toutefois, ces limitations ne sauraient restreindre l'accès ouvert à un justiciable de manière ou à un point tels que son droit à un tribunal s'en trouve atteint dans sa substance même (
Stanev c. Bulgarie[GC], no 36760/06, § 230, CEDH 2012). La Cour rappelle en outre que les limitations appliquées ne se concilient avec l'article 6 § 1 de la Convention que si elles poursuivent un but légitime et s'il existe un rapport raisonnable de proportionnalité entre les moyens employés et le but visé (voir, parmi d'autres,
Pedro Ramos c. Suisse, no 10111/06, § 37, 14 octobre 2010,
Levages Prestations Services c. France, 23 octobre 1996, § 40,
Recueil1996-V,
Stubbings et autres c. Royaume-Uni, 22 octobre 1996, § 50,
Recueil1996-IV, et
Stagno c. Belgique, no 1062/07, § 25, 7 juillet 2009).”
Moor c.s./Zwitserlandvoorts dat de rechtszekerheid, de bescherming van de aangesprokene tegen vorderingen waarin hij zich niet meer kan verweren en het vermijden van bewijsproblemen legitieme redenen zijn voor het hanteren van een verjaringstermijn. Het EHRM overweegt (rov. 72):
Stubbings, précité, § 51, et
Stagno, précité, § 26 ).”
Moor c.s./Zwitserlandechter ook twee wegingsfactoren die pleiten voor doorbreking van de verjaringstermijn. Het EHRM vermeldt in de eerste plaats het in de uitspraak
Esim/Turkije [94] ontwikkelde gezichtspunt dat slachtoffers van een inbreuk op de lichamelijke integriteit in rechte behoren te kunnen opkomen vanaf het moment dat zij daadwerkelijk in staat zijn de omvang van de ondergane schade te bepalen (rov. 73). Als tweede wegingsfactor wordt genoemd dat bij de bepaling van de duur van de verjaringstermijn (bij een vordering als de onderhavige) rekening dient te worden gehouden met het feit dat wetenschappelijk bewezen is dat de betreffende persoon onmogelijk kon weten of hij al dan niet aan de ziekte leed (rov. 78). In dat verband heeft het EHRM als volgt overwogen:
Eşim(précité). Dans cette affaire, le requérant avait été blessé en 1990 lors d'un conflit militaire et les médecins n'avaient découvert la balle de pistolet logée dans sa tête qu'en 2007. Les tribunaux internes avaient jugé que la prétention ainsi que l'action en dommages-intérêts étaient prescrites. La Cour a conclu à la violation du droit d'accès à un tribunal, estimant que, dans les affaires d'indemnisation des victimes d'atteinte à l'intégrité physique, celles-ci devaient avoir le droit d'agir en justice lorsqu'elles étaient effectivement en mesure d'évaluer le dommage subi. (…)
Moor c.s./Zwitserlandheeft voor de Nederlandse rechtspraktijk en de rechtmatigheid van het beroep op de verjaringstermijn bij civiele vorderingen van asbestslachtoffers in het bijzonder. [95]
Moor c.s./Zwitserland. De Minister noemt drie argumenten: (1) de Nederlandse termijn (30 jaar) is zodanig lang dat niet alle asbestgerelateerde claims per definitie verjaren, (2) de uitgebreide voorschotregeling op grond van de TAS en (3) de catalogus van zeven gezichtspunten in het arrest
[...] /De Scheldeen de toepassing daarvan in de lagere rechtspraak. [96] Hieronder vermeld ik de toelichting van de Minister per argument.
per definitieverjaring van elke asbest-gerelateerde rechtsvordering. Het EHRM oordeelt dat er sprake is van een schending van artikel 6 EVRM Pro «gegeven de uitzonderlijke omstandigheden van de onderhavige zaak». Onder die omstandigheden valt bij uitstek de systematisch toegepaste Zwitserse wettelijke verjarings- en vervaltermijn van 10 jaar. De Nederlandse absolute verjaringstermijn van dertig jaar van artikel 3:310 lid 2 BW Pro is dermate anders (langer) dat aan de uitspraak van het EHRM in de zaak
Moorniet goed gevolgen kunnen worden verbonden voor de Nederlandse praktijk. Vergelijk in dit verband de
Concurring Opinionvan rechter Spano in de zaak
Moor. Hij wijst erop dat de conclusie van het EHRM niet uitsluit dat er absolute verjaringstermijnen zijn die beginnen te lopen op de dag van de veroorzakende gebeurtenis maar dat het EHRM slechts eist dat deze verjaringstermijnen niet overdreven kort zijn rekening houdend met hun algemene toepassingsgebied (sub 5).” [97]
Moorop basis van artikel 6 EVRM Pro eist: te weten, het meewegen van de wetenschappelijk bewezen omstandigheid dat een asbestslachtoffer niet op de hoogte kan zijn van zijn schade in de berekening van de verjaringstermijn.
het beschermen van potentiële gedaagden tegen laattijdige claims waartegen zij zich mogelijk moeilijk kunnen verweren en het voorkomen van de onrechtvaardigheid die zich kan voordoen als de gerechten zich moeten uitspreken over gebeurtenissen uit een ver verleden op basis van bewijselementen waarop men niet meer kan vertrouwen en die door het tijdsverloop incompleet zijn.» (r.o. 72). Even verderop stelt het EHRM bij de door klagers ontvangen uitkeringen de vraag «
in hoeverre deze zodanig zijn dat zij een volledige compensatie vormen van de schade die de belanghebbenden lijden doordat hun aanspraken zijn vervallen of verjaard.» Deze door het EHRM genoemde punten komen alle terug in de zeven gezichtspunten van de Hoge Raad. Het zich moeilijk kunnen verweren en de incomplete of onbetrouwbare bewijselementen komen terug in gezichtspunt e). De vraag naar de mate waarin andere uitkeringen de schade dekken komt terug in gezichtspunt b). De op basis van de TAS betaalde vergoedingen worden hierin meegewogen. De rechtszekerheid weegt mee in het uitzonderingskarakter van de onaanvaardbaarheid en in gezichtspunt d). De gezichtspunten a), c), f) en g) vormen alle elementen voor het meewegen van de omstandigheid dat het slachtoffer of diens nabestaanden niet eerder dan na het verstrijken van de dertigjarige verjaringstermijn hun vordering geldend konden maken bij de vraag of de vordering is verjaard.
[...] /De Scheldedat het beroep op verjaring gelet op de omstandigheden van het geval (in het licht van de zeven gezichtspunten) onaanvaardbaar kan zijn. [102] In de feitenrechtspraak is het betoog dat het Nederlandse verjaringsregime in het geval van een mesothelioomclaim in strijd zou zijn met het arrest
Moor c.s./Zwitserland, voor zover mij bekend, driemaal gevoerd en even zo vaak verworpen. [103]
Moor c.s./Zwitserland. Verjaring dient namelijk op zichzelf een legitiem doel en het vorderingsrecht is, in het licht van de lange verjaringstermijn van 30 jaar en de mogelijkheid voor de feitenrechter om het beroep op die verjaringstermijn in het licht van de omstandigheden van het geval onaanvaardbaar te achten, niet illusoir geworden. Ik herken mij dus in zoverre in de ‘heersende leer’ in de doctrine (hiervoor 4.55).
[...] /De Scheldekunnen dienovereenkomstig in deze drie categorieën worden onderverdeeld. De mogelijkheid om verweer te voeren (punt e) en het voortvarendheidsvereiste (punt g) zijn processuele gezichtspunten. Deze gezichtspunten bepalen immers of de aangesprokene onevenredig in zijn processuele positie is aangetast. Voor de materiële rechtvaardiging komt het mijns inziens in het bijzonder aan op de vraag of sprake is van een vordering van het slachtoffer of diens nabestaande(n) (gezichtspunt a) die niet voor het verstrijken van de verjaringstermijn kon worden ingesteld. Als overige omstandigheden van het geval – die er toe zouden kunnen leiden dat het beroep op verjaring alsnog wordt gehonoreerd – kan onder meer betekenis toekomen aan eventuele andere uitkeringen (punt b), de mate van verwijtbaarheid (punt c), de voorzienbaarheid van een claim (punt d) en het bestaan van verzekeringsdekking (punt f).
De processuele gezichtspunten.Eerst dient te worden beoordeeld of de aangesprokene (al dan niet) onevenredig in zijn processuele positie is geschaad. Van een dergelijke schending zal met name sprake zijn als de vorderende partij onvoldoende voortvarendheid heeft betracht (gezichtspunt g). De vorderende partij zal daarom (bij betwisting) dienen te motiveren dat hij voldoende voortvarend is opgetreden. Op dit punt kan in het licht van de ontwikkelingen van de afgelopen jaren zonder veel problemen worden aangenomen dat aan het voortvarendheidsvereiste in principe is voldaan, wanneer de vordering binnen twee jaar na ontdekking van mesothelioom wordt ingesteld. Daarmee is nog niet meteen beslist over de ‘processuele aspecten’. De aangesprokene is immers onevenredig in zijn processuele positie geschaad in het geval hij zich in redelijkheid niet meer tegen de vordering kan verweren (gezichtspunt e). Dit is in lijn met de EHRM-arresten
Stubbings c.s./Verenigd Koninkrijken
Moor c.s./Zwitserland. Er zal echter niet te snel mogen worden aangenomen dat de aangesprokene zich in redelijkheid niet meer kan verweren. Een zodanig geval is naar mijn mening in principe niet aan de orde als de vorderende partij een voldoende concreet, en met verklaringen of andere bewijsstukken onderbouwd, beeld heeft kunnen schetsen van de feitelijke gang van zaken op de werkvloer ten tijde van de (vermeende) blootstelling aan asbest. Wanneer de aangesprokene onevenredig is geschaad in zijn processuele positie, zal zijn beroep op verjaring in principe niet onaanvaardbaar zijn.
De materiële rechtvaardiging.Wanneer deze eerste ‘processuele’ toets gunstig uitpakt voor de vorderende partij, dient vervolgens te worden beoordeeld of er een materiële rechtvaardiging bestaat voor het doorbreken van de verjaring. Het ligt daarbij voor de hand aan te nemen dat aan dit vereiste is voldaan wanneer sprake is van een vordering van het slachtoffer of diens nabestaande(n) (gezichtspunt a) en het slachtoffer onmogelijk kon weten of hij (al dan niet) aan de ziekte leed, voordat de verjaringstermijn (nagenoeg) was verstreken. Dit sluit aan bij de EHRM-arresten
Stubbings c.s./Verenigd Koninkrijken
Moor c.s./Zwitserland.Wanneer dit geval zich niet voordoet – de vorderende partij is bijvoorbeeld niet het slachtoffer of diens nabestaande – zal een ernstige mate van verwijtbaarheid van de aangesprokene (gezichtspunt c) alsnog een rechtvaardiging kunnen vormen voor het doorbreken van de verjaring. De stelplicht rust naar mijn mening in zoverre op de vorderende partij. Met het betoog dat het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, beroept de vorderende partij zich immers op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten (art. 150 Rv Pro).
De overige omstandigheden van het geval. Wanneer de aangesprokene niet onevenredig in zijn processuele positie is geschaad en er een materiële rechtvaardiging is voor het doorbreken van de verjaring, moet het beroep op verjaring in beginsel onaanvaardbaar worden geacht. De mate van verwijtbaarheid (gezichtspunt c), de voorzienbaarheid van de claim (gezichtspunt d), het bestaan van verzekeringsdekking (gezichtspunten f) en de overige omstandigheden van het geval kunnen echter in bijzondere gevallen alsnog aan doorbraak van de verjaring in de weg kunnen staan. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het geval van een kleine en onverzekerde werkgever die geen ernstig verwijt treft. De stelplicht en bewijslast rusten in zoverre naar mijn mening op de aangesprokene. Daartoe is redengevend dat de aangesprokene zich in dat geval immers beroept op omstandigheden die, ondanks dat hij niet onevenredig in zijn processuele positie is geschaad en er een materiële rechtvaardiging is voor het doorbreken van de verjaring, alsnog aan dat resultaat in de weg zouden staan. Deze regel strookt met de beoogde bescherming van het slachtoffer en/of diens nabestaanden en de omstandigheid dat de in dit verband relevante feiten vooral in het domein van de aangesprokene zijn gelegen. [110]
[...] /De Schelde-regime laat de kern daarvan onaangetast, maar doet wel recht aan de kritiek en bezorgdheid over de wijze waarop toepassing uitpakt voor zeer zwaar getroffenen (en hun naasten). Zij leidt er naar mijn overtuiging toe dat de uitkomst van de procedure tevoren beter kan worden ingeschat. Niet alleen het belang van de verschillende gezichtspunten, maar ook de wijze waarop zij worden gewogen, is immers duidelijk(er dan voorheen). Mijn inschatting is overigens dat de aangeduide hoofdregel over de materiële rechtvaardiging voor de doorbreking van de verjaring er toe zal leiden dat het beroep op verjaring wel vaker onaanvaardbaar zal worden geacht dan tot nu toe het geval is. Een dergelijke verbetering van de positie van het slachtoffer respectievelijk diens nabestaanden lijkt mij niet teveel gevraagd.
5.Terug naar de klachten
eerste onderdeelricht zich tegen het oordeel van het hof dat er geen reden is om het bepaalde in art. 3:310 lid 2 BW Pro in het licht van het arrest van het EHRM
Moor c.s./Zwitserlandin strijd te achten met art. 6 EVRM Pro. Volgens
subonderdeel 1.1zou het hof daarmee blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
Moor c.s./Zwitserlanden de (eventuele) gevolgen daarvan voor het Nederlandse verjaringsregime ten aanzien van mesothelioomclaims (hiervoor 4.37-4.56). In deze bespreking komt naar voren dat de verjaringsregels in ons recht op essentiële onderdelen verschillen van het Zwitserse verjaringsregime voor mesothelioomclaims. In Nederland geldt een lange verjaringstermijn van 30 jaar. In Zwitserland is die verjaringstermijn 10 jaar. Dit betekent dat in Nederland lang niet alle mesothelioomclaims volgens de normale regels zijn verjaard, voordat de ziekte is ontdekt (hiervoor 4.51-4.52 en 4.55). In de tweede plaats kan de feitenrechter ingevolge het arrest
[...] /De Scheldehet beroep op verjaring op grond van de concrete omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar achten. Het vorderingsrecht is daarom niet illusoir (hiervoor 4.51-4.55 en 4.60). Daarom meen ik – met het merendeel van de schrijvers en de Minister (hiervoor 4.51-4.55 en 4.60) – dat de Nederlandse verjaringsregeling de grenzen van de door het EHRM in het kader van het recht op
access to courttoegelaten
margin of appreciationniet overschrijdt.
[...] /De Schelde. Daartoe wordt erop gewezen dat het arrest
Moor c.s./Zwitserlandvan na het arrest
[...] /De Scheldedateert. Ook deze klacht treft naar mijn mening geen doel. Het arrest
Moor c.s./Zwitserlandborduurt in essentie voort op de uitspraak
Stubbings c.s./Verenigd Koninkrijk, die eveneens betrekking heeft op de vraag of een verjaringsregel in strijd is met art. 6 EVRM Pro (hiervoor 4.38-4.41). Die laatstgenoemde uitspraak heeft Uw Raad betrokken in het arrest
[...] /De Schelde(hiervoor 4.42). Hieruit volgt dat het hof zijn oordeel over de vraag of de verjaringsregeling (al dan niet) in strijd is met art. 6 EVRM Pro mede heeft mogen baseren op het arrest
[...] /De Schelde.
[...] /De Scheldeonvoldoende rechtszekerheid biedt voor slachtoffers van mesothelioom en daarom in strijd is met art. 6 EVRM Pro en de redelijkheid en billijkheid. Ook deze klacht treft wat mij betreft geen doel. Uit
Moor c.s./Zwitserlandvolgt dat in het kader van art. 6 EVRM Pro een afweging moet worden gemaakt tussen de belangen van de aangesprokene enerzijds en die van de vorderende partij anderzijds (hiervoor 4.48). Aan een dergelijke afweging is inherent dat geen
hard and fast rulekan worden geformuleerd. Een zodanige afweging is evenmin (in algemene zin) in strijd met de redelijkheid en billijkheid te achten. Weliswaar acht ik een verduidelijking ten aanzien van inhoud en toepassing van de gezichtspuntencatalogus geïndiceerd (hiervoor 4.61-4.68), maar de noodzaak van beoordeling aan de hand van de gezichtspuntencatalogus als zodanig berust op een bestendige lijn in de rechtspraak van Uw Raad en het hanteren van deze gezichtspunten is op zichzelf niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid.
tweede onderdeelkomt op tegen de overwegingen over gezichtspunt (a) (de vorderende partij en de aard van de schade) in rov. 4.7. en 4.15.
Subonderdeel 2.1acht onbegrijpelijk dat naar het oordeel van het hof geen gewicht toekomt aan gezichtspunt (a) ten gunste van een doorbreking van de verjaring.
processuele gezichtspuntenstaan niet aan doorbreking van de verjaring niet in de weg. De aansprakelijkstelling heeft immers naar de onbestreden vaststelling van het hof (rov. 4.14.-4.15.) voortvarend plaatsgevonden (gezichtspunt g) en het hof heeft in het kader van de overwegingen in rov. 4.12. met betrekking tot gezichtspunt (e) niet vastgesteld dat Maersk onevenredig in haar belangen is geschaad. Het door het hof vastgestelde tijdsverloop tussen de blootstelling en de ontdekking van de ziekte en het ontbreken van het personeelsdossier (hiervoor 2.33) is daarvoor ook niet toereikend. Wat betreft gezichtspunt (e) verdient verder opmerking dat het debat daarop niet was toegespitst. Dat is in die zin begrijpelijk dat de verduidelijking van het regime van de gezichtspuntencatalogus pas in deze zaak voor het eerst door Uw Raad zou worden aanvaard. Het ligt daarom niet voor de hand om in dit kader aan de overwegingen met betrekking tot gezichtspunt (e) gevolgtrekkingen ten nadele van één van partijen te verbinden. Het debat over dit gezichtspunt zou na cassatie en verwijzing gevoerd kunnen worden. Hierbij verdient opmerking dat partijen na cassatie en verwijzing hun stellingen op een nieuwe rechtsregel van Uw Raad zouden mogen aanpassen. [111] De feiten en omstandigheden van dit geval kunnen verder de conclusie dragen dat er een
materiële rechtvaardigingis voor het doorbreken van de verjaring. De vaststelling dat het hier een vordering van een nauw betrokken nabestaande betreft (gezichtspunt a) levert – in samenhang met de onbestreden vaststelling dat de schade pas kon worden geconstateerd toen de verjaringstermijn was verstreken (vonnis kantonrechter, rov. 5.3.) – een materiële rechtvaardiging op voor het doorbreken van de verjaring.
subonderdeel 2.1brengt mee dat het arrest niet in stand kan blijven.
derde onderdeelricht zich tegen de beoordeling van gezichtspunt (b) in rov. 4.9. Volgens
subonderdeel 3.1getuigt deze beoordeling van een onjuiste rechtsopvatting. Daartoe wordt aangevoerd dat in het kader van gezichtspunt (b) alleen betekenis kan toekomen aan een onvoorwaardelijke en onherroepelijke uitkering.
€ 71.000,-- bestaande uit (in hoofdsom) € 60.000,-- wegens immateriële schade en (bijna) € 11.000,-- wegens materiële schade.” Deze vaststellingen kunnen de feitelijke slotsom van het hof dragen dat een substantieel gedeelte van de schade is vergoed. Het hof is op die grond tot het oordeel gekomen dat dit gezichtspunt niet wijst in de richting van doorbreking van de verjaring. Die gevolgtrekking is voorbehouden aan het hof als feitenrechter. Zij is niet onbegrijpelijk. Met de uitkering op grond van de TAS is immers circa 30% van het gevorderde schadebedrag reeds vergoed.
vierde onderdeelbestrijdt de beoordeling van gezichtspunt (c) in rov. 4.10. en 4.15. Het gaat hierbij om de overweging dat geen sprake is van ernstige verwijtbaarheid. Volgens
subonderdeel 4.1heeft het hof daarmee miskend dat ook niet ernstige verwijtbaarheid grond kan zijn om aan dit gezichtspunt gewicht toe te kennen ten gunste van doorbreking van verjaring, althans dit gezichtspunt neutraal te wegen. Het subonderdeel faalt. Het hof heeft zich niet beperkt tot de vaststelling dat geen sprake is van een ernstig verwijt. Het hof heeft in het kader van de beoordeling van gezichtspunt (c) in rov. 4.10. voorts namelijk het volgende overwogen: “ [betrokkene 1] kwam, naar moet worden aangenomen op basis van hetgeen in deze zaak bekend is, slechts incidenteel in aanraking met asbestvezels, zodat voor hem in de periode tot zijn laatste Afrika-reis voor VNS, op basis van de toen bekende asbestrisico’s, geen bijzondere veiligheidsmaatregelen getroffen behoefden te worden.” Naar het kennelijke oordeel van het hof valt (de rechtsvoorgangster van) Maersk in dit verband dus weinig te verwijten. Het hof mocht onder die omstandigheden tot het oordeel komen dat gezichtspunt (c) over de verwijtbaarheid niet voor het doorbreken van de verjaringstermijn pleit.
[...] /De Scheldeworden genoemd (hiervoor 4.12-4.13). Het hof heeft dat echter ook niet miskend en deze zeven gezichtspunten in zijn beoordeling betrokken (rov. 4.8.-4.15.). Vervolgens is het hof toegekomen aan de weging van de gezichtspunten in de onderhavige zaak. In dit concrete geval heeft het hof met name omstandigheden (e) en (c) van zwaarwegende betekenis geacht. Er staat geen rechtsregel aan in de weg om in een concreet geval, na een afweging van alle gezichtspunten, twee gezichtspunten per saldo van meer beslissende betekenis te achten.
tegendoorbreking van de verjaring dan wel slechts
niet voordoorbreking van de verjaring pleiten (en dus neutraal worden gewogen). Deze klacht is naar mijn mening gegrond. Volgens vaste rechtspraak van Uw Raad dient ook een feitelijke afweging immers zodanig te worden gemotiveerd dat de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang voor partijen en derden (de hogere rechter daaronder begrepen) controleerbaar en aanvaardbaar is. [112] Dit geldt volgens mij – zoals hiervoor reeds aangegeven (hiervoor 4.58 en 4.68) – ook en in het bijzonder voor de afweging op grond van de gezichtspuntencatalogus. Op die manier kan de juridische onzekerheid voor de slachtoffers van mesothelioom en/of hun nabestaanden immers worden beperkt. In dat licht heeft het hof zijn gedachtegang niet voldoende inzichtelijk gemaakt door in rov. 4.9.-4.13. en 4.15. ten aanzien van gezichtspunten (a) tot en met (f) in het midden te laten of deze omstandigheden
tegenof (slechts)
niet voordoorbreking van de verjaring pleiten.