ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ3315
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake verjaring medische aansprakelijkheid orthopedisch chirurg
In deze zaak stond de vraag centraal of de vordering van de patiënt tegen de orthopedisch chirurg en het ziekenhuis tijdig was ingesteld of reeds was verjaard. De operatie vond plaats op 1 februari 1993. De patiënt stelde dat zij pas in 1999 voldoende zekerheid had over het tekortschietend handelen van de chirurg, terwijl de arts stelde dat zij dit al direct na de operatie wist.
Het hof oordeelde dat de patiënt reeds op de operatiedag voldoende zekerheid had over de schade en de veroorzaker daarvan, waardoor de verjaringstermijn van vijf jaar uit artikel 3:310 lid 1 BW Pro vanaf die dag begon te lopen. De brief van de raadsman uit 1998 kwam te laat om de verjaring te stuiten. Het beroep op verjaring door de arts werd daarom gehonoreerd.
Ten aanzien van het ziekenhuis stelde het hof vast dat de patiënt rechtstreeks een behandelingsovereenkomst met de arts had gesloten en dat de arts niet in dienst was van het ziekenhuis. Hierdoor kon het ziekenhuis niet aansprakelijk worden gehouden op grond van artikel 6:171 BW Pro of artikel 7:462 BW Pro. De vordering tegen het ziekenhuis werd daarom afgewezen.
De bestreden vonnissen werden vernietigd, de patiënt werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tegen de arts en de vordering tegen het ziekenhuis werd afgewezen. De patiënt werd veroordeeld in de kosten van beide instanties.
Uitkomst: De vordering tegen de arts is verjaard en niet-ontvankelijk verklaard; de vordering tegen het ziekenhuis is afgewezen.