ECLI:NL:PHR:2007:BA3529
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Reikwijdte inzagerecht persoonsgegevens en verstrekking kopieën en bandopnamen door bank
De zaak betreft een geschil tussen voormalige cliënten en de Hollandsche Bank-Unie (HBU) over het recht op inzage in persoonsgegevens op grond van art. 35 van Pro de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). De cliënten vorderden inzage en kopieën van documenten, waaronder bandopnamen van telefoongesprekken en schriftelijke uitwerkingen daarvan, die betrekking hebben op hun kredietverlening.
De rechtbank wees het verzoek deels af, met name inzake verstrekking van bandopnamen en kopieën van documenten, maar het hof vernietigde dit en oordeelde dat HBU verplicht is om afschriften van de verwerkte persoonsgegevens en de bandopnamen te verstrekken, onder meer vanwege het transparantiebeginsel en het doel van het inzagerecht. HBU stelde in cassatie dat het inzagerecht niet strekt tot verstrekking van kopieën van gegevensdragers en dat het hof de wet onjuist had uitgelegd.
De Hoge Raad bevestigde dat het recht op een volledig overzicht in begrijpelijke vorm op grond van art. 35 lid 2 Wbp Pro in beginsel ook het recht op kopieën van de verwerkte persoonsgegevens omvat, omdat alleen op die wijze de betrokkene kan controleren of de gegevens juist en rechtmatig worden verwerkt. Ook het recht op verstrekking van bandopnamen en transcripties wordt erkend, mits deze persoonsgegevens bevatten. De Hoge Raad verwierp het beroep van HBU dat dit zou neerkomen op een misbruik van recht of een onaanvaardbare verzwarende verplichting voor de bank. De uitspraak benadrukt het belang van het transparantiebeginsel en de reikwijdte van het inzagerecht binnen het kader van de Wbp en de Europese Richtlijn 95/46/EG.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt dat op grond van art. 35 Wbp recht bestaat op verstrekking van kopieën van persoonsgegevens en bandopnamen door de bank.