ECLI:NL:GHSGR:2010:BL6543
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Labohm
- Mos-Verstraten
- van Dijk
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep in familierecht over verrekening waardestijging aandelen en rentevergoeding
In deze complexe familierechtelijke procedure staat de verrekening van de waardestijging van aandelen in [X-] BV centraal, waarbij de vrouw aanspraak maakt op een vergoeding op grond van een verrekenbeding en de financiering van de aandelen met overgespaarde inkomsten. Het hof oordeelt dat de Wet verrekenbedingen niet van toepassing is vanwege het overgangsrecht, aangezien de zaak betrekking heeft op feiten en procedures van voor de inwerkingtreding van deze wet.
De vrouw vordert onder meer een boven nominale vergoeding van een bedrag van fl 19.000,- dat zij aan de man heeft geleend, inclusief rente, en stelt dat zij recht heeft op een evenredige aanspraak in de waardestijging van de aandelen. Het hof overweegt dat de vrouw slechts aanspraak kan maken op een nominale vergoeding, omdat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een afwijking van dit uitgangspunt rechtvaardigen.
Verder is er discussie over de waardering van de aandelen door een deskundige. Het hof stelt vast dat partijen geen instructies hebben gegeven over de waarderingsgrondslagen, waardoor de deskundige redelijke en algemeen aanvaarde uitgangspunten heeft gehanteerd. Het hof onderschrijft de deskundige waardering en de gehanteerde AB-claim van 25%.
Ten aanzien van het deskundigenonderzoek oordeelt het hof dat het fair trial-beginsel niet is geschonden, ondanks dat de vrouw niet over alle stukken beschikte die aan de deskundige zijn verstrekt. De procesorde is niet geschonden en de vrouw heeft voldoende gelegenheid gehad haar standpunten kenbaar te maken.
Het hof vernietigt het vonnis van 3 september 2008 voor zover de rechtbank de wettelijke rente over het bedrag van € 18.472,12 niet toekende en veroordeelt de man tot betaling van deze rente vanaf 8 mei 1998 tot aan de dag der algehele voldoening. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof veroordeelt de man tot betaling van wettelijke rente over €18.472,12 vanaf 8 mei 1998 en wijst verder de vorderingen van de vrouw af.