ECLI:NL:GHSGR:2006:AY8858
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- M. Hooykaas
- H.P.Ch van Dijk
- M.Y. Bonneur
- Rechtspraak.nl
Toegang tot persoonsgegevens bankcliënten in civiele procedure op grond van de Wbp
In deze civiele procedure vorderen beleggers op grond van artikel 35 van Pro de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) inzage en afgifte van persoonsgegevens die de bank HBU van hen heeft verwerkt, waaronder schriftelijke dossiers en bandopnames van telefoongesprekken. De bank weigerde dit verzoek met het argument dat het inzagerecht misbruikt wordt om haar procespositie in lopende procedures te benadelen en dat niet alle gevraagde gegevens als verwerkte persoonsgegevens in de zin van de Wbp kunnen worden aangemerkt.
De rechtbank wees de meeste verzoeken af, maar het hof vernietigt deze beslissing. Het hof stelt vast dat de bank wel degelijk persoonsgegevens verwerkt in gestructureerde bestanden en dat het inzagerecht niet beperkt mag worden op grond van het verlies van een procesvoordeel. Ook is geen sprake van misbruik van bevoegdheid door de verzoekers. Het hof beveelt de bank om binnen acht weken kopieën te verstrekken van de gevraagde dossiers en, indien aanwezig, van bandopnames en schriftelijke uitwerkingen van telefoongesprekken.
Daarnaast verklaart het hof de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en legt het dwangsommen op om naleving af te dwingen. De bank wordt veroordeeld in de proceskosten. Dit arrest bevestigt het belang van het inzagerecht onder de Wbp en verduidelijkt de reikwijdte van de weigeringsgronden, met name in het kader van lopende civiele procedures.
Uitkomst: HBU is veroordeeld tot verstrekking van kopieën van persoonsgegevens en bandopnames aan de beleggers, met dwangsommen en uitvoerbaar bij voorraad-verklaring.