ECLI:NL:GHSGR:2004:AP4593
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Hooykaas
- Van der Klooster
- Van Dooren
- Rechtspraak.nl
Beoordeling pari passu beding en prospectusaansprakelijkheid bij obligatielening DAF
Deze zaak betreft een hoger beroep over de uitleg van het pari passu beding in een obligatielening van DAF uit 1988 en de mogelijke prospectusaansprakelijkheid van de Bank. NTM en IBT stelden dat het beding ook zekerheden van dochtermaatschappijen omvatte, terwijl het hof dit beperkt tot zekerheden van DAF zelf. De obligatielening was uitgegeven via een trustakte, waarin het pari passu beding was opgenomen.
Het hof oordeelde dat de trustakte en de bewoordingen van het beding duidelijk maken dat alleen DAF als debiteur is bedoeld, en niet de dochtermaatschappijen. De bewoordingen van het prospectus en de brief van de voorzitter van de Raad van Bestuur ondersteunen geen ruime uitleg. Ook het argument dat de markt anders zou hebben gereageerd bij volledige informatie werd verworpen wegens gebrek aan bewijs.
Verder werd geoordeeld dat er geen sprake was van misleiding door de Bank in het prospectus, aangezien de informatie over het beding voldoende duidelijk was en gebruikelijk in de markt. De vorderingen van NTM en IBT wegens onrechtmatig handelen en wanprestatie werden afgewezen. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde NTM en IBT in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vorderingen van NTM en IBT af wegens een enge uitleg van het pari passu beding en het ontbreken van misleiding.