ECLI:NL:GHSGR:2011:BP3089
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- C.G. Beyer-Lazonder
- N.M. van der Horst
- W.E.M. Leclercq
- Rechtspraak.nl
Woonschip niet kwalificeert als woonruimte in zin van artikel 7:233 BW
In deze zaak ging het om de vraag of een woonunit aan boord van een woonschip, gelegen op een ponton in een getijhaven te Rotterdam, kan worden aangemerkt als woonruimte in de zin van artikel 7:233 BW Pro. De appellant betoogde dat het woonschip een roerende zaak is en dat de bepalingen inzake huurbescherming en huurprijs niet van toepassing zijn.
De huurcommissie had eerder geoordeeld dat het woonschip onroerend is en derhalve woonruimte in de zin van de wet. De kantonrechter had dit oordeel gevolgd, maar het hof stelde vast dat het criterium van duurzame vereniging met de grond als bedoeld in artikel 7:233 BW Pro niet zomaar buiten toepassing kan worden gelaten, ondanks ontwikkelingen in het wonen op water.
Het hof concludeerde dat het ponton drijft en als schip moet worden aangemerkt, een roerende zaak, en dat de verbinding met de bodem via spudpalen niet leidt tot duurzame vereniging met de grond. Ook de aansluiting op nutsvoorzieningen is onvoldoende voor onroerendheid. Daarom kwalificeert het woonschip niet als woonruimte in de zin van artikel 7:233 BW Pro.
Als gevolg daarvan was de huurcommissie onbevoegd om uitspraak te doen over de redelijkheid van de huurprijs. Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter, verklaarde de huurcommissie onbevoegd en veroordeelde de geïntimeerde in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof oordeelt dat het woonschip geen woonruimte is in de zin van artikel 7:233 BW en verklaart de huurcommissie onbevoegd.