ECLI:NL:GHSGR:2009:BK9380
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vermindering belastbaar inkomen wegens verlies uit overige werkzaamheden na afwaardering regresvorderingen
Belanghebbende was directeur en aandeelhouder van meerdere B.V.'s, waaronder [B B.V.], die failliet ging. Hij was mede-hoofdelijk aansprakelijk voor een rekening-courantkrediet van €453.780 verstrekt door de Rabobank. Na faillissement betaalde belanghebbende in 2002 een bedrag van €7.212 aan de bank, dat hij als verlies uit overige werkzaamheden opvoerde.
De Inspecteur accepteerde slechts €1.442 van dit bedrag als verlies. Belanghebbende ging hiertegen in beroep, stellende dat een groter deel van de betaling als verlies moest worden erkend, omdat hij regresvorderingen op medeschuldenaren had. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar het hof vernietigde deze uitspraak en die van de Inspecteur.
Het hof oordeelde dat de regresvorderingen op [B B.V.] en [A B.V.] tot het werkzaamheidsvermogen behoren en dat alleen het deel van de vordering op [B B.V.] kon worden afgewaardeerd tot nihil vanwege het faillissement. De vordering op [A B.V.] was niet af te waarderen omdat deze vennootschap voldoende eigen vermogen had. De aanslag werd daarom verminderd tot een belastbaar inkomen van €299.
Daarnaast veroordeelde het hof de Inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. De uitspraak werd openbaar gedaan op 14 juli 2009.
Uitkomst: De aanslag inkomstenbelasting 2002 wordt verminderd tot een belastbaar inkomen van €299 met vergoeding van proceskosten en griffierecht aan belanghebbende.