ECLI:NL:GHSGR:2010:BO3593
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering aftrek omzetbelasting wegens misbruik en betalingsonmacht
Het geschil betreft de aftrek van omzetbelasting door belanghebbende over het eerste kwartaal van 2005, waarbij zij omzetbelasting in aftrek bracht die door [E] B.V. in rekening was gebracht. Na het faillissement van enkele groepsvennootschappen werden activiteiten voortgezet door nieuwe vennootschappen binnen dezelfde groep. Belanghebbende ontving een factuur met omzetbelasting voor de levering van een voorraad goederen, waarvan de betaling niet werd voldaan.
De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en het Gerechtshof Amsterdam bevestigde dit oordeel. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Gerechtshof Amsterdam en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof 's-Gravenhage voor verdere behandeling.
Het Hof oordeelde dat de economische eigendom van de voorraad goederen op de faillissementsdatum was overgegaan op [F] B.V., waardoor [E] niet meer kon leveren en geen omzetbelasting verschuldigd was. Belanghebbende wist of kon weten dat de omzetbelasting onterecht in rekening was gebracht en dat deze niet betaald zou worden vanwege betalingsonmacht binnen de groep. Door toch het vooraftrekrecht in te roepen, maakte belanghebbende bewust inbreuk op de neutraliteit van de BTW-heffing. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De proceskosten worden niet aan de Inspecteur opgelegd. Partijen kunnen binnen zes weken cassatieberoep instellen bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de weigering van aftrek van omzetbelasting en verklaart het hoger beroep ongegrond.