ECLI:NL:HR:2001:AB0694
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Neleman
- R. Herrmann
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- J.B. Fleers
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatig handelen ABN AMRO jegens obligatiehouders en aansprakelijkheid
Deze zaak betreft een geschil tussen obligatiehouders, vertegenwoordigd door NTM en [A B.V.], en ABN AMRO over vermeend onrechtmatig handelen van ABN AMRO in het prospectus van een obligatielening uitgegeven door DAF B.V. in 1988. De obligatielening was bestemd voor doorlening aan dochtermaatschappijen van DAF, zonder dat zekerheden aan de obligatiehouders werden verstrekt. NTM en [A B.V.] stelden dat ABN AMRO onrechtmatig had gehandeld door misleidende informatie in het prospectus op te nemen.
De rechtbank wees de vorderingen af, maar het hof vernietigde dit vonnis voor zover het de vorderingen tegen ABN AMRO betrof, omdat de voorwaarden waaronder deze vorderingen waren ingesteld niet vervuld waren en deze vorderingen daardoor niet aan de orde mochten komen. ABN AMRO stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof.
De Hoge Raad oordeelde dat ABN AMRO geen belang had bij haar cassatieberoep omdat de overwegingen van het hof over de vorderingen tegen andere partijen geen gezag van gewijsde hadden jegens ABN AMRO. Daarom verklaarde de Hoge Raad ABN AMRO niet-ontvankelijk in haar beroep en verwees de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling en beslissing over de vorderingen van NTM en [A B.V.].
Uitkomst: ABN AMRO werd niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep en de zaak werd verwezen naar het Gerechtshof voor verdere behandeling.